Matthijs Ponte

Published: 27/10/2011

Tags: history essay politics untimely philosophy

Ander, De – Alain Badiou schreef in ’91 een opmerkelijk klein boekje getiteld D’un désastre obscur. Vier jaar later liet hij het naar het Servo-Kroatisch vertalen, direct gericht aan lezers áchter de brokstukken van de zojuist geslechte Muur. Zijn boodschap: Let op, juist nu gaat het erom het woord ‘communisme’ te bewaren en uit te dragen. Badiou zou met zijn radicale gelijkheidsdenken nog een kleine twintig jaar moeten wachten voordat de boodschap internationale waardering kreeg. Pas in 2009 verscheen er een Engelse vertaling bij de Jan van Eyck Academie, hetzelfde jaar waarin er in London een grote conferentie werd georganiseerd rond de ‘communistische hypothese’ van Badiou, waar de crème de la crème van de hippe theory vocht om aan te treden. Het communisme is hot in de eerste twee decennia van de eenentwintigste eeuw.

Maar toen Badiou zijn boekje schreef zaten we nog midden in de democratische anti-essentialistische ‘revolutie’ van het vrije marktdenken, ronkend aangekondigd door Francis Fukuyama. De reacties op Fukuyama werden in de theory van de jaren 90 volledig gedomineerd door het deconstructiedenken van Jacques Derrida. Zijn adagium ‘Il n’y a pas de hors-texte’ kreeg een brede weerklank en zijn antwoord op de val van de Muur, dat in ’93 verscheen onder de titel Spectres de Marx, hoefde slechts een jaar te wachten op een Engelse vertaling. Ziedaar de verhoudingen.

Aan de geesteswetenschappelijke faculteiten vormde het denken van Derrida een enorme impuls voor zowel de postkoloniale studies als de feministische theorievorming en genderstudies. Het Westen leek er eindelijk aan toe om een voorzichtig begin te maken met de verwerking van zijn koloniale verleden, de halfslachtig doorgevoerde emancipatiepolitiek en vooral: van de Holocaust. Derrida leverde het perfecte gereedschap. In eindeloos intelligente en erudiete close readings van kernteksten uit de westerse literatuur wist hij steeds feilloos de inconsistenties en essentialistische subtekst aan te wijzen. Altijd is er sprake van interne fricties en conflicterende aannames. Altijd is er sprake van uitsluiting en intolerantie. Altijd is er een intolerantie jegens ‘de Ander’ aan te wijzen. De discoursanalyse was geboren.

In het werk van Derrida en dat van zijn navolgers krijgt de politiek-sociale categorie van de ‘Ander’ een haast mystieke status toegewezen, wat later zou leiden tot gemakzuchtige verwerpingen door neoconservatieve hardliners. Maar aan de academie van de jaren 90 sloeg die Ander nog de klok. Het Kantiaanse ‘subject’ was, eerst met Marx, Nietzsche en Freud, en later met Derrida, in een totale crisis terechtgekomen. De ambivalente notie ‘identiteit’ kwam in het denken centraal te staan en werd structureel gecompliceerd. Waarheid was een illusie. Homi K. Bhabha vertaalde die kant van het deconstructivisme naar de situatie van de voormalige koloniën, in even populaire als raadselachtige bewoordingen. In ’90 schreef Derek Walcott zijn Caraïbische versie van de Odyssee (getiteld Omeros) en ontving twee jaar later de Nobelprijs.

Zo snel als Derrida’s faam was gegroeid, zo snel verdampte die ook weer. Na precies een decennium bleek de houdbaarheid van zijn deconstructiedenken verstreken. Het einde van het tijdperk Derrida lijkt te zijn ingeluid met het boek dat hij samen met Jürgen Habermas maakte naar aanleiding van 9/11. De deconstructie en noties van ‘gastvrijheid’ en ‘vriendschap’ van Derrida waren niet opgewassen tegen de vernietigende kracht van de zelfmoordterrorist. De publieke opinie accepteerde het simpelweg niet meer. Te soft; te weinig concreet en slagvaardig.

De vroegtijdige dood van het deconstructivisme, dat al gauw van doorgeslagen relativisme werd beschuldigd, betekende de opkomst van twee bewegingen: het neoconservatisme en het hernieuwde begrip van het communisme. Beide werpen Derrida’s structurele ontmanteling van identiteit en essentialisme verre van zich. Beide beroepen zich op een hervonden ‘waarheid’. Beide, ook, beroepen zich op noties van emancipatie. De vraag die centraal is komen te staan is er één die toevertrouwd is aan Badiou, maar waar ook Derrida nog wel eens goed over had mogen uitweiden: ‘Wie mag er anno 2011 mee emanciperen en wie niet?’

 

Uit: Lexicon 90

[De auteur in zijn nineties:]

mp (1982) leefde beurtelings in Huis ter Heide, Almere, Paramaribo, Huis ter Heide, Zeist, Paramaribo, Zeist en Doorn, verloor onderweg het geloof van zijn ouders en voelde zich een dichter.