redactie nY-print

Published: 4/04/2014

Tags: intro

Onlangs verschenen, op papier en digitaal:

 

 

Inhoudsopgave en bestelinformatie

 

Nasporingen

 

De dader is een ware parasiet, een malicieuze mystificateur en geldbeluste galgenbrok die het aanlegt met het ergste soort. Het slachtoffer de verheffing zelve, gracieus rebellerend edoch bezwaarlijk opgewassen tegen het kwaad. De inzet van de intrige: de wil, de geest en het spel van het volk. Whodunit? Kitschdunit, aldus, zo ongeveer, Clement Greenberg in zijn essay ‘Avant-garde and Kitsch’ uit 1939. Volgens de modernistische kunstcriticus Greenberg bewerkstelligt kitsch op een geslepen manier de ondergang van de avant-garde. Af en toe brengt kitsch namelijk iets op de markt wat een vleugje waarde en authenticiteit bezit. Dat is het geval bij ogenschijnlijk goede populaire literatuur zoals de detectiveromans van Simenon. Maar wee hen die zich laten verleiden door zulke op het eerste gezicht interessante grensgevallen. Een en ander leidt geheid tot intellectuele verloedering, zet de deur open voor propaganda en legt het weelderige Athene van de avant-garde in de as. Greenbergs scherpe tegenstelling tussen echte kunst en populaire geschriften zoals detectiveromans resoneert bij andere modernistische behoeders van de Grote Literatuur.

T.S. Eliot, door Greenberg opgehemeld als man met goede smaak, kon de populaire injectie van detectiveromans verrassend genoeg wel smaken. In zijn stuk over Charles Dickens en Wilkie Collins (1927) uit hij zich als fan van Collins’ The Moonstone, ‘the first and greatest of English detective novels’. Wat het zo’n goed boek maakt is niet het raadsel dat Edgar Allan Poe uitpuurde maar ‘the intangible human element’, de feilbare detectiveheld. Voor de hoogste der hoge modernisten geen leven zonder melodrama – de juiste dosis melodrama, welteverstaan, en op gepaste wijze te consumeren. Collins mag dan vermaken, hij schopt het bij Eliot niet tot de galerij der literaire genieën. Ook W.H. Auden bekent in zijn essay ‘The Guilty Vicarage’ (1948) verslaafd te zijn aan detectiveverhalen. Net als Eliot wil hij geen leven zonder – ‘the reading of detective stories is an addiction like tobacco or alcohol’ – en trekt hij tegelijk een duidelijke grens. Precies omdat het plezier ervan zo intens, specifiek en direct is, hebben detectiveromans niets met kunst te maken, een stelling die Auden wil bewijzen aan de hand van definities, een schema en een resem onderzoeksvragen. Gertrude Stein ziet de zaken anders.

In haar tekst ‘Why I Like Detective Stories’ is Stein niet geïnteresseerd in de vraag of detectiveromans een bedreiging voor dan wel een afleiding van de echte literatuur zijn. Het idee dat er te veel van zouden zijn, vindt ze belachelijk (probeer er maar eens een keer drie per week te lezen, je zult vlug aan het herlezen slaan) en haar onderzoeksvraag is snel beantwoord: ‘What are detective stories, well detective stories are what I can read.’ Stein hield toevallig ook erg van Shakespeare en Walter Scott en wat ze bij hen looft, vindt ze ook in de romans van detectiveschrijver William Edgar Wallace:

there can be in any of his books lots of them lots of everybody but there does not ever have to be a dead one it is like a good play of Shakespeare, have them dead but if they are dead then the place is strewn with corpses … there is genuine abundance … of course incidentally he writes awfully well he has the gift of writing as Walter Scott had it and that too makes for abundance.

Wat ze bovendien uitzonderlijk goed vindt aan de detectiveverhalen van Edgar Wallace is dat er eigenlijk geen speurwerk aan te pas komt. De schrijver blonk uit in het oppoetsen van het melodramatische mechaniekje – de snoodaard, de held, en het meisje – en wendde dat aan om de overvloed te genereren die Stein zo wist te appreciëren: veel heen-en-weer, veel heldhaftige reddingen, veel lijken, en, niet onbelangrijk, veel geld. Als het dan toch een business is, die detectiveschrijverij, laat de romans dan ook werkelijk over geld gaan, lijkt Stein te redeneren. Productie en surplus, daar draait het om als je het over detectiveverhalen en de literatuur wil hebben. Net als Greenbergs tekst is die van Stein er een uit de late jaren 1930. Haar verzet tegen het dreigende politieke klimaat is echter niet, zoals bij Greenberg, de socialistische revolutie maar vrije productie. Wanneer ze haar stuk besluit met de verzuchting ‘I do like detective stories and will there please will there be more of them’ roept ze op tot een bandeloos lezen en pleit daarmee voor een wereld waarin zij – en Stein was zelf nu niet bepaald vies van enig avant-gardistisch experiment – ervoor kan kiezen detectiveverhalen te lezen en Edgar Wallace met Shakespeare te vergelijken.

*

Met ‘De nieuwe speurders’ toont dit #21 de bandeloze detectiveroman, met de held bevrijd van het in formules gegoten speurwerk of zelfs botweg ontslagen van zijn verantwoordelijkheden. Wat gebeurt er als je, zoals Stein, een detectiveroman wilt produceren waarin wordt gebabbeld, niet gespeurd? Hoe spannend zijn ontsporende intriges, hoe feilbaar de feilbare detective? Wat als het verhaal druipt van de kitsch en het toevallig toch vreselijk goed geschreven is? De verhalen die we bundelen zijn er niet op uit uw geest te corrumperen met kapitalistische propaganda, doen geen beroep op uw natuurlijke voorliefde voor good old melodrama en zijn werkelijk niet te vergelijken met tabak of alcohol.

Van de Tsjechische auteur Josef Škvorecký – ooit Nobelprijskandidaat en behalve schrijver van dikke romans ook auteur van een aanzienlijk aantal detectiveverhalen – vertaalde Edgar de Bruin ‘Een intieme aangelegenheid’. Škvorecký, die in 1968 naar Canada vluchtte en er het werk van onder anderen Havel en Kundera publiceerde, vergeleek de literatuur graag met jazz – er dient getoeterd, gejankt en bezongen te worden zodat het lijkt alsof de jeugd nog binnen bereik ligt en je niet te laat in je leven je land moest verlaten. ‘Een intieme aangelegenheid. Whodunit’ brengt melodrama op de rem, maar laat u niet misleiden door de smachtende commissaris Borůvka. Škvorecký zondigt in dit verhaal bovendien tegen een van de regels van pater Ronald Arbuthnott Knox, een van de oprichters van de Detection Club, waartoe ook Agatha Christie behoorde. Aan de lezer uit te maken welk gebod hier met voeten wordt getreden.

De nieuwe speurders in het gelijknamige verhaal van C.C. Krijgelmans houden zich niet bezig met intiem gekonkelfoes. Hier wordt een speurdersverslag voorgesteld dat niets te maken heeft met die moderne sekstiliteitentrend, ook al is het lijk waarover alles gaat omgelegd door seriemoordend en meervoudig seksonschappelijk. Lezer, u weet waar u staat:

Ofschoon het verboden woordje seks een zekere vroomheid kan uitstralen voor een kleintallig van onze naaste mensen en in dit verbandeloos ook regelmatig aan bod komt in grote krantenkoppigen, allerlei buisgeledingen en bij meerdere gedigitaliseerde degeneratieve mediamiekelingen, beschromen wij er ons niet voor. Wij beloven in de mate van onze verschillende grondigheden en grootheden van mening, de lezers alle onnoemelijke kriminele feitalen voor te schotelen. En wat voor een opgedist is dat niet? Deze feitalen worden nooit uitgesproken, maar zullen de verbeeldingskrachtige lezer onzeggelijk stimuleren, ook al mocht dit zonder zijn medeweten gebeuren.

Van Verrezen uit de doden uit 1996, de eerste van een reeks gelauwerde detectiveromans van de Oostenrijkse auteur Wolf Haas, vertaalde Iannis Goerlandt de eerste twee hoofdstukken. Daarin introduceert Haas zijn held Simon Brenner, die er in de kleine stad Zell am See maanden alles of niets aan doet om het mysterie van de lijken in de skilift op te lossen. Ondertussen sluimert er van alles in Zell. Er gebeurt wat en dan gebeurt er nog wat en nog wat tot u niet meer weet wat – en dat belooft wat. Als proeve van de ontwikkeling van die andere held, de vertelstem, nemen we ook de aanhef van de vervolgdelen op.

Ook in China Miévilles The City & The City (2009) is het niet duidelijk welke intriges een stad doorkruisen, laat staan waar ze zich precies afspelen. Patricia Piolon vertaalde een fragment uit deze roman over een gespleten stad waar een meisje is vermoord. Inspecteur Tyador Borlú van de recherche van Besźel voert het onderzoek, maar krijgt daarbij te maken met de autoriteiten van Ul Qoma en de geheimzinnige dienst Schending, die optreedt tegen inbreuken op de ‘afspraak’ die de inwoners van de ene stad gebiedt die van de andere te ont-zien.

Boekarest is de stad waar Lucas Hüsgen zijn detectiveverhaal ‘Een leuke vent’ laat afspelen. De stad wordt aanroepen en bezongen en het ronde plein Obor, dat het voordeel biedt dat ‘de afstand tot de vijand altijd even groot is en de vijand zelf zichtbaar (tenzij hij gitaar zit te spelen in de schallende breedte van de ondergrondse passage)’, belooft een grote confrontatie.

De drie volgende bijdragen stellen ons beeld van de grote held à la Sherlock Holmes bij: de kleine detectives treden aan. Van de Amerikaanse schrijver Joe Meno vertaalde Koen Sels een fragment uit The Boy Detective Fails (2006), over de dertigjarige Billy Argo, die de dood van zijn zusje Caroline niet kan verwerken. Meno geeft daarbij een eigen invulling aan het detectivegenre, dat Witold Gombrowicz in Kosmos (vert. Paul Beers) omschreef als ‘een poging de chaos te organiseren’ en een hoogst eigen ‘vorming van de werkelijkheid’. Els Moors vertaalde ‘Het spoor van de “clupea harengus”. Het wetenschappelijke detectiveverhaal en hoe het geschreven wordt als zomerse lectuur’ (1946) van de Joods-Canadese auteur A.M. Klein. De held van deze lichtvoetig misleidende geschiedenis is de vermaarde psycholoog-speurneus Hilary Lance. Hij is ontzettend slim, maar moet door zijn bediende in pantoffels geholpen worden om er als een roofdier uit te zien. Zijn ontzettend slimme redeneringen zijn bovendien zo ontzettend slim dat ze het detectivegenre bijna de absurde poëzie in duwen. Even absurd te noemen is ‘Het Kerkhofmysterie. Of “Den Dode Neemt Wraak”. Een Speurdersroman’ van H.P. Lovecraft, geschreven in 1898 toen de auteur acht jaar was, hier vertaald door Annelies Jorna. Een vermakelijke en ontroerende brok kinderproza als tegenstuk van Meno’s kinderlijke werkelijkheidsconstructie.

In ‘Nick Carter is dood’, een kort verhaal van de surrealist Philippe Soupault in vertaling van Mirjam de Veth, wordt Nick Carter, pulpdetective par excellence, het slachtoffer van zijn eigen vermommingskunst. Wereldnieuws is dat overlijden van de fictieve held, en de krantenjongens schreeuwen het uit: ‘Nick Carter dood!’ ‘Kijk maar in de krant’ is het advies dat in Alain Robbe-Grillets Les gommes (1953) wordt gegeven als het over de vermeende dood van Daniel Dupont gaat. Rokus Hofstede vertaalde een fragment uit dit meesterwerk waar het speuren aanvangt zonder lijk. Uit Gertrude Steins detectiveroman Blood on the Dining Room Floor (1933) vertaalde Sarah Posman het eerste hoofdstuk. Over dat boek schreef Stein zelf dat ze het een keigoed detectiveverhaal vond ‘but nobody did any detecting except just conversation’. Van loos gebabbel kan evenwel geen sprake zijn.

In een essay over de spanning tussen foto en schilderij (Fotomuseummagazine, 2006) schreef kunstenaar Vincent Geyskens dat we, althans in onze algemeen- maatschappelijke omgang, in de foto ‘geloven’. Ook de detective maakt zo’n gebruik van de foto; hij registreert, verzamelt bewijzen. In Paul Austers The New York Trilogy geeft de figuur van de detective echter net zo goed een andere dimensie van het kijken en lezen aan. In deze figuur kantelt dan de zich toe-eigenende omgang met het sprekende, verleidelijke beeld naar een ongecontroleerde ervaring van de ambiguïteit van de (beeld)taal. In de collages van Geyskens ontplooit zich een schilderkundige, contemplatieve blik op wat spookachtig fotografisch materiaal geworden is.

*

Buiten onze detectivekwestie bevat dit nummer ook de tekst ‘De site’ van de Britse dichter en literatuurwetenschapper David Herd, vertaald door Richard Kwakkel. Herd gaat er op verkenning om en rond het Immigration Removal Centre in Dover en poogt de plaats, in feite een non-plaats, te beschrijven. Spannend nY-nieuws, ten slotte: we bejubelen de metamorfose van de Gast Koen Sels tot redactielid, vieren dat Jan Op de Beeck de gelederen van de beeldredactie komt versterken en introduceren even juichend onze nieuwe Gast, Frank Keizer. Met zijn reeks gedichten ‘Verbanden en buigzaamheid’ neust hij in onze postindustriële paniek, wroetend naar breekbaarheid, aanraking, democratie.