Frank Vande Veire

Published: 26/08/2013

Tags: essay politics yang archive philosophy

 

In 2008 was Frank Vande Veire vier nummers lang writer-in-residence bij yang. Dit is zijn eerste bijdrage, over islamofobie en de zelfkritiek van de Verlichting, uit yang 2008.1.



Angstapen

Een documentaire op tv over apen. Bij alle andere dieren in het woud lijkt de angst voor andere diersoorten te berusten op een ‘objectieve’ inschatting van hun sterkte. Ze zijn terecht bang. Als ze zich niet vlug uit de voeten maken worden ze gegrepen en opgepeuzeld. Apen, blijkbaar omdat ze intelligenter zijn, laten zich bang maken door belachelijk kleine zoogdieren of vogels die het helemaal niet op hen gemunt hebben. Als deze in de buurt zijn wagen ze het bijvoorbeeld niet, ook al zijn ze halfdood van de dorst, een plas water te naderen. Deze angst dient nergens toe, valt niet te verklaren vanuit een overlevingsinstinct. Ze kwellen zichzelf door te sidderen voor een illusoir gevaar. Hoe slimmer men is, hoe meer men aan anderen kwaadaardige intenties toeschrijft, en dus hoe banger. Hoe slimmer hoe dommer. Vallen reeds apen ten prooi aan de fatale Dialektik der Aufklärung? 

Racisme en islamofobie

Met bekneld hart aanhoren we geregeld berichten over het groeiende racisme en de islamofobie. Het lijkt alsof die toevoeging inhoudelijk niets toevoegt maar ons er enkel op wil attenderen dat islamofobie vandaag in Europa de meest voorkomende vorm van racisme is. Toch valt het moeilijk te ontkennen dat islamofobie niet zomaar een voorbeeld is van racisme, maar dat deze term een verschuiving aanbrengt in het begrip racisme zelf. Dit laatste wordt meer bepaald opgerekt. Deze oprekking heeft iets dreigends. Het is alsof men, ‘de lessen van de geschiedenis indachtig’, preventief te werk wil gaan. Er wordt korter op de racistische man of vrouw gespeeld, we worden immers aangesproken in een fase waarin we ons nog niet als racist kenbaar hebben gemaakt omdat we er ons zelf nog niet van bewust zijn. Niet onze opvattingen worden ons kwalijk genomen, maar een kwaal waaraan we lijden: een ‘fobie’.

Racistisch, en derhalve moreel en politiek verwerpelijk, is hier niet zomaar dat een bepaalde categorie van mensen expliciet als minderwaardig wordt afgeschilderd, maar een gevoel, met name een gevoel van angst. Ontoelaatbaar is het om bang te zijn voor de genoemde religie en dus voor de manier waarop we vermoeden dat die religie een bepaalde groep in haar greep heeft. Nu is het inderdaad nogal scholastisch om een gevoel voor een ‘spontaan’, cognitief of ideologisch neutraal iets te houden. Gevoelens zijn symbolisch geladen, ze zijn gemarkeerd door collectieve ‘beeldvorming’. Al wie een vage angst of verontrusting voelt opkomen wanneer ‘de Islam’ ter sprake komt, is dus reeds medeplichtig aan een bepaalde perceptie van de Islam die vooral door de media wordt gevoed, niet in de laatste plaats door al die reportages die willen aantonen dat moslims ‘mensen zoals iedereen’ zijn, want met een bevolkingsgroep waarvan steeds weer de normaliteit moet worden bewezen is er vast iets mis.

Emotie en (voor)oordeel, de angst voor de Islam en de overtuiging dat de Islam een gevaarlijke godsdienst is en zijn aanhangers dus potentieel gevaarlijk, kunnen dan ook niet zomaar van elkaar worden losgemaakt. Islamofobie is op zich reeds bedenkelijk, en dat degene die erdoor aangestoken is zijn fobie met allerlei feiten (‘samenlevingsproblemen’) kan rechtvaardigen, maakt haar niet minder bedenkelijk. Dit is nu juist eigen aan de neurose: wanneer bijvoorbeeld een door jaloersheidswaan gekwelde man ernstige redenen heeft om zijn echtgenote van ontrouw te verdenken, maakt dit zijn waan niet minder ziekelijk. De neuroticus, in tegenstelling met de waanzinnige, zuigt zich graag vast aan ‘objectieve feiten’ om het obsessionele van zijn gedachten en handelingen niet te hoeven zien. (In die zin onderscheidt de hedendaagse islamofobie zich misschien van het antisemitisme van de nazi’s dat een soort psychotische waan was: de dreiging die uitging van het ‘Internationale Jodendom’ was een hersenschim.) Tenzij er, zoals het darwinisme lijkt te suggereren, in het domein van het menselijke zoiets als een ‘rationele’ of ‘puur functionele’ angst zou bestaan, is islamofobie niet louter een ‘normale’, instinctieve reactie van wezens die zich in hun bestaan bedreigd voelen. Zoals elke fobie overdrijft islamofobie de dreiging die van het gevreesde uitgaat, alsof de islamofoob baat heeft bij wat hem bedreigt, al was het om ermee te verbergen dat er bij hemzelf iets niet in de haak is. Maar zo is er aan oneindig veel dat des mensen is iets verdachts dat de mogelijkheid van het ergste in zich draagt, hoe onschuldig het er vaak ook uitziet. Dat is nog geen reden om het te willen betrappen overal waar het de kop opsteekt, zodat het kan worden aangeklaagd en veroordeeld. De westerse angst voor de Islam is zo oud als de Islam. Pas toen het gevaar helemaal was geweken, is onze verhouding tot de Islam dat bekende mengsel geworden van minachting en exotische fascinatie. Van dit als romantiek verhulde racisme zijn we nu ondertussen tenminste af.

Misschien neemt onze hedendaagse fobische blik de Islam serieuzer dan we hem ooit genomen hebben. Getuigt het, wanneer je een religie voor een geduchte tegenstander of rivaal houdt, niet meer van respect dan wanneer je haar reduceert tot een exotisch curiosum of tot een van die vele religies die onder de zachte dwang van de secularisering, een zachte dood zullen sterven? Het probleem van het moraliserende discours over ‘islamofobie’ is dat het van islamofobie niets wil weten behalve dat het iets verwerpelijks is dat eigenlijk helemaal niet zou mogen bestaan. Maar fobieën dienen niet om meteen moreel geschandvlekt en verboden te worden, maar om serieus genomen te worden. Zo lijd ik bijvoorbeeld aan een Amerikafobie, en ook aan een Israëlfobie. Dat komt onder meer omdat ik de Amerikaanse internationale politiek desastreus vind, en vind dat de Amerikaanse burgers daar tot op vandaag nog altijd verregaand in mee gaan en zich bijvoorbeeld om de verkeerde redenen tegen de oorlog in Irak hebben gekeerd, of omdat ik de manier waarop Israël de Palestijnen noch gelijke burgerrechten noch een eigen staat gunt, misdadig vind. Zoals dat gaat met fobieën koester ik ze, ik zoek naar signalen die ze bevestigen, ik herteken, sculpteer en vergroot in mijn verbeelding voortdurend het object van mijn fobie. Tevens wantrouw ik deze fobieën, omdat ik misschien te veel de typische neiging heb van Europese intellectuelen om tegen de VS te zijn en omdat mijn verontwaardiging over de Amerikaanse arrogantie me blind maakt voor de lafheid en impotentie van Europa, of omdat er in mijn gehamer op Israëls misdaden misschien een onbewuste rest van antisemitisme verscholen zit, of een diepe wens om eindelijk ontlast te zijn van onze loodzware morele schuld tegenover de joden. Zo probeer ik ook, samen met miljoenen anderen, op een zo lucide mogelijke manier met mijn ‘islamofobie’ om te gaan, en het zelfreflexieve wantrouwen hoort daarbij. Maar ik denk er niet aan om een petitie te ondertekenen tegen racisme en islamofobie. Mijn islamofobie is bedenkelijk, maar ik laat me haar niet zomaar afnemen. Het is niet omdat ze schuldbeladen is, de mogelijkheid van verblinding en exces in zich draagt, dat ik toelaat dat ze systematisch wordt geculpabiliseerd. Dit is misschien de actualiteit van het aloude zondebegrip: het leidt tot niets goeds om zich van de zondigheid te willen reinigen. Beter is het om je zonden op je te nemen. ‘Islamofobie’, in zoverre er alleen wordt op gehamerd dat het dom en ontoelaatbaar is, functioneert als een van die termen waarmee een probleem aan de kant wordt geschoven opdat het maar niet zou moeten worden gesteld. Het is een fobische, uit angst geboren term, die ons verbiedt onze angst ter sprake te brengen en dus gebiedt voor die angst alleen maar angstig en doodbeschaamd te zijn. 

Een moedige oude vrouw met het hart op de tong

Oriana Fallaci’s De woede en de trots, waarvan miljoenen exemplaren werden verkocht, is één langgerekte scheldtirade tegen de moslims en natuurlijk ook tegen het linkse, ‘politiek correcte’ establishment dat in een tijd waarin onze beschaving wordt bedreigd, tolerantie blijft prediken. Het boek dankt zijn buitensporig succes aan zijn schijnbaar volstrekt on-ideologisch, want ‘puur emotioneel’ karakter. Kun je Fallaci verwijten dat ze nu eenmaal voelt wat ze voelt, dat ze woedend is op ‘de moslims’, en dat ze trots is op wat de Italiaanse, Europese en Amerikaanse cultuur nog aan integriteit hebben behouden? Fallaci, die al meer dan een halve eeuw de wereldpolitiek volgt, verwaardigt zich niet om nog maar de geringste aanzet te geven tot een politieke, historische of theologische analyse. Analyses en argumenten zijn bekritiseerbaar of weerlegbaar, lijkt ze te denken, maar emoties en hun uitingen niet, die zijn er gewoon, ze zijn even ‘authentiek’ als natuurrampen. Juist hierom moet de kritiek op Fallaci niet zijn dat ze te emotioneel is en meer haar verstand moet gebruiken, maar dat ze het overduidelijk ideologische karakter van haar betoog verhult door te doen alsof ze alleen haar gevoelens op een blad laat overstromen. Zelden heeft iemand op een zo ongenuanceerde manier het Verlichte en democratische Westen en de Achterlijke en gewelddadige Moslimwereld tegenover elkaar geplaatst en daarbij nog eens zo schaamteloos gevariëerd op het klassieke racistische motief van de bezoedeling van de zuivere eigenheid door kwaadaardige krachten. Maar omdat ze doet alsof ze wordt meegesleurd door een onstuitbare emotionele vloedgolf, weet ze hiermee zelfs talloze ‘progressieven’ en ‘virulente antiracisten’ respectvolle reacties te ontlokken in de trant van: ‘we zijn het natuurlijk radicaal oneens met de inhoud van wat ze zegt, maar de manier waarop ze het zegt is toch authentiek. Wat ze zegt is niet waar maar wel waarachtig, want ze heeft geen strategie, zoekt niet naar macht, heeft nergens belang bij, ze gaat er gewoon voor, ze is eerlijk, recht voor de raap, je weet wat je aan haar hebt.’ (Dezelfde teneur valt soms te beluisteren bij mensen die Céline zijn antisemitisme willen vergeven omdat het ‘visceraal’ zou zijn geweest en niet doctrinair.) Als ze hiermee, in de vorm van een Verneinung, al niet verraden toch te sympathiseren met Fallaci’s hate speech, trappen ze in elk geval in de retoriek waarmee ze de indruk wekt met haar emotie samen te vallen. In onze tijd waarin emotionaliteit onophoudelijk wordt gepromoot, lijkt Sartres theorie over emotie als strategische zelfbedwelming meer dan ooit actueel. Zich narcistisch verschansend in haar imago van oude en kwetsbare maar sterke vrouw die de moed heeft te zeggen wat ze voelt, genietend van haar heilige verontwaardiging die haar een aura geeft van Integriteit, neutraliseert ze bij zichzelf elke neiging tot zelfreflectie die voor het ultrarechtse bewustzijn sowieso niet méér kan zijn dan een synoniem voor moreel flagellantisme en zelfvernedering. Deze keuze niet te reflecteren geeft haar discours iets ondoordringbaars, massiefs, fascinerend ongenaakbaars - waarmee ze de gelijke is geworden van haar imaginaire vijand, de Moslim. Fallaci vormt binnen het vigerende racistische discours geen atypisch fenomeen, maar bevindt zich juist in het centrum ervan. Hoe irrationeler de ideologie, hoe meer ze zich als ideologie verbergt en het nodig heeft te worden geïncarneerd in een intimiderende stem, vol ‘authentieke’ toorn en morele verontwaardiging.

Chantage

Tot de Verlichting en het Europese beschavingsideaal behoort hun ongenadige zelfkritiek, van Rousseau tot en met Adorno en Horkheimer. Deze kritiek viseerde nooit alleen maar bepaalde ontsporingen, maar ook altijd, zonder daarom de Verlichting als zodanig te verketteren, de grondslagen van de Verlichting en daarmee een oorspronkelijke mogelijkheid tot ontsporen. Als er iets is waar we niet aan toe mogen geven, dan is het aan de volgende chantage, ook al erkennen we, door hier zo op te hameren, dat we er eigenlijk al aan hebben toegegeven: ‘in het licht van de obscurantische krachten waaraan de Europese beschaving vandaag blootstaat, is het wel helemaal onverantwoordelijk geworden om de Verlichting verdacht te maken’. Alsof de zelfkritiek van de Verlichting een soort luxe is die ze zich enkel in goede tijden mag permitteren, alsof we niet meer dan ooit moeten beseffen dat in de wijze waarop de Verlichting zich schrap zet tegen wat haar bedreigt, dat reeds in de retoriek waarmee van die dreiging wordt gewaagd, het gevaarlijke, (zelf)destructieve dat in haar sluimert manifest wordt. Dit is geen loze speculatie. Al één keer is Europa fascistisch geworden om zich tegen het kwaad (het communisme) te verzetten. Het is onverantwoord niet bang te zijn, maar niet minder onverantwoord onze angst niet grondig te wantrouwen.

'Gematigde moslims'

Het is goed om weten dat de voorkeur die altijd weer wordt uitgesproken voor ‘gematigde moslims’ van islamofobie getuigt. Het zou vreemd zijn als dit moslims niet mateloos zou irriteren. Altijd weer moeten ze aanhoren: ‘wees gerust moslim, maar alsjeblieft niet teveel!’ Er wordt gesuggereerd dat je de graad van moslimgelovigheid kunt uittekenen op een schaal die gaat van de grootste gematigdheid tot de grootste radicaliteit. De eerste neemt zijn geloof - ‘God zij dank!’ - niet te ernstig. Hij is nauwelijks praktizerend, hangt zijn geloof nog louter uit gewoonte aan, uit loyauteit aan zijn familie, omdat het al met al gezellig is. De tweede soort is een terrorist. Buiten deze schaal valt dus elke moslim die niet tot geweld geneigd is, maar zijn denken en doen grondig door zijn geloof laat doordringen, bijvoorbeeld door vroomheid en inzet voor de gemeenschap.

'Denken in termen van wij en zij'

Een debat met een moslim, voorzitter van een vereniging voor moslims, naar aanleiding van de heisa rond de Mohammedcartoons. Herhaaldelijk spreekt hij me vaderlijk toe dat we ons moeten bevrijden van vijandbeelden, moeten ophouden te denken in termen van ‘wij’ en ‘zij’, terwijl ik ondertussen door alles wat hij beweert de kloof tussen ons steeds meer een afgrond voel worden. Hij vindt dat godsdienstkritiek in principe toegelaten is, maar ‘zo maar een beetje lachen met de godsdienst, zoals Voltaire deed’, dat kan niet door de beugel. Hij geeft geestelijke ondersteuning aan zijn geloofsgenoten die nog altijd niet bekomen zijn van Rushdies Duivelsverzen, terwijl ik vind dat het zijn taak is hun uit te leggen dat deze roman een van de mooiste geschenken is die de Islam de laatste jaren heeft gekregen. Hij is behoorlijk geërgerd als ik me nogal schamper uitlaat over de Saoedische prinsen die religieuze tolerantie prediken, en ik ben geërgerd over die ergernis. Hij is verontwaardigd over de cartoons, maar ik van mijn kant ben verontwaardigd over woeste menigtes moslims die Deense ambassades in brand steken. Toch blijft hij pleiten voor ‘wederzijds respect’, ‘tolerantie’, en hamert hij erop dat we ‘allemaal mensen zijn’, waarop ik niet anders kan dan bekennen dat alles wat hij zegt voor mij bevestigt dat er wel degelijk een ‘wij’ en ‘zij’ is, en dat wij misschien enkel deelnemen aan deze discussie om ons ten diepste van die verschillen en geschillen bewust te worden en ze te articuleren. Toenaderingspogingen blijven ijdel en zelfs vals als niet eerst de tegenstellingen, die massief zijn, worden erkend. Het probleem is niet dat we het niet eens zijn. Het probleem is dat de kloof zo groot is dat er voorlopig blijkbaar geen gesprek denkbaar is waarin we, met een mengsel van schaamte en ergernis, aan elkaar kunnen opbiechten hoe grondig we het oneens zijn. Gezamenlijk tot een analyse komen van die kloof lijkt al helemaal toekomstmuziek.

Waarom zouden we geen vijanden zijn?

De kloof tussen autochtonen en allochtonen van Turkse en Marokkaanse origine is een onmiskenbare maatschappelijke realiteit: op het werk, in het onderwijs, in de sfeer van ontspanning en vrijetijd. Hij is voelbaar vanaf de eerste kleuterklas. Achter het ‘respect’ dat men elkaar betoont schuilt veel irritatie, wantrouwen of gewoon desinteresse. Het spreekt vanzelf dat elke vorm van discriminatie op de arbeidsmarkt, op de woonmarkt en in het onderwijs moet worden weggewerkt, en dat het zeker voor wat betreft de twee eerste domeinen nog al te zeer aan politieke wil ontbreekt. Maar zou het niet verfrissend zijn, en leerrijk, als we elkaar ondertussen in de sfeer van de ‘cultuur’, op het artistieke, levensbeschouwelijke, filosofische en theologische vlak, een tijdje flink in de haren zouden vliegen? Tegenwoordig wordt de sfeer van de cultuur steeds meer belast met de per definitie onmogelijke opdracht oplossingen voor te stellen voor de conflicten en onevenwichtigheden die heersen in de ‘harde’ realiteit. De goed opgeleide, weldenkende, progressieve middenklasse die het culturele veld beheerst, kwijt zich over het algemeen braafjes, zij het niet zonder gemor, van die opdracht. Zo is het binnen de kunstwereld niet moeilijk om ‘samenwerkingsverbanden over de culturen en religies heen’ te smeden, aangezien artiesten sowieso vrijgevochten kosmopolieten zijn. Het probleem met de culturele klasse is dat ze de neiging heeft zich aan haar goedmenendheid te bedrinken. Ze stelt zich open en tolerant op, toont zich bereid tot dialoog, maar beseft niet hoezeer dit een pose is die nogal angstig de aandacht afleidt van diepe breuklijnen en onenigheden. Zo functioneert de cultuur, om Marx te parafraseren, als het hart van een harteloze samenleving. De doorsnee kleinburger trekt misschien niet, zoals Goebbels zei te doen, zijn revolver als hij het woord ‘cultuur’ hoort, het woord roept bij hem wel het beeld op van een veilig afgeschermd, zwaar gesubsidieerd reservaat waar verwende, grote kinderen zich te buiten kunnen gaan aan ‘experimenten’ waarin eigenlijk niets werkelijk op het spel staat. Hij heeft een punt. Maar wat hij vergeet is dat dit reservaat juist vanwege zijn vrijblijvende karakter oneindig veel mogelijk maakt, bijvoorbeeld dat mensen er kunnen tonen hoe grondig ze het met elkaar oneens zijn. Cultuur is het domein waarin je iemands vijand kunt zijn en hem toch met open vizier kunt tegemoet treden, waarin het punt van onverzoenbaarheid en non-communicatie dat mensen niet enkel van elkaar scheidt maar ook tot elkaar veroordeelt, in duizenden toonaarden kan worden gearticuleerd. Maar helaas wordt deze mogelijkheid veel te weinig benut. Altijd maar worden er angstvallig bruggen gelegd, handen gereikt, verklaringen van goede intenties afgelegd, samenwerkingsverbanden bedacht; te zelden heeft iemand genoeg trots, en vooral respect voor de ander, om te laten zien of horen wat hem bij die ander ergert, vaak onder het mom dat hij verkeerd begrepen of misbruikt zal worden, terwijl cultuur nu juist het domein is waarin uitingen alle tijd hebben om door een zee van onbegrip te gaan en de gedachte aan een juist begrip of gebruik op zijn best functioneert als een onvervulbare utopie.

Een ongelijke strijd

Het spreekt vanzelf dat een debat over de Islam tussen moslims en mensen - christenen incluis - die opgegroeid zijn in een gesekulariseerde cultuur, met ongelijke wapens gevoerd wordt, eenvoudigweg omdat de ruimte van dat debat een westerse ruimte is waarin elkeen zijn standpunt louter en alleen op basis van rationele argumentatie moet verdedigen, met op de achtergrond de leidende idee van democratie met haar burgerlijke vrijheden en mensenrechten. De moslim die in het openbaar de waarheid en waarde van zijn geloof verdedigt, doet dat onvermijdelijk in westerse termen. Hij wordt er vanzelf toe gedwongen aannemelijk te maken dat de Islam verzoenbaar is met democratie, met burgerrechten zoals recht op vrije meningsuiting en tolerantie tegenover andere godsdiensten en levensbeschouwingen. Met zijn loutere bereidheid om met anders- of niet-gelovigen een gesprek aan te gaan erkent de moslim formeel dat de Islam niet de enige zetel of oorsprong is van de waarheid; hij neemt immers deel aan een gesprek waarin de Islam wordt getoetst aan meer universele principes en dus op zijn best te voorschijn kan komen als één van de vele particuliere invullingen van die principes. Anders gezegd: de vraag of de Islam verenigbaar is met democratie en mensenrechten als ter zake beschouwen impliceert een vernedering, want daarmee weerspreekt de moslim, ook al zal hij dat uiteraard niet erkennen, de facto de soevereiniteit van Allah als oorsprong van alles wat waarde bezit. Vanuit religieus perspectief kan een geloof alleen aan zichzelf getoetst worden. Maar aangezien er binnen het westerse taalregime geen plaats is voor deze soevereiniteit, tenzij binnen de besloten wereld van viering en gebed, verdedigt de imam bijvoorbeeld op de televisie de Islam vanuit humanistische, (pseudo)wetenschappelijke of utilitaire principes. Lamsvlees heet gewoon gezonder te zijn dan varkensvlees; de besnijdenis is een hygiënische maatregel; vrouwen zijn ‘van nature’, door hun biologische constitutie, voorbestemd om bepaalde taken te verrichten en zich op een bepaalde manier te gedragen, enzovoort. Probleem is natuurlijk dat iemand die deze en andere levensregels in acht zou nemen daarmee nog geen moslim is. Moslim wordt iemand pas als hij deze regels in acht neemt omdat Allah dat van hem eist, omdat hij met andere woorden een ‘moslim’ is. Dit zelfreferentiële formalisme is een wezenlijk kenmerk van godsdienst. Legt de imam aan de buitenstaander uit dat de verordeningen van zijn God aansluiten bij wat mensen van nature als goed of gezond ervaren, dan is hij de transcendentie aan het uithollen. Naturaliserende en rationaliserende argumenten maken het geloof aannemelijk en dus overbodig. Voor een strak monotheïsme als de Islam is iets goed omdat God dat vindt, en dat kan volkomen haaks staan op wat mensen redelijkerwijs als goed ervaren. Goedmenende, naar het humanisme neigende religieuzen kunnen deze discontinuïteit tussen het goddelijke en het menselijke trachten weg te rationaliseren, maar zonder die discontinuïteit houdt religie op te bestaan en wordt God een goede, verstandige vader, bekommerd om the Greatest Happyness of the Greatest Number. Het is niet moeilijk zich in te denken dat de aanblik van al die imams die, altijd ietwat in het nauw gedreven en meewarig aangestaard door hun geseculariseerde gesprekspartners, met common sense argumenten de Islam trachten te verdedigen, velen van hun geloofsgenoten mateloos ergert, en dat deze laatsten, om de trots van de Islam te redden, zich liever ingraven in een bars, minachtend zwijgen. Zo’n principiële weigering tot communicatie kan zich ook uiten in het debiteren van frasen en het voltrekken van daden waartegen het gemondialiseerde humanistische discours geen argument heeft omdat dit soort spreken en handelen expliciet elk argumenterend discours afwijst. Uiteraard gaat zo’n strategie ten koste van een grondige mutatie van de Islam. Deze moslims beroepen zich op de traditie, maar de facto gaat het om een drieste identificatie met het beeld van de ‘niet voor rede vatbare’, ‘gezwollen frasen opdreunende’ moslim dat de westerling van hen heeft. Hun verlangen bestaat erin met een demonische karikatuur van de Islam de westerling te doen beven die ze, weggerukt uit de schoot van de traditie, trouwens zelf al lang zijn. De meest eminente belichaming van deze positie is natuurlijk de zelfmoordterrorist: tegenover de westerling die geen enkel ander ideaal heeft dan zijn leven zo lang en comfortabel en tevreden mogelijk te leven, stellen ze de cultus van de gewelddadige dood, tegenover de laffe lauwheid van de ‘laatste mens’ (Nietzsche) de passie van de martelaar.

Dat iedereen zich over zijn verloren schapen ontferme

Het argument dat de nazi’s antikatholiek en antichristelijk waren en dat daarom het christendom niet schuldig is aan de Holocaust, is uiteraard moreel vals. Het loutere bestaan van joden was voor de christenen al sinds de tweede eeuw iets onverdraaglijks. Hitlers poging om aan dit ergerlijke bestaan een einde aan te stellen, is dan ook geboren uit een christelijke obsessie. Van verregaande kwade trouw getuigt zeker de uitspraak dat de Holocaust onmogelijk iets christelijks kan zijn omdat het christendom naastenliefde predikt. De boodschap van liefde was vanaf haar paulinische oorsprong vergiftigd door de ergernis en haat tegen degenen die niet meteen in die goede boodschap geloofden en gewoon aan de oude Wet vasthielden. Het nazisme is dus een soort ketterij van het christendom, maar dat het zichzelf geen christelijke naam gaf was voor de leiders van de christenheid een alibi om het niet te veroordelen. Vergelijkbaar hiermee kunnen de woordvoerders van de Islam niet blijven beweren dat terrorisme en islamisme niets met de ‘ware’ Islam te maken hebben. De gewelddadige fanatici zijn hun verloren schapen. Het is hun ketterij, hun symptoom, dat wil zeggen hun rampzalige manier om een probleem op te lossen nog voor ze het hebben willen zien en om het niet te hoeven zien. Ze moeten er zich dus over ontfermen als over iets dat uit hen voortkomt en het niet zomaar afstoten als iets wat hun vreemd is. Het argument dat de uitgangspunten van de Islam zuiver zijn en dat enkel toevallige culturele invullingen ervan oorzaak zijn van morele en politieke degeneratie, getuigt van morele en intellectuele oneerlijkheid. De tegenstelling tussen de zuivere oorsprong en de afwijkingen ervan is onhoudbaar. Net zoals bij de meest idyllische liefdesverhoudingen openbaren latere crisissen iets dat van bij het begin niet goed zat. Uniek aan de joodse grondtekst, de Thora, is dat daarin de geschiedenis van het joodse volk wordt beschreven als een geschiedenis van crisissen, van zich almaar herhalende regressies naar ongeloof en afgodendom. Het is de geschiedenis van een volk dat zich vanaf het begin ongeschikt toonde voor het Verbond waartoe het was uitverkoren. Misschien ligt daar de grond van de sublieme joodse ironie. Het is jammer dat de Islam van de joden enkel de Wet heeft overgenomen, niet hun
bewustzijn van de structureel onmogelijke verhouding van de mens tot de Wet. Volgens de Koran hebben de joden zich wegens systematische ongehoorzaamheid onwaardige ontvangers van hun eigen Verbond betoond. ‘Met de joden is God in verkeerde handen’, ‘er is iets helemaal mis met hen’ - alsof de joden dat niet weten! De Islam bouwt niet verder op deze joodse zelfkennis, maar schuift de joden de morele onzuiverheid in de schoenen die ze zelf zo breedvoerig en prachtig hebben opgebiecht, en meent dan zelf met de Oemma een garantie te hebben tegen die onzuiverheid. Individuen kunnen over de schreef gaan, maar de Oemma blijft eeuwig ongeschonden.

Een slechte gedachte?

Wanneer de Europeaan zich ergert over het antisemitisme dat welig tiert in de Islamwereld, dan is dat vanuit een moreel comfort hem door de Holocaust geschonken. De nazi’s hebben, in naam van Europa, tweeduizend jaar christelijk antisemitisme tot een zodanig paroxysme gevoerd dat het sindsdien onmogelijk is geworden in het openbaar voor zijn antisemitisme uit te komen zonder meteen te worden neergesabeld. De kolossale misdaad waarvan wij de culturele erfgenamen zijn, heeft ons van onze jodenhaat genezen. Daarom koesteren wij die misdaad, zozeer dat we voor de ontkenning ervan een apart woord hebben bedacht: negationisme. Het lijkt wel de Ontkenning als zodanig, het paradigma zelf van de ontkenning. Mensen die er zich aan bezondigen worden opgesloten. Er is hier iets vreemds aan de hand. Terwijl wij de nazi’s nodig hebben gehad om ons van ons antisemitisme te verlossen, verbazen we ons over het feit dat antisemitisme in de Islamitische wereld eerder regel dan uitzondering is. Wij hebben gemakkelijk praten. De moslims missen die reinigende Misdaad. Daardoor heeft hun antisemitisme, dat overigens in hun grondtekst is ingeschreven, voor ons iets schandalig onbevangens. De gedachte dat ook zij een kolossale misdaad nodig zullen hebben om van hun antisemitisme te genezen, is verschrikkelijk. Is hij ook slecht? Is het slecht de mogelijkheid van het ergste te denken? Freud, een jood uit Wenen, kwam tot de vaststelling dat menig moordenaar juist moordt om zich te verlossen van een schuldgevoel dat hem onbewust kwelt. Zijn schuldgevoel zit bij hem zo diep verscholen, het is hem zo vreemd, dat hij een misdaad nodig heeft, een daad waarmee hij effectief schuldig wordt, om zijn schuld te bekennen.

Zo slecht kan de mens niet zijn

De vier verschillende graden van kwaad die Kant onderscheidt in Die Religion innerhalb der Grenzen der Blossen Vernunft zou je op de volgende wijze kunnen illustreren. Het is denkbaar dat de VS oprecht de intentie hadden om democratie in Irak te brengen, maar, doordat ze toch vooral hun eigen belang voor ogen hadden, geen serieuze maatregelen troffen om te verhinderen dat het land in de chaos wegzonk. In dit geval zijn ze moreel ‘gebrekkig’ te noemen. Dit is wellicht de visie van menig Amerikaan. Maar ook iemands motieven kunnen verkeerd zijn, ook al schijnen ze hemzelf zuiver toe. Ons voorbeeld volgend: als de VS de wereld maar ook zichzelf wijs maken dat ze de democratie aan het uitdragen zijn, maar er eigenlijk enkel op uit zijn om hun economische en geopolitieke belangen in de regio veilig te stellen, dan is dat moreel ‘onzuiver’. Maar het kan nog erger. We kunnen de VS ervan verdenken dat ze zonder meer machtsmotieven tot principes verheffen terwijl ze het voorstellen alsof ze enkel de wereld van een dictatuur willen verlossen. In dat geval zouden ze volgens Kant zijn doorgeschoten naar het ‘boosaardige’. Erger kan het niet volgens Kant. Het boosaardige wijst voor hem op het bestaan van een ‘radicaal kwaad’ in de mens. Niettemin nodigt hij ons uit om een nog meer kwaadaardige vorm van kwaad te denken: het ‘duivelse’. Duivels is iemand wanneer hij zich niet zomaar cynisch achter de morele wet verschuilt om gewoon zijn zin te doen, maar wanneer hij er een principe van maakt de wet met de voeten te treden, ook al gaat dit in tegen zijn eigenbelang. In dit geval zouden de VS zoiets zeggen als: ‘Wij houden ervan onze macht aan anderen op te leggen omdat we onszelf geweldig vinden en liggen er niet wakker van als we daarmee internationale verdragen en mensenrechten met de voeten treden, tienduizenden de dood in jagen en een hele regio destabiliseren, en dus iets doen dat nagenoeg niemand ten goede komt, uiteindelijk ook onszelf niet. Dit laatste bewijst des te meer hoe ongenaakbaar soeverein wij zijn, want tegen iemand die zelfs niet bekommerd is om zijn eigen belang is niemand opgewassen. Op die manier zijn we toch aan onze duivelse vijand, het islamisme, gewaagd.’ - De ongrijpbaarheid van het kwaad is gelegen in iets dat elke dierlijke, ‘blinde’ razernij, die slechts het bedrieglijke masker van het kwaad is, te buiten gaat. Kwaardaardig is juist de koude wil om ongrijpbaar te zijn. Eigenlijk speelt de ‘duivelse’ mens het negatief van de radicaal transcendente God. Ongrijpbaar is het kwaad ook doordat degene die naar het wezen ervan peilt meteen een medeplichtigheid voelt, een vermoeden dat hij paranoïde wordt, dat het misschien ligt aan iets kwaadaardigs in hemzelf dat hij zo verregaand slecht over het kwaad denkt, iets waarvoor de verstandige Kant dan ook terugschrok. Zoals gezegd haalde Kant het duivelse enkel aan om te zeggen dat het om een antropologische onmogelijkheid gaat. Het duivelse zo raak en droog definiëren enkel om te zeggen dat het niet kan bestaan is natuurlijk een prachtig voorbeeld van een Freudiaanse Verneinung. Kant zadelde ons op met een afgrond waar hij zelf rustig overheen liep.

May God Continue

‘And may God continue to bless America.’ Misschien een miljard mensen zien en horen dit aan. Het gaat hier duidelijk om meer dan een geijkte, traditionele formule die een toespraak met een sacrale toets afsluit. Bush meent het. Hij blaast de versleten formule nieuw leven in door er iets aan toe te voegen. Hij smeekt niet zomaar nederig Gods zegen af. Hij weet dat de Allerhoogste al een tijdje bezig is met zijn land te zegenen en vraagt hem ermee door te gaan. ‘Kom, God, we weten dat je al een tijdje bezig bent, geef ons nog een klein duwtje en we zijn er.’ Als je zoiets bekijkt, dan trekt iets zich in je samen en dan weet je: deze man is mijn vijand, en met een maatschappij waarin iemand zo kan spreken zonder, eerst en vooral door christenen, massaal weggehoond te worden, lijkt iets onherstelbaars te zijn gebeurd. En dan begrijp je weer wat voor een apart en bewonderenswaardig ras diplomaten zijn: dat ze onvermoeibaar met deze door God gezonden fils-à-papa proberen een gesprek aan te knopen.

Gevoeligheden (voorstel tot cartoon)

Men stelle zich de volgende cartoon voor: Abraham zit totaal verslagen naar de grond te staren. Enkele meters verder ligt zijn zoon Isaak in een bloedplas, met doorgesneden keel. Een lieflijke engel komt net aangevlogen. Hij kijkt verschrikt: ‘Mijn God! Het is te laat!’ — Is er een beter cartoon denkbaar om de aanhangers van de drie monotheïstische godsdiensten op hun ‘religieuze gevoeligheden’ te testen? Abraham is hun gemeenschappelijke aartsvader. Hij staat aan de oorsprong van de cultus van de enig ware en rechtvaardige God. De geschetste situatie is niet absurd. God eiste van Abraham wel degelijk de onvoorwaardelijke bereidheid om zijn zoon de keel door te snijden. Hij eiste van hem dus een gehoorzaamheid voorbij alles wat wij als menselijk ervaren. Joden, christenen en moslims vinden Abraham een geweldig voorbeeld omdat hij bereid was tot wat deze inderdaad ‘smakeloze’, ‘misplaatste’, ‘nodeloos provocerende’ cartoon toont. Vreemd dat ons tot op vandaag wordt gevraagd rekening te houden met hun ‘religieuze gevoeligheden’. Verdwijnen alle woorden en beelden waarmee wij die gevoeligheden zouden kunnen kwetsen niet in het niets tegenover deze oerscène, waarin hun eigen God met een experiment van ongehoorde psychologische wreedheid bij zijn geliefkoosde volgeling testte of deze wel in staat was al zijn gevoeligheden aan de kant te zetten en een monsterlijke levende dode te worden? — Maar misschien werkt het altijd zo. Misschien zijn mensen des te ‘gevoeliger’, dat wil zeggen: maken ze van die gevoeligheid des te meer een punt naarmate ze voelen dat er met die gevoeligheid iets helemaal niet in de haak is en dat anderen dit in de gaten hebben. Ze schamen zich en, zich schamend om die schaamte, beginnen ze van anderen ‘respect’ te eisen, dat wil zeggen: ze verdragen niet dat die anderen zich met hun zaken bemoeien.

De moslim als Über Ich

In Londen besluit de Whitechapel Art Gallery een aantal werken van de surrealist Hans Bellmer niet tentoon te stellen omdat er in de buurt veel moslims wonen. In Duitsland wordt een uitvoering van Mozarts Idomeneo geannuleerd omdat daarin onder meer het afgehakte hoofd van Mohammed te zien is. Onze spontane reactie op dergelijke expliciete gevallen van zelfcensuur, die ons trouwens slechts het topje lijken van een ijsberg van niet toegegeven en onbewuste zelfcensuur, is dat het ontoelaatbaar is ook maar enigszins te buigen onder de druk van ‘de moslims’. Hoe gerechtvaardigd die reactie ook lijkt, we laten ons ermee in bezit nemen door het spookbeeld dat juist door die zelfcensuur wordt gecreëerd. Wanneer we onszelf censureren uit zogenaamd respect voor de veronderstelde gevoeligheden van ‘de moslim’, dan getuigt dit nu juist van gebrek aan respect, nog afgezien van het feit dat we hem hiermee zeker geen respect afdwingen. We verwijderen schilderijen of annuleren een operavoorstelling uit angst. We willen de reactie van ‘de moslim’ niet afwachten, en daarom sluiten we de kans uit dat hij zal reageren. We neutraliseren hem - waardoor hij natuurlijk juist nog meer een dreigende gestalte aanneemt. Hij groeit nog meer uit tot een imaginaire entiteit, die onbekende, onberekenbare moslim die zich door een onbenulligheid gekwetst kan voelen of in woede kan ontsteken en tot geweld kan overgaan. Hoe meer we hem op veilige afstand willen houden door al bij voorbaat aan zijn wensen te voldoen, hoe meer hij beklemmend nabij komt, in ons hoofd kruipt en daar rondspookt als een hatelijk, intolerant Über Ich, een geest met verschrikkelijk lange tenen. Dit kan bijvoorbeeld de ervaring zijn van de niets vermoedende bezoeker van de Parijse Courbet-retrospectieve die, de zaal betredend waarin onder meer L’origine du monde te zien is, erop wordt geattendeerd dat ‘bepaalde kunstwerken de gevoeligheid kunnen kwetsen’: hij ergert zich blauw wanneer hij nog maar even stilstaat bij de aard van die gevoeligheid.