Pol Hoste

Published: 28/01/2015

Tags: untimely prose

 

De taxichauffeur draagt een amulet. Er kan ons niets gebeuren. Awajoe? Good? Natuurlijk, zeg ik, in een taxi. Ik denk dat het in een taxi altijd goed is. Tenzij je naar een bos wordt gebracht en er een verkrachting volgt, zoals onlangs in Brussel. Is het niet? Het was geen film. Of was het toch een film? Het is nacht. Je hebt me gevraagd waar ik naartoe wil en je rijdt naar de bestemming die ik heb genoemd en die nu op de gps staat aangegeven. Jij rijdt en ik zit bij het raampje. Niet dat je weet waar je naartoe rijdt, hoe zou je dat kunnen weten, evenmin als ik weet waar ik naartoe rijd wanneer ik in een onbekend land een bestemming te horen heb gekregen in een taal die ik niet ken. Om het maar eens te hebben over dat waar jij het altijd over hebt, iedere keer als ik in je taxi stap: weten wie we zijn, weten waar we wonen, weten waar we werken, weten waar we staan, weten wat we waardevol vinden, noem het maar gauw ons geloof. Waar je naartoe rijdt? Je hoeft het niet te weten. Je hoeft de bestemming niet te kennen om er naartoe te rijden. Net zomin als je mij hoeft te kennen. Waarover hebben we het? Nergens over, tenzij je in elkaar geslagen wordt door wie je in je taxi meeneemt zoals onlangs in Brussel. Is het niet? Het was geen film. Was er een verschil? Dan hebben we ineens wel een onderwerp: politie, justitie, staatsveiligheid, zware wapens. Schamen we ons niet? Helemaal niet, want zo zijn we het overeengekomen. Laten we dus zwijgen over wie we zijn, waar we wonen en wat we denken. We kunnen ons beter overgeven aan het onbekende, want is het dat niet waar jij het altijd over hebt? Dat, wanneer je met de andere het onbekende deelt, je ook de oneindige tragiek van de andere deelt, waardoor je niets meer kan overkomen dat nog erger is, zo zal ik het maar noemen. Je draagt een amulet. Mij zul je daar geen vragen over horen stellen. Je zult er me ook geen antwoorden over horen geven. Nee, wat mij betreft kan ik maar beter geloven wat jij gelooft, denk je niet? Zeg me maar wat je altijd zegt wanneer ik in je taxi stap: dat je zou willen dat je geloof ook dat van mij zou zijn. Heb ik daar iets op tegen? Ik heb daar helemaal niets op tegen. Alleen liggen de zaken anders. Maar of er iets op tegen is? Wat mij betreft niet. Het zou zelfs binnen je onophoudelijke angst voor de wereld, voor je eigen bestaan en voor wie je bent, het idee kunnen veroorzaken dat ik een goed mens ben. Wat een goed mens ook moge zijn. Iemand met wie je zaken kunt doen, vermoed ik. Of zoals een Joodse pelshandelaar het noemde tijdens een intiem gesprek met mijn op dat ogenblik bijna overspelige moeder, aan wie hij een fles dure cognac gaf: le commerce, c’est le vol organisé. Ik weet niet waarom het je genoegen zou doen dat ik het je mogelijk zou maken in de illusie te leven dat ik geloof wat jij gelooft en dat ik dat op dezelfde manier geloof als jij omdat ik me tegenover jou heel erg onderworpen gedraag en je altijd deemoedig gelijk geef. Ik vraag me af welk genoegen daar aan te beleven valt. Want in mij ben je niet geïnteresseerd. Tenzij als een onderdeel van de angst die je voor jezelf hebt en waartegen een amulet je beschermt. Ik van mijn kant ben wel in jou geïnteresseerd. Maar of de manier waarop ik in jou geïnteresseerd ben je zou aanstaan, betwijfel ik. Zo denk ik bijvoorbeeld niet dat ik je zou kunnen zeggen dat ik van je houd omdat je op de wereld bent en omdat ik op de wereld ben. Ik vrees dat je dat geen geldige reden zou vinden omdat ik het geloof er buiten laat, net als mijn bevlogenheid die ik maar beter geen liefde kan noemen omdat ze niets te maken heeft met seksualiteit die nauw verbonden is met geloof en ritualen, met eten ’s nachts of overdag. Als het aan mij lag, at ik nooit overdag. Alleen ’s nachts zou ik eten. Maar het ligt niet aan mij, zoals de meeste dingen niet aan mij liggen. Ik lig zelf aan de dingen. Dus ben ik zelf verantwoordelijk voor de keuzen die ik maak. Mijn eigen keuzen. Wanneer je me op die manier hoort praten, zal je denken: die man is een ezel, een hond, een haan, geen mens. Het is maar beter, denk ik, dat ik je daar verder niets over vertel. Dat jij niet in mij geïnteresseerd bent is geen probleem. De zee loopt over het strand en keert terug. In zichzelf. Dat is zoals ik het zie. Maar het is natuurlijk niet zo. Wat is zoals ik het zie? Ik denk niet dat je die vraag zou willen aanvaarden. Jij wil alleen orde, jouw orde, een nieuwe orde. Die hebben we hier al eens gehad. En buiten die orde om, wil je wat geld kunnen verdienen, niet zo heel veel, maar toch een bedrag waar niemand ooit iets over verneemt, wat ons verbindt, wat de vrede bewaart, wat onze wederzijdse angst consolideert. Zie je, dat is zoals ik denk dat jij verbonden bent met de andere. Daar zijn niet al te veel grote woorden voor nodig. Je gooit het op een akkoordje, een handeltje, een leventje, een moordje. Ik heb het niet over de Slag bij Lepanto. Heb je die cijfers al eens bekeken? Maar ik begrijp je, ook al ken ik je niet. Zoiets kan natuurlijk niet, dat zal wel. Het is in ieder geval wat ik graag zou willen, ook al lig ik er niet wakker van. Je rijdt met een taxi. Het is nacht en ik zit bij het raampje. Op enkele lichtpunten na is alles zwart. Ook wanneer ik in mijn hoofd kijk. We rijden door een land dat net zo vreemd is voor jou als voor mij. Ook al is het op een verschillende manier vreemd voor jou. Ook al is het op een verschillende manier vreemd voor mij. Even vertrouwd als onvertrouwd. België, waar ik bij jou ben en jij je taxi helemaal naar warme caramel laat ruiken, een bedwelmende geur op dit kille uur. Het doet me genoegen dat je het in je auto naar je zin maakt. Ik herinner me een van de mooiste dromen uit mijn kindertijd: ik had een taxi en ik vervoerde dronken stadsbezoekers van het ene punt naar het andere. En weer terug. Ik was iets als de zee. Instappers, zo werden ze genoemd. Ze spraken mij aan met de naam van een straat, een plein of een café. Ze waren niet echt wat je gereserveerd, voorkomend of hoffelijk zou kunnen noemen, ze behandelden me alsof ik hen alleen maar ten dienste stond. Het was een goede droom, die naar leren zetels rook, en naar gewassen, herstelde kleren waar zorg aan was besteed. Meestal droomde ik over oorlog, moet je weten. Over de eerste, waar mijn grootouders over vertelden, over de tweede, waar mijn ouders over vertelden. Aan wie zal ik over de derde vertellen? Ik zit in een taxi en iemand uit de woestijn die net zo weinig afweet van de stad als ikzelf van de woestijn, voert mij van de plaats waar ik ben naar de plaats waar ik woon. Alsof ik een huis heb.