Frank Vande Veire

Published: 27/08/2013

Tags: politics yang archive philosophy

In 2008 was Frank Vande Veire vier nummers lang writer-in-residence bij yang. Dit is zijn tweede bijdrage, over o.a. antisemitische apocalyptiek, de Israëlische zaak, het leed van de beul, het ontroerende geloof van de anderen en de sublieme kern van religie, uit yang 2008.2.

 

Antisemitisch zionisme

Het zou een hele stap vooruit zijn indien de VS in het Midden Oosten echt zouden doen wat hun altijd wordt verweten: vooral hun eigen belangen veilig stellen. Met hun onvoorwaardelijke en hardnekkige steun aan de Israëlische politiek doen ze dat in elk geval niet. Volgens de Amerikaanse onderzoeksjournalisten Mearsheimer en Walt kan derhalve alleen een externe factor die steun verklaren: de Israëllobby. Maar wat is er met de VS aan de hand dat ze zich door die lobby laten meesleuren? Het moet ons in elk geval achterdochtig stemmen dat het heel vaak ultraconservatieve christenen zijn, het slag mensen dat nog niet lang geleden schaamteloos antisemitisch was, die Israël niet alleen steunen maar ook nog eens stimuleren om zich tegenover de Palestijnen nog harder op te stellen. Hun onverschilligheid tegenover de werkelijke problemen waarmee de staat Israël zich in zijn verhouding met de Arabische wereld geconfronteerd ziet, is veelzeggend. Hun verborgen agenda is nauwelijks verborgen. Hij is apocalyptisch christelijk.

De Christian Zionists weten dat, hoe onverbiddelijker Israël zich tegenover de Palestijnen opstelt, hoe meer dit voedsel geeft aan het antisemitisme dat nu al in de arabische wereld het grootste opium voor het volk is. Dat dit tot oorlog kan leiden is geen risico dat ze erbij nemen, maar iets waarop ze huiverend hopen. De komst van de joden in Palestina is voor hen het voorspel tot de wederkomst van Christus. De joden zijn belast met de opdracht in de vlakten van Palestina met de moslims een bloederig armageddon uit te vechten. Net nadat ze hun tegenstanders hebben verpletterd zullen de joden, als beloning voor hun moed, door de genade van de, uiteraard christelijke, God worden aangeraakt en spontaan hun jood-zijn afleggen. Daarmee zal het doek over de geschiedenis vallen. Veel wijst erop dat de Amerikaanse politiek in het Midden-Oosten wordt gestuurd door dit soort aan de psychose grenzende, diep antisemitische apocalyptiek, maar omdat de VS al met al een product zijn van de Europese Verlichting, en toch op zijn minst gebaat zijn bij ‘stabiliteit in de regio’, durven we nauwelijks bij deze gedachte stil te staan. Freud, die in Wenen voor zijn raam de pronazistische milities voorbij zag marcheren, geloofde niet dat het allemaal zo’n vaart zou lopen, want een land als Duitsland, dat figuren als Kant en Goethe had voortgebracht, bezat genoeg morele en intellectuele kracht om weerstand te bieden aan het obscurantisme. Dat zelfs de auteur van Das Unbehagen in der Kultur zo het kwaad kon onderschatten dat in de ziel van geciviliseerde mensen woedt, moet ons misschien aansporen om ons te wagen aan hypotheses die aan mensengroepen uitermate vreemde, (zelf)destructieve motieven toeschrijven.

Als er ooit een politiek door een apocalyptisch verlangen gekleurd werd, dan is het wel Amerika’s Israëlpolitiek. Het is dan ook symptomatisch dat de politieke ‘filosoof ’ John Gray, die, zoals de overgrote meerderheid van de filosofen en de journalisten sinds de jaren tachtig doet, de hele revolutionaire politiek van de twintigste eeuw afdoet als een gevaarlijk messianisme met apocalyptische trekken en daarbij communisme, nazisme, liberalisme en Amerikaans neoconservatisme op één hoop gooit, met geen woord rept over de bedenkelijke wijze waarop de VS hun lot verbinden aan Israël. Eens te meer dreigt het lot van de joden te worden gestuurd door de perverse droom die christenen over hen dromen, een droom waarin de joden deze keer niet figureren als perverse kindermoordenaars, gifmengers, samenzwerende bolsjewieken of ziekelijke vrekken, maar als apocalyptische helden.

Nog meer gevoeligheid

In een Antwerpse stadswijk waar veel orthodoxe joden leven, wordt een boekhandelaar door twee joden geïntimideerd omdat er in zijn etalage een boek ligt met op de kaft de kop van Hitler. Dat het gaat om Hitlers handlangers (1994), het zoveelste boek waarin de misdaden van de nazi’s uit de doeken worden gedaan, kan voor hen niet als een verzachtende omstandigheid gelden. Michael Zevi Freilich, hoofdredacteur van Joods Actueel, in de plaats van zijn achterban uit te leggen dat er met dat boek niets mis is, weet niet beter dan te zeggen dan dat dit ‘nogmaals een voorbeeld is van hoe velen de verpletterende
historische betekenis van de Holocaust niet inzien’. Françoise Dubruille, voorzitster van de International Booksellers Federation, treedt hem bij: ‘Een boek met Hitlerfoto etaleren in het Jodenkwartier is provocatie.’

Het behoort blijkbaar niet enkel tot individuele maar ook tot collectieve trauma’s dat de getraumatiseerde zijn trauma jaloers bewaakt tegen elke vorm van bezoedeling door anderen. Hij plaatst rond zijn trauma een heilig schrijn dat moet verhinderen dat anderen zich er over ontfermen door hem bijvoorbeeld een discours aan te reiken dat het op een andere manier bespreekbaar maakt. Het is alsof de joden hier zeggen: ‘De Holocaust is van ons. Hoeveel jullie er ook over menen te weten, ons lijden zal voor altijd onbegrijpelijk blijven, een geheim minstens zo ondoorgrondelijk als onze God. Over de banale historiek en de psychobiografie van onze beulen, over hoe en waarom ze beulen zijn geworden, willen we niets horen. We weten wat ze bij ons hebben aangericht en dat is genoeg. Jullie vertonen weinig respect voor de ongrijpbare uniekheid van de gruwel die wij hebben ondergaan wanneer jullie hem willen verweven in een historisch verhaal en, nog bedenkelijker, naar “verklaringen” zoeken. Wat voor verklaring jullie ook aandragen, ze kan alleen ons lijden bagatelliseren en dus de beul in de kaart spelen. Laat ons alleen!’

Het gen van Sharon en Arafat

Het volstaat niet, het is zelfs moreel-politiek oneerlijk om tegenover elk fanatisme een beroep te doen op een verstandig pragmatisme. Daarom gaat de Israëlische schrijver Amoz Oz in zijn Help us to divorce (2004) te kort door de bocht wanneer hij beweert dat het wezenlijke conflict zich niet afspeelt tussen Israëliërs en Palestijnen, maar tussen diegenen in beide kampen die zijn aangestoken door de ‘oeroude menselijk ziekte van het fanatisme’ en de pragmatici die zich tevreden stellen met een onbevredigend, maar vredebrengend compromis. De schrijver meent hiermee de simplistische voorstelling van het conflict in termen van gelijk en ongelijk te overstijgen vanuit een ‘literair’ oog voor de complexiteit van de werkelijkheid, maar neemt de facto een abstract-humanistisch standpunt in dat niet wil zien dat zijn pleidooi voor ‘pluralisme’, ‘verdraagzaamheid’, ‘relativisme’ een luxe is van diegenen die politiek-militair het pleit hebben gewonnen en dus niet langer behoefte hebben aan fanatisme.

Israël was niet mogelijk geweest zonder al die bijzonder onpragmatische, van elke zelfrelativering verstoken zionisten (waartoe Oz zelf bekent te hebben behoord) voor wie het messiaanse doel toch wel heel verregaande middelen heiligde. Evenzeer gaat Oz, als hij fanatisme een ‘gen voor het kwaad’ noemt, voorbij aan het hemelsbrede verschil tussen het fanatisme van de machtigen en het fanatisme van wie in het nauw is gedreven en nauwelijks nog iets te verliezen heeft. Wie fanatisme tot een tijdloos biologisch-metafysisch concept maakt, ontslaat zich van de plicht tot een serieuze politieke analyse en keurt bijvoorbeeld de wijze goed waarop Bush en Sharon zich haasten het terrorisme van Al Qaida en dat van de Palestijnen aan elkaar gelijk te stellen. Fanatici missen gevoel voor humor, zegt Oz. Ze missen het vermogen ‘te leven met onbesliste situaties’ en zich in de positie van het andere kamp in te leven.

De vraag is of het moreel is zoveel wijsheid van de Palestijnen te verwachten, en daarenboven of ze met zo’n empathie maar enigszins zouden gebaat zijn. Wat humor betreft: zoals bij menig geknecht en vernederd volk zal het zeker ook bij de Palestijnen niet aan humor ontbreken. Vast staat dat die humor in de kaart speelt van de Israëlische bezetter. Humor doet mensen het onverdraaglijke verdragen. De grote melancholicus Oz kan dat onmogelijk niet weten. Oz suggereert ook al te zeer een symmetrische relatie tussen de twee partijen wanneer hij beweert dat Israëliërs en Palestijnen zouden moeten inzien dat een scheiding de enige oplossing is. Waarom verzwijgt hij dat het voor zo’n scheiding volstaat dat Israël, dat de Palestijnen sinds lang binnen Israël van Israël heeft afgescheiden en in hun ‘gebieden’ heeft opgesloten, hun een scheiding gunt die leefbaar is?

De joden als gevaar

De schrijnende paradox is dat de Holocaust meer dan ooit heeft aangetoond hoe verwerpelijk de eeuwenoude idee is dat de joden door hun loutere bestaan voor andere volkeren een gevaar vormen, terwijl diezelfde Holocaust als effect heeft gehad dat joden voor het eerst voor een ander volk (de Palestijnen) niet langer een imaginaire dreiging, maar een reële Catastrofe zijn geworden, en dat ze door dit, met de volle steun van de machtigste natie ter wereld, halstarrig te blijven, een gevaar vormen voor de wereldvrede. Voor de Europeaan is dit een boosaardige kronkel van het lot, voor de islamitische wereld ontpoppen de joden zich hiermee alleen maar als de usurpators die ze altijd al waren. Nu slaat Europa hoofdschuddend het succes gade dat het door christenen bedachte geschrift De protocollen van de wijzen van Sion en alle perverse afleidingen ervan, in het Midden-Oosten oogsten, en vindt het dat zijn gerechtvaardigde ergernis over de behandeling van de Palestijnen wordt besmeurd door het antisemitisme waarmee de Arabische wereld haar conflict met zichzelf afdekt.

Israël als Europa's gematerialiseerde schuld

Er is veel te zeggen voor de visie dat het zionisme eerder een typisch moderne, nationalistische compensatie was voor een afnemende religiositeit dan een vervulling van een bijbelse profetie. Maar in elk geval: als er al een religieuze legitimering voor de kolonisering van Palestina zou zijn, dan geldt die alleen voor de joden, en kan ze dus onmogelijk geldig zijn, zeker als het daarvoor noodzakelijk was een ander volk te verdrijven. ‘Gelegitimeerd’ is de stichting van Israël enkel door het verschrikkelijke dat Europa (en zeker niet alleen Duitsland) de joden heeft aangedaan. Zoals A. B. Yehoshua zegt (Israel: un examen moral): het enige recht dat de joden voor de kolonisering van Palestina kunnen laten gelden is een ‘uit wanhoop geboren recht’.

In het licht van het antisemitisme dat vanaf de late negentiende eeuw hand over hand in Europa toenam en culmineerde in de Holocaust was alle gerechtvaardigde kritiek op het opkomende zionisme (dat het imperialistisch en religieus obscurantistisch is) vanuit Europese hoek misplaatst. Na de Holocaust stond Europa zijn joden uit schuldbewustzijn toe een misdaad te bedrijven: tegen anderen. Waarmee nog maar eens duidelijk wordt dat wat uit schuldbewustzijn wordt gedaan zeker niet altijd moreel is. Europa was blij eindelijk af te zijn van zijn joden wier aanwezigheid het al eeuwen definieerde als een ‘probleem’ of een ‘kwestie’ die moest ‘opgelost’ worden, en bespaarde zich meteen de schande een pijnlijke confrontatie aan te gaan met haar vervolgden en uitgestotenen. Verteerd door schuld keek het terugkerende joden met de nek aan (of ging nog eens, zoals in Polen, tot nieuwe pogroms over), waarmee het verraadde dat met hun verdwijning een wensdroom was gerealiseerd. Zelden heeft Europa zo’n kans laten voorbijgaan om werkelijk christelijk te zijn. Het postnazistische Europa had in duizenden toonaarden zijn zonden aan zijn slachtoffer kunnen opbiechten. Het had over de afgrond kunnen springen die het knagende schuldgevoel scheidt van de schuldbekentenis. Het had, met de paus op de voorste rij, zich voor zijn joden in het stof kunnen wentelen van schaamte. Het had hen kunnen smeken terug te keren om hen te ontvangen als verbannen koningen. Maar het was te zeer in beslag genomen door zijn eigen slachtofferschap. Bij gebrek aan moed zijn schaamte en schuld te articuleren, heeft het zijn overgebleven joden laten gaan en hen medeplichtig gemaakt aan haar eigen kolonialisme: ‘Het ga jullie goed, ook al vrezen we dat het in Israël gauw gedaan zal zijn met jullie Israël-droom! Ginds, van ons bevrijd, worden jullie vast in de kortste keren onze gelijken, even banaal en brutaal.’

Zou het dus mogelijk zijn dat Europa er zich heimelijk ook wel in verkneukelt dat Israël zich misdraagt, als een beul die zich moreel opgelucht voelt wanneer hij merkt dat zijn slachtoffer ‘niet veel beter’ is dan hijzelf? Hoe ‘logisch’, hoe ‘begrijpelijk’, hoe ‘menselijk’ is dit soort schuldeconomie - en hoe onwaarschijnlijk verachtelijk.

Het leed van de beul

Documentaires over Israëlische jongeren die vol schaamte en verbijstering vertellen over hun ervaringen op de Westelijke Jordaanoever en over hun moeilijkheden nog aansluiting te vinden bij het normale leven, wekken uiteindelijk onze sympathie voor de Israëlische zaak. De boodschap is dat deze jonge mensen, hoe erg het ook is wat ze hebben moeten aanrichten, een goede inborst hebben. Hun eerlijkheid of poging tot eerlijkheid, hun vertwijfeling over de zin van hun missie, hun verslagenheid, hun schuldgevoel, overtuigen ons van hun diepe menselijkheid. Het gevoel bekruipt ons dat de Palestijnen dan wel politiek het gelijk aan hun kant kunnen hebben, maar in vergelijking met deze getraumatiseerde, verwarde en door schuld verteerde jongens en meisjes toch een stel domme fanatici zijn en dat we dus maar blij mogen zijn dat ze hun gelijk niet weten te verzilveren. Wat deze Israëlische jongeren hebben gedaan mag dan verwerpelijk zijn, door hun bereidheid ervan te getuigen voelen wij ons met hen verwant. En al met al kan met een overheid die toelaat dat ze publiekelijk hun stem kunnen laten horen, niet eens zoveel mis zijn. Dit lijkt een nieuwigheid in de geschiedenis van de onderdrukking. Bij collectieve misdaden als het kolonialisme en de Holocaust kwamen de analyse en de schuldbekentenissen achteraf. Nu maken we mee dat, terwijl de bezetting onverbiddelijk doorgaat, de bezetters reeds hun zonden opbiechten. En we leven mee met deze welopgevoede, door hun eigen misdaden getraumatiseerde beulen. Dit soort documentaires lijken zo puur en authentiek omdat ze zich verre houden van elke politieke analyse en enkel gekwetste, verwarde jongeren in beeld brengen. De bezette gebieden verschijnen voor westerse kijker als datgene wat ze voor deze jongeren zijn: een soort onwerkelijke, buitenaardse zone waar alle morele en juridische wetten van de normale wereld zijn opgeschort. Dit ontroerend menselijke theater van spijt en zelfbeschuldiging is verslavend. Ons gevoel van morele superioriteit wordt immers sinds lang grotendeels gedragen door deze cultus van de zelfculpabilisering. In elke geval is onze klacht over ‘hoe het mogelijk is dat Israël zijn kinderen zoiets laat doen’ moreel dubieus, want zij kan net zo goed impliceren dat wat de kinderen van Israël doen nu eenmaal noodzakelijk is en dat het alleen hemeltergend is dat ze er hun onschuld bij verliezen. Ook al is de schaal van het geweld onvergelijkbaar, formeel gaat de tegenstelling met de ‘schaamteloze’, ‘sadistische’ nazibeul niet op.

In Eichmann in Jeruzalem merkt Arendt op dat de meeste nazibeulen maar al te goed beseften dat ze hun slachtoffers iets gruwelijks aandeden, maar hun manier om hun schuldgevoel te neutraliseren bestond erin dat ze zichzelf als slachtoffer percipïeerden. De verbijstering over het leed dat ze hun slachtoffers aandeden werd overschaduwd door de verbijstering dat zij, ondanks hun diepgewortelde morele afkeer eigen aan hun beschaafde natuur, uit pure plicht zulke verschrikkelijke dingen moesten doen. Maar de nazi’s konden tegen een moreel stootje. Op een gegeven moment constateerde Himmler dat zijn SS-ers het systematisch uitmoorden van talloze mensen ‘zonder geestelijk letsel hadden doorstaan’. Dit is dan ook het hemelsbrede verschil. De Israëlische documentaires laten zien dat het vernederen, mishandelen of doden van ook maar één mens, ook al voert men daarmee alleen maar orders uit, nooit uitwendig aan de dader blijft en in de kern van zijn wezen een akelige leegte creëert.

Het ontroerende geloof van de anderen

Het journaal toont ons het bomvolle Sint-Pietersplein in Rome ter gelegenheid van de verkiezing van de huidige paus. Een Nederlandse jongen met rugzak wordt aan het woord gelaten. Hij zegt iets van: ‘Neen, ik geloof niet in God, maar ik houd van de atmosfeer van al deze honderdduizenden mensen die hier vol enthousiasme en overgave samen zijn omdat ze echt in iets hogers geloven.’

Het enthousiasme van deze jongen, dat een enthousiasme is over het enthousiasme van anderen, lijkt ideologisch leeg, verstoken van (geloofs)inhoud. Hij is een soort evenemententoerist. Maar zoals elk sociologisch cliché verbergt dit iets, namelijk dat deze jongen een toonbeeld van geloof is. Zoals elke moderne gelovige gelooft hij via de anderen. Hij meent dat het enkel de anderen zijn die zo naïef zijn ‘echt’ te geloven, en beseft niet hoezeer allen die daar op het plein zijn samengetroept zijn gelijke zijn: allen schrijven het echte geloof toe aan de massa die hen omringt. Allen staan ze zich enkel via anderen toe het mirakel van het geloof te ontvangen. Allen dompelen zich als ‘participerende observator’ onder in de ritus van de Ander en behouden daardoor een distantie tegenover het ongehoorde, onuitlegbare van hun geloof. Er bestaat enkel nog een paus door die talloze miljoenen die, zoals die brave jongen, diep de warme wind van het geloof inademen zonder het als het hunne te hoeven erkennen, zonder er ooit op aangesproken te hoeven worden.

Niemand is vrij van dit soort ‘interpassiviteit’, van zo’n geloof dat parasiteert op de passieve overgave van de ander en hiermee, zichzelf verloochenend, de zwaarte van de verantwoordelijkheid ontwijkt. En is het te hard om te beweren dat dit soort onverantwoordelijk formalisme tot in het meest subtiele denken van onze tijd is doorgedrongen? Want wat doet Derrida eigenlijk wanneer hij gepassioneerd zijn onvoorwaardelijke trouw uitspreekt aan ‘un certain esprit du marxisme’ en tegelijk bekent dat we van de hele theorie van het dialectisch materialisme welbeschouwd niets kunnen overhouden? Is dit lege, ‘woestijnachtige’, nogal hysterische messianisme, waarbij het altijd anderen zijn die het riscio moeten nemen ‘zich halsoverkop naar een ontologische inhoud te spoeden’ (Derrida), niet het onze?

De sublieme kern van religie

Goedmenende Moslims kunnen wel proberen aan te tonen dat de Islam een vredelievende godsdienst is, perfect compatibel met het moderne humanisme, maar beter zou het zijn indien ze echt zouden stilstaan bij wat hen juist aan hun godsdienst bindt. Tegenover ons, en ongetwijfeld ook tegenover zichzelf, zal de moslim uitleggen dat hij zich aan Allah onderwerpt omdat Hij de enige goede, rechtvaardige God is, maar heeft zijn onderwerping in werkelijkheid niet alles te maken met iets wreeds en grilligs dat hij aan zijn God toeschrijft? Is het enkel ondanks de onverbiddelijke en de met straffen dreigende toon waarmee de wetten van Allah worden overgebracht, en al het verschrikkelijke dat er over ongelovigen (heidenen, christenen en vooral joden) wordt beweerd, is het enkel ondanks deze voor de nuchtere lezer onaannemelijke zaken, dat de moslim de Koran heilig vindt, of nu net vanwege die zaken? Is nu net niet in wat ook voor hemzelf onaannemelijk (ondoorzichtig en ontoepasbaar) is, de ‘sublieme’ kern van zijn geloof gelegen? (Glijdt een geloof niet af naar fundamentalisme in de mate het, hoe onbewust ook, speculeert op wat voor niet-gelovigen onaannemelijk is?) Voor een God wiens wetten men redelijk en billijk vindt kan men achting hebben, maar enkel voor een God die het onmogelijke vraagt, zal men knielen in de hoop vergeven te worden voor zijn ontoereikendheid. De kern van het geloof moet voor de gelovige een onuitsprekelijk en uiteindelijk ondraaglijk geheim blijven. Vraag christenen nooit naar de betekenis van de kruisdood: de antwoorden zullen ofwel banaal zijn ofwel, letterlijk genomen, moreel bedenkelijk.

Geloven doet men slechts door zich te laten meenemen door woorden en gebaren die niemand ooit in zijn hoofd zou halen te verzinnen. Een religie is altijd minstens zo onbegrijpelijk voor de gelovigen zelf als voor de buitenstaanders. Dat mensen zich systematisch en gepassioneerd overgeven aan iets waarvan ze de betekenis of het belang niet weten te articuleren, daar storen we ons meestal niet aan. Het bespookt ons zelfs als de droom van het ware geluk. Een flink deel van de toeristische industrie buit deze droom uit. Altijd is er die fascinatie voor de passieve overgave van anderen: moslims die vijfmaal daags het leven stil leggen om diep voorover te knielen, joden die de Sabbath vieren, katholieken in warme, zuiderse landen die hun Madonna eren, maar ook: laaggeschoolden die urenlang voor de televisie zitten te staren naar wat er op dat moment toevallig wordt vertoond, of mannen, die we ons meestal als ‘buitenlands’ voorstellen, die op de stoep niets staan te doen, kijkend naar de voorbijgangers. Deze passiviteit kan plotseling irriteren, misschien omdat de ander zich schaamteloos een passiviteit veroorlooft waartegen ikzelf weerstand bied, hoewel eigenlijk niets me méér eigen is. Misschien omdat ik me jaloers aangestoken voel door een visioen van bevrijding: alsof de ander erin is geslaagd zich te onttrekken aan die obsessieve drang iets van het leven te maken, en aan de terreur van de grote verwachtingen. Al met al ben ik de slaaf, niet hij. De jood aan zijn klaagmuur ‘klaagt’ misschien, maar bezingt hij niet heimelijk de onafwendbaarheid van het lot? De knielende moslim is even van elke aardse taak ontheven, nog slechts een object dat aan de genade van de Barmhartige is overgeleverd. Voor de duizenden die een boven de massa dobberend Mariabeeld aanstaren is Liefde even geen werkwoord, zoals die vervelend juiste slogan wil, maar iets dat gratis over hen neerdaalt. Ook al is die Liefde misschien niets, het is een feestelijk niets. Al die dwazen lijken niet enkel verzoend met hun eigen onmacht, maar er zelfs door verheerlijkt.

De vrome vrouw als alibi

Zoals bij sommige ouder wordenden mensen bepaalde onaangename karaktertrekken scherper uitkomen, zo komen in een traditie in ontbinding perverse trekjes naarboven die zo bedenkelijk zijn dat ze gemakkelijk door vertegenwoordigers van die traditie als vreemd eraan kunnen worden afgedaan. Het is bekend dat in islamitische landen broers en neven het als hun plicht zien hun zusters en nichten in het oog te houden. Een jonge Tsjetsjeense vluchtelinge in België wordt er door haar neef in Tsjetsjenië toe uitgenodigd met hem te communiceren via een bepaalde website. Het is pas na een tijdje dat ze in de gaten krijgt dat het om een relatiewebsite gaat. Wanneer ze hem vraagt naar de zin daarvan vertelt hij haar onomwonden dat dit was om haar te controleren, en dus dat hij bij haar een verkeerde stap uitlokte om haar te kunnen betrappen. Zijn boodschap was dus: ‘Kijk hoe gemakkelijk je tegenwoordig contacten met het andere geslacht kunt leggen, maar je hebt geluk dat je dat niet gedaan hebt, want ik volgde al je bewegingen op de voet, dat is nu eenmaal mijn taak, want ik ben een man’.

Wezenlijk hier is dat de toon van de jongen niet treiterig of pestend is. Hij lijkt gewoon bekommerd dat de naam van het meisje niet onteerd wordt. Het is een omzeggens ‘objectief ’ cynisme, niet bewust van zichzelf. Hij laat zijn nicht duidelijk voelen dat de regels van de Islam enkel voor haar geslacht gelden. Deze stuitende anecdote openbaart hoe vanzelfsprekend het wordt geacht dat de vrouw de bedreigde traditie, die onder meer juist door dit soort machinaties wordt uitgehold, moet bewaren. De logica is: hoe meer men zelf op drift is, in dit geval omdat door oorlog, terreur en diaspora de vaderlijke autoriteit is vervaagd, hoe meer men erop staat dat de vrouwen kuis en vroom zijn. De systematische ontrouw van de mannen aan de traditie, is voor hen maar draaglijk in het bewustzijn dat de vrouwen met hun onberispelijk gedrag die traditie in ere houden. Die formele structuur vind je trouwens overal terug: Slavoj Žižek wijst erop dat jongeren zich maar kunnen overgeven aan excessief drugsgebruik en seksuele losbandigheid voor zover ze veronderstellen dat hun moeder zich nooit aan iets dergelijks zou bezondigen. De moeder functioneert als een structureel noodzakelijke uitzondering, een soort zuivere plek die voor hen wordt bewaard en garandeert dat het hele systeem van symbolische wetten niet instort. De idee dat ook hun moeder zou doen wat zij doen, zou de jongeren hun genot blokkeren (The Parallax View, p. 91). Dat jongens hun zusters verplichten de hoofddoek te dragen kan op dezelfde structuur wijzen: de broers, die dagelijks achter meisjes aanzitten en naar porno kijken, zadelen hun zusters op met de taak hun eigen ‘eer’ en dus die van de hele familie hoog te houden. Dat wil zeggen: de zusters moeten hun broers bewijzen dat zij absoluut niets gemeen hebben met de ‘hoerige meiden’ waar die broers zelf minstens tot hun huwelijk achteraan zitten. Het onberispelijke imago van de zusters maakt het voor hun broers dus mogelijk dat ze zich laven aan al wat verboden is, en garandeert hen tegelijkertijd dat ze zich niet in dat verbodene kunnen verliezen, dat het normale, gezonde leven van de gemeenschap ongeschonden blijft en dat dus een terugkeer ernaar op elk moment mogelijk is. (Misschien leert dit ons ook begrijpen waarom het katholicisme van de Italiaanse maffia niet zomaar hypocriet is maar oprecht gemeend — wat de zaak uiteraard niet minder pervers maakt.) De meisjes moeten er ongetwijfeld des te meer voor zorgen dat ze onbesproken blijven naarmate de vader aan autoriteit inboet. Volgens Žižek zouden mensen in staat moeten zijn hun genot direct te assumeren, dat wil zeggen niet ondersteund door een ander waarvan ze verwachten dat hij de ‘in deze verdorven wereld verloren zuiverheid’ belichaamt.

Tegen het einde van Don DeLillo’s White Noise (1984) strompelt de hoofdpersoon gewond en in de grootste verwarring een Duits nonnenklooster binnen. Zijn teleurstelling is groot bij het antwoord dat een non hem geeft op de vraag of de hemel bestaat: ‘Denkt u dat we achterlijk zijn?’ Als hij haar erop wijst dat zij toch nog het oude habijt en de sluier draagt en zich met heiligenbeelden en kaarsen omringt, dan legt ze hem uit dat het haar taak en die van haar zusters is het geloof te belichamen dat buiten het klooster niet meer bestaat. Indien een miniscule groep zonderlingen de schijn van het geloof niet zou ophouden, ‘zou de wereld in elkaar storten’, want dan zouden de miljoenen anderen niet op onbevangen manier ongelovig kunnen zijn. Zonder zijn geloof dat er ergens nog altijd dwazen zijn die geloven, voelt de atheïst de grond onder zijn voeten wegzakken. Daarom is een ongelovige non hem een gruwel. Onnodig te zeggen dat zijn atheïsme nog onvolwassen is. Maar ook de ‘ongelovige non’ is gelovig. Het is een zoveelste versie van wat Lacan ‘feindre de feindre’ noemt. De non beweert stoer dat ze enkel voor de ongelovige buitenwereld veinst te geloven, maar deze veinzerij is slechts geveinsd: ze verbergt ermee, eerst en vooral voor zichzelf, dat ze werkelijk gelooft, dat ze zélf de dwaze gelovige is die ze meent enkel te spelen. Ze wil niet weten hoezeer ze is wat ze veinst te zijn.

We zijn toch gewoon mensen onder elkaar?

‘Van een afstand gezien kan het lijken alsof mensen grondig doordrongen zijn van de religie die ze belijden en van allerlei overgeleverde gebruiken en overtuigingen. Leer je ze eenmaal van dichterbij kennen, dan blijkt dat het gewoon mensen zijn die zoals iedereen in rust en vrede willen arbeiden en met anderen samenleven.’

Misschien is dit de kerngedachte van de humanistische liberale ideologie, en in die zin de illusie der illusies: dat mensen, ongeacht de ideologie die hun leven lijkt te bepalen, toch steeds hun basale common sense bewaren voor het goede leven en voor wat menselijk is, en dus dat ideologie, een minderheid van dolgedraaide fanatici daargelaten, het natuurlijke gevoel van mensen voor wat billijk en redelijk is niet wezenlijk aantast. Deze ideologie zegt dus dat ideologie geen wezenlijk impact heeft op mensen, dat er ‘achter’ de ideologie een ‘mens zoals iedereen’ schuilt die een fundamentele intuïtie heeft voor wat menselijk is en daarop kan worden aangesproken. Eigenlijk is iedereen het hier spontaan mee eens. Mensen behouden altijd een soort interne, ‘ironische’ afstand tegenover de vooroordelen die ze over een bepaalde bevolkingsgroep hebben, omdat ze er inderdaad heimelijk vanuit gaan dat ze, in het geval dat ze een lid van die groep van dichtbij zouden leren kennen, vooral een mens zoals zijzelf zouden ontdekken. Deze illusie blijft meestal nog overeind bij een eerste kennismaking, maar verdwijnt wanneer je iemand beter leert kennen: pas dan ervaar je hoe een culturele traditie, waarvan je hoopte dat dat enkel een soort superstructuur was, het concrete individu tot in zijn diepste wezen in zijn greep geeft. Dan stuit je op ‘iets wat niet voor lering vatbaar is, een brok graniet van geestelijk fatum, van voorbeschikte beslissingen en antwoorden op voorbeschikte, uitgelezen vragen’ (Nietzsche), iets dat niet in aanmerking komt om te worden overwogen of zelfs maar gearticuleerd, op een gehechtheid die zo vanzelfsprekend is dat ze voor de persoon helemaal geen kwestie is.

Het is deze weigering tot reflectie of communicatie bij de ander die hem voor mij onherleidbaar, onrecupereerbaar anders maakt. Dat ik voor deze andersheid a priori respect zou moeten hebben, is een vreemd idee. Het woord ‘tolerantie’ is hier meer op zijn plaats, aangezien ‘tolerantie’, als een soort actieve onverschilligheid tegenover iets waar je, om je er niet te veel aan te hoeven ergeren, discreet van wegkijkt, uiteraard pas zinvol is met betrekking tot iets wat als intolerabel wordt ervaren.

Een schepje erbovenop

Op televisie een jonge Nederlander van Marokkaanse afkomst die net onlangs het salafisme heeft ontdekt: ‘Hier kijken ze op me neer, ik ben maar een Marokkaan, in Marokko ben ik een Nederlander. Door de Islam weet ik wat ik ben, dan krijg ik respect, dan letten ze op me, lachen me niet uit.’

Het sociaalpsychologisch cliché van de ‘zoektocht van de jonge allochtoon naar identiteit’ wordt hier door de new born moslim zelf bevestigd. Maar om welk soort ‘identiteit’ gaat het, als die zo onomwonden door de jongeman wordt geponeerd, als hij er zich niet voor schaamt voor de televisie grif toe te geven dat hij naar de Islam grijpt om bij ons respect af te dwingen? Het maakt ons meewarig maar intimideert ons ook. Hoe kan iemand die zich zo bewust is van de reden van zijn keuze voor het geloof toch zo van dit geloof overtuigd zijn? Deze gereflecteerdheid van zijn geloof maakt het zowel labieler als harder, harder want labieler. Het is in elk geval raadzaam om niet te erg in dit soort geloof te geloven, en wel omdat wij, al zijn we wezenloos toekijkende buitenstaanders, maar al te zeer in dit geloof geïmpliceerd zijn. De jongen zegt het zelf, wat niet wil zeggen dat hij het wil weten: dat hij salafist is voor ons, dat zijn geloof is gemaakt voor onze geïntimideerde blik. Zijn trots omtrent zijn keuze is een scenario dat hij voor ons opvoert. De jongen heeft, na jaren van onverschilligheid voor de Islam, besloten zich te onderwerpen om voor ons onbegrijpelijk en zelfs een beetje beangstigend te zijn. Nu wordt hij niet langer aangestaard als een probleem dat moet worden opgelost, maar als een onoverkomelijk struikelblok, buiten het bereik van de goedbedoelde, tolerante, zalvende benadering van de sociale werker die van jongeren begrijpt dat ze naar hun identiteit zoeken. Dit soort geloof, dat nauwelijks een band heeft met het symbolische weefsel van de traditie, is vervaarlijk naar het imaginaire opgeschoven. Het voelt zich krachtiger worden door al die anderen van wie het een verwonderde tot verontruste blik verwacht. Menig filosoof begrijpt fundamentalisme ten onrechte als het geloof de eigen daden en overtuigingen ondersteund te wanen door een vast, onbevraagbaar fundament. Formeel houden bijvoorbeeld de Amish People nog onmoderner en ‘fanatieker’ vast aan hun gebruiken en overtuigingen dan de meest fundamentalistische moslim. Het grote verschil is de onverstoorbare zelfgenoegzaamheid van de Amish People, die maakt dat zij zich niet bezig houden met wat de ‘ongelovigen’ over hen denken en zeggen. Gevaarlijk is niet zozeer dat mensengroepen zich superieur wanen tegenover anderen omdat ze menen dichter bij de Waarheid of het Goede te leven, maar dat een groep zo onzeker is over zichzelf dat zij zich onophoudelijk bedreigd voelt door de mogelijkheid door de anderen te worden vernederd of gekrenkt. De moslim weet niet dat, hoe gevoeliger hij over zijn geloof doet, hoe meer hij daarmee bewijst gevangen te zitten in het beeld dat hij denkt dat de ander van hem heeft, hoe minder hij dus met (de inhoud van) zijn geloof bezig is.

Ten onrechte interpreteert de westerling de gekwetstheid en woede van bepaalde moslims door de Deense cartoons als teken van een intens, diepgeworteld geloof waartoe hij zelf — ‘helaas!’ is soms de ondertoon — niet meer in staat is. Deze woede heeft iets agonaals. Het is een symptoom van een afnemend geloof dat bang is zijn wortels kwijt te zijn, van een geloof dat steeds meer het boze oog van de goddeloze ander nodig heeft om nog in zichzelf te geloven. Hoe onzekerder de eigen band met de religieuze traditie wordt, hoe meer men het nodig vindt de onaantastbaarheid ervan te laten gelden. Veelzeggend is de wijze waarop de woede die de Deense cartoons in de moslimwereld hebben teweeggebracht door enkele Deense imams zelf bewust is uitgelokt. Alvorens naar het Midden-Oosten te trekken om Islam-officials over de kwestie te informeren, voegden ze bij de cartoons enkele zelf gekozen en geconstrueerde foto’s die in goorheid de cartoons ver achter zich lieten. Deze foto’s tonen: een Mohammed die een geit neukt, een Mohammed met varkensneus, een biddende moslim die door een hond wordt verkracht. Voor een moslim kan het moeilijk grover. Op deze toevoegingen aangesproken verklaarde een van de imams dat die foto’s dienden ‘om hun (de moslims in de Arabische landen) een inzicht te geven in hoe hatelijk de atmosfeer in Denemarken is tegen moslims’.

Een kennis vertelde me ooit dat, toen zij een klein meisje was, haar broertjes opzettelijk een stukje van haar breiwerk hadden uitgehaald. Verbolgen omwille van het onrecht dat haar was aangedaan, haalde ze zelf nog een flink stuk uit en ging haar moeder laten zien hoe ze was gepest. De vrouw vertelde me dat ze zich daar nog steeds schuldig over voelt. De Deense imams van hun kant voelen zich helemaal niet schuldig. Ze voelen zich niet schuldig omdat ze, bang dat hun geloofsgenoten hun schouders zouden ophalen bij de Deense cartoons, foto’s hebben samengezocht die de Profeet op de meest extreme manier door het slijk halen. Ze voelen zich helemaal niet schuldig voor al de ellende die ze daarmee hebben veroorzaakt, voor de doden die onder hun opgehitste, ambassades bestormende moslimbroeders zijn gevallen, de afgebrande gebouwen, de christenen die werden geterroriseerd in moslimlanden, de haat die hiermee groeide tussen het Westen en de Islam. Ze vinden integendeel dat ze heel wijs gehandeld hebben. Die ‘didactische’ toevoegingen, waarover in de pers nauwelijks iets te doen is geweest, leggen iets bloot van een syndroom waar een flink deel van de Islam aan lijdt: een gekrenktheid die een soort cultus is geworden, alsof men steeds weer en steeds meer gekrenkt wil worden. Aan de ander, de ‘goddeloze westerling’, schrijft men obsessief de intentie toe om het heiligste te besmeuren. Dat kan zo ver gaan dat men die besmeuring zelf gaat ensceneren, alsof men zich van zijn obsessie wil verlossen door hem te realiseren. Dat hebben de Deense imams gedaan. Daarmee plaatsen ze zichzelf en alle moslims in de positie van de onteerde, vernederde — en dus de onschuldige. De logica is dus: ‘ik ben slechts zuiver als besmeurd door de slechte ander’. Wat impliceert dat ik die slechte ander, die onze Mohammed wil bekladden, nodig heb om iets niet te hoeven erkennen: dat mijn eigen relatie met Mohammed lastig, onzuiver is, getekend door ontrouw. Om een interne onzuiverheid te verdringen wordt een externe bezoedelende instantie gefantaseerd, zoals een kind doet dat, niet in staat van zijn speelgoed te genieten, deze impasse verdringt door het eerste het beste vriendje dat ermee speelt ervan te verdenken het speelgoed kapot te willen maken. Zoals bekend ontbreekt het de hedendaagse moslim niet aan reële feiten waarmee hij zijn besmeuringsfantasieën kan voeden.