Geert Buelens

Published: 24/04/2014

Tags: poetry essay

 

Essay uit nY #20, 2014, dossier "Stem"

 

Twintig jaar geleden studeerde ik af op Leonard Nolens. Ik ging op zoek naar wat zijn gedichten zo ‘eigen’ maakt, waarbij ik niet zo postmodern was om ‘eigen’ automatisch te voorzien van aanhalingstekens. Ook al gaf de dichter in zijn gedichten, dagboeken en interviews expliciet aan in welke traditie hij zichzelf ziet, toch klinkt in zijn werk onmiskenbaar een eigen stem. Ritme, motieven, syntactische eigenaardigheden, tics misschien zelfs (‘mijn x van ons’, ‘jouw x van mij’ — zijn poëtica betreffende de mogelijkheid je zelf uit te drukken in een notendop) ... opgeteld voldoende elementen om van zijn gedichten pastiches te maken — wellicht niet eens het slechtste criterium om te bepalen of een dichter een eigen stem heeft.

Tijdens het schrijven van de scriptie zocht ik behoedzaam contact met de dichter. Of ik zelf ook schreef. (En dus misschien uit de praktijk wist waar ‘het’ over gaat bij het dichten?) Welzeker. Nu ja: zeker? Toen ik er een handvol liet lezen — ze zouden later in Parmentier verschijnen — gaf Nolens aan dat dit geen vroege verzen waren, maar gedichten die in zekere zin een eindpunt vormden. Geen blijde boodschap voor een jonge dichter — blijkt hij oudgeboren. Nog voordat ik gedebuteerd was, had ik een muur om mijn gedichten gebouwd, vond hij. Die zou ik moeten afbreken of er toch ten minste overheen moeten klimmen. Wellicht stonden de gedichten voor Nolens te dicht bij wat hij beschouwde als de ‘onpersoonlijke’ traditie waar hij zich met zijn hele leven & werk tegen verzet. Ik zag het punt: er werden grenzen van abstractie opgezocht die niet nog heel veel verder opgerekt zouden kunnen worden. Maar dat was hoe ik toen schreef en zonder geweldpleging op mezelf zag ik niet hoe ik dat kon veranderen. En dat begreep Nolens, want in zijn dagboek staan passages waarin hij een soortgelijke worsteling met zichzelf/zijn eigen werk beschrijft. Uit mijn hoofd: om andere gedichten te schrijven moet je eerst een ander mens worden. Tijdens de hoogtijdagen van het Vlaamse postmodernisme waren dat geen vanzelfsprekende woorden, maar dat was dan maar zo.

Of en hoe ik een ander mens werd, kan ik zelf moeilijk bepalen. Als ik gedichten herlees die ik de afgelopen twintig jaar schreef, herken ik ze zelf vrijwel zonder uitzondering nog altijd als van mij, ook al zou ik ze vandaag misschien niet meer op die manier kunnen of willen schrijven. Waar dat eigene in zit, is moeilijk te bepalen. Alle eigenschappen die ik kan bedenken — het gebruik van spreektaal die net even anders klinkt, meer imperatieven dan goed is voor een mens, een sterk ritme, opgelegd door soms extreem korte regels, geen rijmallergie ... — zijn bij andere dichters ook aan te duiden. Maar dus niet in deze dosering (lees/hoor/hoop ik). Hoe ik aan net die dosering kwam, is allicht gedoemd een raadsel te blijven. Wat niet betekent dat er niks over gezegd zou kunnen worden.

Lange tijd voelde het dichten aan als iets waar ik maar minimaal controle over had. Er dienden zich zinnetjes aan, frasen, woordcombinaties. En daar ging ik op het gevoel en gehoor mee aan de slag tot ze een gedicht vormden. Heel romantisch eigenlijk — inspiratie, intuïtie. Geheel in tegenspraak ook met de etiketten ‘deconstructie’, ‘postmodern’, ‘academisch’ die critici er soms aan toekenden, meer op basis van mijn Umwelt — yang, de universiteit, een proefschrift over Van Ostaijen — dan naar aanleiding van de gedichten zelf, leek me. Dat was dichten voor mij: ontdekken hoe mijn hoofd werkt. Na het schrijven herkende ik in die versregels dan allerlei inhoudelijke en persoonlijke obsessies, maar die leek ik er niet bewust zelf in te hebben gestopt. Dat is vast in belangrijke mate een illusie. Zoals het naïef is te denken ‘het komt uit mezelf, dus zal het wel echt van mezelf zijn en dat zelf uitdrukken’.

Toen ik als tiener Engelstalige liedteksten schreef voor een plaatselijk bandje, was ik op een zondagnacht tussen Kerstmis en Nieuwjaar in de ban van een melodietje dat ik in mijn hoofd had gekregen en waar vrijwel moeiteloos tekstregels in pasten. Gênant veel later besefte ik dat ik eigenlijk ‘Famous Blue Raincoat’ van Leonard Cohen had overschreven. Niet: overgeschreven. Dat zou nog gênanter zijn geweest. Maar deze ervaring leerde me dat plagiaat in kleine hoekjes verborgen kan zitten en dat wat je als ‘van jezelf’ herkent dat allerminst hoeft te zijn. Later bleek het een motief(je) in mijn proefschrift over de invloed van Van Ostaijen: een hele stoet epigonen passeerde de revue, maar zo hadden ze dat vast zelf niet ervaren. Laat het ons houden op: minor talents.

Intrigerender is de reeks algemeen als groot en belangrijk beschouwde dichters die duidelijk door Van Ostaijen zijn gegaan om er als zichzelf uit te komen. (Er is ook een ander soort dichter, technisch versatiel, containing multitudes. Hugo Claus blijft het schoolvoorbeeld. Van Ostaijen was slechts een van de vele stemmen die hij uitprobeerde. Op minder indrukwekkende wijze geldt dit voor kameleon Paul Snoek).

Wellicht is dat wat het betekent als dichter volwassen te worden: je steeds beter bewust zijn van de invloeden (andere dichters, de taal om je heen) en die toelaten, manipuleren, naar je hand zetten. In mijn nieuwe bundel Thuis zitten flarden hedendaagse newspeak, oude volksgedichten, gerespecteerde schrijvers, Hollywooddialoog en andere gemeenplaatsen, maar als het goed is valt het onderscheid tussen deze citaten en ‘eigen’ verzen nauwelijks te horen. Het is allemaal van mij, het is allemaal van ons.

Vandaag voelt het niet langer alsof ik slechts hoef te wachten op inspiratie, alsof iets door mij spreekt. Die momenten doen zich wel voor, maar in het proces ben ik actiever geworden. Ik kan nog altijd niet aan een gedicht beginnen zoals aan een column, maar de aanwezigheid van een deadline blijkt toch het dichten te kunnen aanzwengelen. En actiever zijn betekent: durven en kunnen sturen. Dingen laten of ze extremer aanzetten.

Nu ik de drukproeven van Thuis corrigeer lijkt dat, terugkijkend, de inzet te zijn geweest: hoe mijn eigen muziekje behouden en toch lichter en opener schrijven, soms misschien zelfs zo rechttoe rechtaan dat het etiket explicit lyrics gepast lijkt. (Niet omdat de verzen scabreus zouden zijn, maar omdat er simpelweg staat wat er staat.) Ook hier ben ik slecht geplaatst om te beoordelen of het gelukt is (light verse is het nog altijd niet), maar het schrijven van deze bundel heeft me geleerd dat het huis niet meteen omverwaait als alle ramen en deuren worden opengezet, noch wanneer een stoel gewoon stoel wordt genoemd en een tafel tafel.

Inmiddels schrikken ook opgelegde onderwerpen me niet meer af. Toen ik twintig jaar geleden voor een standbeeld van Yeats ging zitten in Dublin, leverde de poging daar een gedicht bij te maken louter maakwerk op: een geforceerde objectbeschrijving waar ik maar geen ziel ingeblazen kreeg. Als ik nu door Bozar gevraagd wordt iets bij een installatie van Anish Kapoor te schrijven, lijkt het resultaat tegelijk iets over dat werk te zeggen en in mijn eigen project te passen. Ik heb Thuis niet als een conceptbundel opgezet, maar bleek gaandeweg wel in staat inhoudelijke preoccupaties in te passen, te verdiepen, uit te werken. Meanderend als in een essay, maar op de tonen van mijn eigen combo.

_