Piet Joostens, Stéphane Mallarmé

Published: 27/12/2011

Tags: translation yang untimely prose

Kerstessay van mediawatcher Stéphane Mallarmé, over pers en literatuur. Vertaald door Piet Joostens. Eerst gepubliceerd in yang 1999, nr. 3 ('O Alfabet, hoe gij mij redt'). De vertaling werd geheel herzien voor nY-web. Oorspronkelijke titel: ‘Le livre, instrument spirituel’, uit de prozabundel Divagations (1897)

EEN STELLING, uitgaand van mijzelf – al danig, op uiteenlopende manieren, geciteerd om mij te loven of te laken – ik eis haar op met alle stellingen die zich hier gaan verdringen – luidt, kort samengevat, dat alles ter wereld bestaat om uit te monden in een boek.

De kwaliteiten die zo’n werk vereist, ongetwijfeld ook het genie, schrikken mij af, ik, stakker als zo velen: daar niet bij stilstaan en, gesteld dat het volume geen ondertekenaar bevat, wat is het dan: hymne, harmonie en vreugde, puur geheel samengevoegd in een flitsende omstandigheid, en alles met alles in verband. De mens met goddelijke blik belast, naargelang het verband, helder, zoveel je wilt, zich slechts uitdrukt in de parallellen, vóór zijn ogen, van de bladen.

Op een tuinbank, waar zo’n verse uitgaaf ligt, verheug ik me wanneer de lucht, in het voorbijgaan, het buitenwerk van het boek op een kier zet, en het zomaar, met aanblikken, bezielt: veelvuldige – iets wat, sinds men begon te lezen, zo duidelijk springt het overzicht eruit, misschien nog niemand heeft gedacht. Een goede gelegenheid om het er op te wagen, nu de krant, bevrijd, overheerst; meer bepaald de mijne, die ik aan de kant heb gelegd, vliegt weg tot bij de rozen, hij haast zich om hun vurig en hoogmoedig smoezen te bedekken: ik laat hem daar maar liggen, op het bloemperk gespreid, de woorden bloemen ook in hun zwijgen, en ik stel voor, technisch althans, te noteren waarin deze flard verschilt van het o zo verheven boek. Een krant blijft het vertrekpunt; de literatuur kan er zich naar believen in uitstorten.

Welnu –

Ten aanzien van het grote bedrukte vel is de vouw een, welhaast vrome, aanwijzing; één die minder in het oog springt dan het samendrukken ervan, in de dikte, wat ruimte biedt aan de minuscule tombe, wellicht, van de ziel.

Alles wat de boekdrukkunst heeft ontdekt, wordt tot dusver elementair, onder de noemer Pers, samengevat in de krant: het geschikte want bedrukte vel toont ruwweg, zonder omhaal, het verloop van een tekst. Dit gebruik, onmiddellijk of voorafgaand aan de afgesloten productie, biedt de schrijver zeker een aantal voordelen, samenhangende drukproeven, grote vellen ter correctie, die de improvisatie weer mogelijk maken. Zo, strikt genomen, een ‘dagblad’ alvorens de blik – maar van wie? – beetje bij beetje een betekenis ontwaart, in de compositie, een charme zelfs, van volkse feeërie, zal ik maar zeggen. Volgt u toch – het voorpaginanieuws, vrije ruimte, superieur, maakt gaandeweg onverschillig, langs duizend obstakels, en versnelt en verdringt, ver weg, als door een elektrisch vuur, de oorspronkelijke dienstbaarheid van de situatie, na de artikelen die in zijn voetspoor opdoken, de aankondiging, op pagina vier, in een kakofonie van onverstaanbare kreten. Een spektakel, moreel, jazeker – maar wat ontbreekt er dan nog, met die topprestatie, aan de krant om het boek in het niet te doen verdwijnen: ofschoon een paginanummer onderaan, of liever, aan de basis, er nog zichtbaar naar verwijst, met het feuilleton, de algemeenheid van de kolommen dicterend: niets, of bijna niets – als het boek nog lang treuzelt zoals het er nu uitziet, een onverschillige uitlaatklep waar het andere zich in leeggooit… Nutteloos, ook qua formaat: en vergeefs draagt de buitengewone ingreep van het vouwen, als een ingetogen vlucht maar toch tot uitbreiding bereid, of draagt het ritme, de aanvankelijke oorzaak dat in een dichtgeslagen bladzij een geheim huist, de kostbare stilte erin blijft vertoeven, en suggestieve tekens erop volgen, voor de geest, ertoe bij dat alles literair teniet wordt gedaan.

Ja, zonder het vouwen van het papier en de keerzijden die daardoor ontstaan, zou de uitgestrooide schaduw van zwarte lettertekens nog geen aanleiding geven zich te verspreiden als brokstukken van mysterie, op het oppervlak, in de opening die door de vinger wordt opgetild.



Als krant ontleent het uitgespreide, volle vel aan de drukpers een onbehoorlijk resultaat, eenvoudig door bevlekking: het eclatante, vulgaire voordeel is zonder twijfel de vermenigvuldiging van het exemplaar, gelegen aan de oplage. Een wonder heeft op deze weldaad de overhand, in de verheven betekenis dat woorden oorspronkelijk niets méér zijn dan het met oneindigheid begiftigde gebruik van de twintig letters, waarmee een taal wordt geheiligd – hun wording, alles komt erin terecht om er meteen weer uit op te wellen, als beginsel – zodat de typografische compositie een ritueel benadert.

Het boek, algehele uitbreiding van de letter, moet hier dadelijk beweeglijkheid uit putten, en door overeenkomsten, ruimtelijk, een spel op gang brengen dat, wie weet, de fictie bevestigt.

Niets onberekenbaars is ermee gemoeid, waar een toeval de idee beet lijkt te hebben, is het apparaat hetzelfde: deze opmerkingen bijgevolg niet beoordelen – alsof ze betrekking hadden op industrie of materialiteit: het vervaardigen van een boek, als geheel dat openbloeit, begint bij een zin. Sedert onheuglijke tijden kent de dichter de plaats van het vers, in het sonnet dat wordt neergeschreven voor de geest of op zuivere ruimte. Ik op mijn beurt misken het boekwerk en een wonder dat door zijn structuur wordt bevolen, als ik mij zo’n motief niet bewust kan voorstellen met het oog op een bijzondere plaats, pagina en positie, zijn leesrichting bij daglicht of wat het oeuvre betreft. Daarbij nog de voortdurende, achtereenvolgende pendelbeweging van de blik, van de ene regel naar de volgende en weer van voren af aan: een dergelijke praktijk belichaamt niet het genot, want die heeft in één uur, voor eeuwig, met alles gebroken, door zijn hersenschim te vertalen. Anderszins of tenzij het metterdaad wordt uitgevoerd, zoals muziekstukken op een klavier, wanneer de bladen de maat slaan – waarom niet gewoon de ogen sluiten en dromen? Noch deze zelfgenoegzaamheid noch slaafse navolging: maar het initiatief, van om het even wie die door deze bliksem bezocht is, dat de gefragmenteerde notatie weer samenknoopt.

Al lezend verneemt de geest een stil en eenzaam concert, terwijl hij de betekenis terugkrijgt, minder sonoor: het zal niet ontbreken aan mentale hulpmiddelen die de symfonie verheerlijken, uitgedund, dat is alles – als gevolg van het denken. Poëzie, zo dicht bij de idee, is bij uitstek Muziek – en laat geen middelmaat toe.


Maar ik dan, in concreto, nopens brochures die moeten worden gelezen zoals het hoort, sta met een mes te zwaaien, zoals een kok die het gevogelte de keel wil doorsnijden.

De nog ongeschonden vouwen van het boek lenen zich tot een offer dat ooit de rode snee van oude boeken deed bloeden; het inschakelen van een wapen, een papiermes, om het boek voor eens en altijd in bezit te nemen. Hoe persoonlijk toch, het meer gevorderde bewustzijn, zonder die barbaarse schijnvertoning: wanneer dat bewustzijn zou kunnen delen in een boek dat je her of der hebt uitgepikt, wisselend van voorkomen, waar je naar gist als naar een raadsel – dat je bijna zélf hebt herschapen. De vouwen zullen een teken, onaangeroerd, in stand houden, dat uitnodigt om het vel te openen of te sluiten, volgens de wens van de meester. Zo blind en zo gering een procédé, die aanslag die wordt gepleegd, door de destructie van een frêle ongenaakbaarheid. Onze sympathie zou eerder uitgaan naar de krant, die zo’n behandeling niet hoeft te vrezen: toch wel een kwalijke invloed, omdat de krant aan het complexe organisme dat voor literatuur vereist is, aan het goddelijke boekje, zijn eentonigheid opdringt – telkens weer die onuitstaanbare kolom die men daar gemakshalve in uitzet, paginagroot, honderd maal en meer.



Maar toch…

Ik hoor, komt hier wel een eind aan, maar ik ga door, zie een opening, want het werk moet, alleen of bij voorkeur, een voorbeeld stellen, om de nieuwsgierigheid tot in de kleinste details te bevredigen. Waarom toch – zou een aanzienlijke uitbarsting van grootsheid, gedachte of emotie, een doorgedreven zin, vetgedrukt, één regel per pagina en telkens een trap hoger of lager, de lezer niet kunnen laten voortademen, zolang het boek duurt, en een beroep doen op zijn geestdrift: rondom, geringer, een aantal groepen, secundair al naar hun belang, verklarend of afgeleid – een strooipatroon vol versieringen.

Dat het gekunsteld is, door formulering uit de verte de kijkgrage menigte te willen verrassen; dat beaam ik, ware het niet dat verschillende mensen, wier vriendschap ik cultiveer, door een van elders afkomstig instinct dat hen ertoe heeft gebracht hun geschriften op een ongebruikelijke manier, decoratief, te ordenen, opmerken dat er in dezen zekere gelijkenissen bestaan tussen een zin en een versregel, nu dan, als je het zo afzonderlijk wil bezien, mij best, voor die goede naam van helderziendheid waar onze tijd zo om roept, waar alles zichtbaar moet zijn. Iemand die zijn intuïtie wereldkundig maakt, in theorie en misschien wel in het luchtledige, bij wijze van keerpunt: iemand die weet dat zulke suggesties, die in de buurt komen van de letterkunde, stevig in hun schoenen moeten staan wanneer ze zich blootgeven. En de aarzeling, om al wat nog niet is bruusk te reveleren, uit schroom, en tot ieders verbazing, weeft toch een sluier.


Schrijven we het aan dromen toe wanneer een witte vlinder, voor we lezen, in een perkje, onze aandacht trekt, een die tegelijk overal en nergens is, vervliegt; niet zonder dat er net iets scherps en argeloos, meer zag ik er niet in, tweemaal en nadrukkelijk voorbijkwam, voor mijn verbaasde ogen.

 

Vertaling Piet Joostens, 1999-2011