Pol Hoste

Published: 26/05/2013

Tags: untimely prose

Een zevende Untimely Meditation door Pol Hoste.

 

Dagenlang zouden we tegen elkaar aanliggen en wanneer we zouden denken dat er een einde was gekomen aan wat we elkaar te vertellen hadden, zou jij zeggen: zo heel veel van elkaar. En ik zou zeggen: houden van. Waarna we opnieuw over elkaar heen zouden glijden, in elkaar opgaan, van elkaar wegrollen en weer naar elkaar toe. Gedreven worden, zei ik.  
   Tijd zou helemaal verdwijnen omdat tijd een maat is die uitdrukking geeft aan wat meetbaar is en wij helemaal niet meetbaar zijn. Is alles niet meetbaar? dacht ik dat ze vroeg. Maar ze vroeg zich alleen af waarom we niet tegen elkaar aanlagen.  
   We zouden onze ledematen verkennen, onderzoeken wat ze met elkaar doen. Bewegen, zei ik. Waaruit we zouden kunnen afleiden hoezeer we van elkaar houden. Waarom afleiden? 
   Alleen zou er vroeg of laat bevruchting zijn, zei ik. Er zou bevruchting van komen van de manier waarop we van elkaar houden. Waarom zou dat niet van elkaar houden zijn?
   Je zou begeerd willen worden, zei ik, overweldigd. Je zou helemaal niet willen dat we alleen maar over elkaar heen zouden rollen, naar elkaar toe zouden glijden, ik kan niet herhalen wat je allemaal hebt gezegd. En je zou al helemaal niet willen dat ik naar een ander toe zou glijden, er over heen zou rollen. Haal je niet een paar dingen door elkaar? Blurren, is het. Blurren, zei ik. Je hoort dat woord niet zo gauw meer, hier, op het oververhitte platteland.  
   Oververhit?
   Omdat jij vruchtbaar bent, zei ik. En omdat jij vruchtbaar bent, zei ze. Wanneer je niet vruchtbaar zou zijn, zei ik, zouden we zomaar tegen elkaar kunnen aanliggen, over elkaar heen rollen, in elkaar wegglijden, naar elkaar toe gedreven worden, wegrollen, terugrollen.
   Jij met je rollen altijd, zei ze. Jij altijd met je tegen elkaar aanliggen, zei ik. Ik? vroeg ze. Ja, jij, zei ik. Wie anders.  
   Weet je hoe het komt dat we zo tegen elkaar tekeer gaan? vroeg ik. Omdat we vruchtbaar zijn. Denk ik. Dat denk jij, zei ze. Als we oud zouden zijn, zei ik, en al lang niet meer vruchtbaar zouden zijn omdat het nu eenmaal de weg is die men opgaat, dan zouden we kunnen doen waar jij altijd over vertelt zonder dat het gebeurt. In plaats van tegen me aan te liggen, zei ze. Over jou heen te rollen, zei ik, vervuld van verlangen. Beschermd door  voorbehoedsmiddelen naar mij toe te glijden, zei ze. In elkaar op te gaan, in jou te glijden, zei ik. Me te begeren, zei ze. Zie je wel, zei ik.
   Misschien als we oud zouden zijn, dat we dan alleen maar zouden lachen om wie we zijn. Wellicht dat iemand zich zelfs zou afvragen wat daar nu zo om te lachen aan is. Misschien dat ik dan zou zeggen: ik heb geen goede verklaring voor alles wat ik zeg over hoe ik van je hou. En jij zou zeggen: denk je dat je daar een verklaring voor nodig hebt? In plaats van te genieten?
   Ik ben veranderd, ik moet voor een aantal praktische zaken zorgen, zou ik dan misschien wel zeggen. Bijvoorbeeld voor heel veel van mezelf waar ik moet over nadenken. Alsof ik geen tijd nodig heb voor mezelf, zou jij dan misschien wel zeggen, trouwens, jij altijd met je nadenken. Je hoort niet eens wat ik zeg. Waarom denk je niet na over wat ik zeg? Denk je dat ik niet nadenk over wat jij zegt? En ik heb ook tijd nodig om na te denken over mezelf.
   Vergeet maar dat ik diegene ben gebleven over wie ik zo dikwijls heb nagedacht. Ik verander voortdurend, terwijl ik nog altijd evenveel van je hou. En jij zou zeggen: wat is er dan veranderd als je nog altijd van me houdt? Waarom liggen we niet tegen elkaar aan?
   Zo zou wat we zeggen helemaal opnieuw kunnen beginnen. Je hoeft wat hier staat maar te lezen, ook al zijn we niet wat hier staat. Alleen zouden we wie we zijn en wie de ander is niet langer formuleren of proberen te verklaren. We zouden van elkaar houden, wandelen, verhalen vertellen en lachen. Omdat jij uiteindelijk zou hebben gezegd: we kunnen beter gaan wandelen en lachen om al die dwaze dingen waarbij jij stil blijft staan.