Pol Hoste

Published: 2/07/2012

Tags: untimely prose

Een zesde Untimely Meditation door schrijver Pol Hoste.

 

 

Dat doen we niet

 

Ik voer een gesprek met iemand die een rolwagen moet gebruiken als hij zich wil voortbewegen. We praten over de wereld, over wie we zijn en over wat ons beweegt om verder te zoeken naar onszelf, naar de ander, naar onze eigen wereld en naar die van de ander. Na een tijdje merk ik dat hij zit en dat ik rechtop sta.

   ‘Waarom word ik gedwongen om op je neer te kijken?’ vraag ik. ‘En waarom word jij gedwongen om naar me op te kijken?’

   ‘Dat doen we toch niet,’ zegt hij. ‘Jij niet. Ik niet.’

   ‘Nee,’ zeg ik. ‘Dat doen we niet. Jij niet. Ik niet.’

 

 

Geen probleem

 

We zijn op reis. Het wordt avond. We blijven naar de zonsondergang kijken. Wanneer de maan opkomt reserveren we een hotelkamer. We vernemen dat er nog slechts één kamer vrij is. Ze is ingericht voor rolstoelgebruikers.

   ‘Is dat een probleem?’   

   ‘Voor ons is dat helemaal geen probleem.’    

Een uur later betreden we een heel vreemde kamer.

   ‘Denk je dat wij hier zullen kunnen slapen?’

   ‘Ik weet het niet.’ We willen niet denken aan wie hier voor ons was. We hebben geen moeite met mensen met een handicap. We willen er alleen niet aan denken. We openen de deur van de badkamer.  

   ‘Ga jij hier douchen?’ Nee, hier gaan wij niet douchen. Wij gaan hier hoogstens onze handen wassen. Ik probeer het nachtlampje aan te maken. Even later wordt er op de deur geklopt door iemand van de receptie.

   ‘Had u om hulp gevraagd?’

   ‘Ik zal een verkeerd knopje hebben ingedrukt. Mijn verontschuldigingen.’

   ‘Geen probleem.’

 

 

Samen de trap op

 

Op een dag wordt er aangebeld door twee oude dames en een klein meisje. Ze vragen of ze het huis mogen zien. Ze hebben hier gewoond toen ze nog kinderen waren. In 1939 zijn ze met hun ouders naar Engeland gevlucht. Duitse officieren hebben het huis ingenomen.

   ‘Toen we hier na de oorlog terugkeerden vonden we ons speelgoed terug. Het lag in de kelder.’

   Ze lopen door het huis alsof ze hier altijd hebben gewoond en vertellen hoe iedere kamer was ingericht, hoe ze werd verwarmd, waar de meubels stonden, hoe ze hier hebben gewoond, geleefd, gestudeerd. We luisteren naar hun verhalen en kijken naar het huis waar wij wonen.   

   Wanneer ze de bovenverdiepingen gaan verkennen, laten ze het kleine meisje achter. Ze kan de trap niet op. Ze mag niet mee de trap op.

   ‘Elle a quelques problèmes, monsieur.’ Ze is zeven, maar ze spreekt nog altijd niet. Mentaal is ze twee jaar. Ze blijft bij mij en we gaan naar de tuin. Ze neemt me bij de arm en ze wil dat ik ga liggen, dat ik ga zitten, dat ik ga staan. Ze duwt me op de grond, ze doet me rechtop zitten, ze trekt me overeind. Ze neemt plaats op de tuinbank, kijkt me triomfantelijk aan en glimlacht. We kijken elkaar aan.

   ‘Kom,’ zeg ik na een tijdje. ‘Waar zijn de anderen? Zijn ze boven? Laten we bij hen gaan.’ We gaan de trap op, het kleine meisje en ik. We gaan samen de trap op. Trede per trede. In de richting van de stemmen. In de richting van eindeloze verhalen. Stap na stap. Langzaam. Trede per trede. Zo komen we er wel.