redactie nY-print

Published: 29/01/2013

Tags: intro

 

Onlangs verschenen, op papier en digitaal:

 

Inhoudsopgave en bestelinformatie

 

Buiten blijven

De intro

 

Eindejaarsbeeld op een Luikse voetgangersbrug: boven de diepbruine kolk die hier de Meuse heet, passeren tegenliggers als spoken, stroken van grote neusgaten en diepe oogkassen beschenen door het fletse licht dat afstuift van de slimme telefoons die hun status in de wereld vermelden. Bleke tronies van telezombies die geen sjoege geven. Het enige wezen zonder apparaat lijkt motorisch opgevoerd op je af te stuiteren, allicht aangezogen door het oranje flikkerende aspuntje tussen je lippen. Naar plaatselijk gebruik weiger je bietsers niet, de vraag of hij kan draaien beledigt hem dus geef je de tabakzak af – een filtertje blieft hij niet. Is het de rivierwind die hem een misbaksel levert? Zijn saffie lijkt een python die zijn kerstkonijn diep zijn lijf heeft ingeduwd. Geef hem vuur: één uiteinde vat vlam, en juist dat steekt hij tussen zijn lippen, waar, zie je nu, de vellen van af hangen. Gesis, hij likt de as van zijn vuile mond en zet dan de andere kant in de hens zodat het roken kan beginnen. Geboeid wil je weg, maar of je drugs lust. Je vraagt je tabak terug, je aansteker. Of je zin in neuken hebt, en hij doet in hoog tempo konijnbewegingen voor. Je bedankt, krijgt je tabak terug – het vuur is van hem.

 

Aan wie buiten blijft, levert de stad apocalyptische beelden in veelvoud, ontvlammend leven op plaatsen die je moeilijk een plek kunt noemen. Dat buiten blijven is een drijvende kracht van de teksten in dit #16. Het begint in 2011 in Londen, met een grootstadessay van China Miéville. Met de doemtekening van Jonathan Martin London’s Overthrow als stadsplan werkt Miéville zich een weg uit de zone die zichzelf met een arrogante reductie ‘de city’ noemt, via Occupy St Paul’s, Tottenham en Hackney, tot verre buitenplaatsen vol verdwaalde bankstellen, parkouristes, bosjes parkieten en overdadig kerstlicht. Geschreven in het roerige pre-olympische jaar en vertaald door Leen Van Den Broucke blijkt deze poëtische rough guide door de Neuropese metropool allesbehalve gedateerd. Steek je handen naast je mobiel en notitieboekje in je zakken en doorkruis je eigen stad.

Londen is tevens het decor van het gedreven fan-essay dat Lucas Hüsgen over Amy Winehouse schreef. In zijn helse proloog wordt haar stem postuum welkom geheten door de vier opgeluchte schikgodinnen van de jazz. Een aardser en meer potente destructieve kracht plaatst Hüsgen echter bij de muskietenzwerm van de pers. Leek Winehouse die lang superieur te dirigeren, haar spel liep stuk. Hoe zich de ondergang voltrok, dat is Hüsgens overwhelming question. Een volgend grootstedelijk strijdtoneel vinden we bij Erwin Jans, die de présence van jonge Rimbaud binnen de metropool van de negentiende eeuw afzoekt. En andersom: de aanwezigheid van de Parijse Commune in het werk van deze revolutionair in poëzie. Door zowel Rimbaud als Winehouse vanuit de heroïek te bezien, betreden beide bijdragen de kwestie over oorlogspoëtica waarnaar nY in deze jaargang op zoek is gegaan. Ook de zes ‘Memoranda’ die Frank Keizer voor dit nummer vertaalde uit Rob Halperns Music for Porn zijn daar een uitloper van. De tweede helft van zijn strooptocht naar soldatenseks had u immers nog tegoed.

 

De teksten over hedendaags heldendom slaan eenpassage naar een nieuwe vraag, die het andere deel van de essays uit dit nummer stuurt, en die we in komende nummers zullen stellen: hoe heroïsch presenteert het hedendaagse subject zichzelf in zijn literaire schepping? Vol overgave en zelfbewust? En zo ja, met welke bedoelingen?

In zijn peiling van drie recente ego-romans bekijkt Hans Demeyer hoe het postmoderne subject zijn waarheden poogt te legitimeren en vraagt hij zich af welke rol de anderen daarbij spelen. David Nolens Stilte en melk voor iedereen suggereert dat slechts de roem nog zin zou kunnen geven aan een bestaan waarin de grote waarheden verdwenen zijn en de economie iedereen onderling inwisselbaar maakt. Of hoe waarom van Hanna Bervoets en Ik ben Maan van Maan Leo illustreren alvast hoe anderen geen ruimte krijgen in hun roemzuchtige verhalen, die niet gespeend zijn van superieur gewaande ironie.

In ‘Generator’, het prozadebuut van Koen Sels, tracht het hoofdpersonage een verhaal te maken van het cafégebabbel dat hij rondom zich hoort. Hij wil overzicht, misschien wel een waarheid, ‘een plek waar alles samenkomt’, maar het lukt hem niet om uit de droevige dwang van de zelfbewuste ironie te stappen. En ondertussen blijft het desoriënterende gepraat zichzelf genereren: ‘We moeten praten. Heb ik iets gezegd, misschien dan?’ En ook de tweede prozadebutant van dit nummer komt nauwelijks van haar stoel en blijft nolens volensbinnen. In haar vierde, laatste en verrassende bijdrage vult de Gast van 2012 het domein essay op met fictionele elementen: ze laat haar hoofdpersonage Maartje Smits de aloude topos van de onuitspreekbaarheid verversen door deze toe te passen op Facebook: ‘Ik wil iets delen, maar het past niet in een update.’ Elk mogelijk bericht over een schimmig meisje in haar kamer wordt gewikt en gewogen op de aandacht, de roem, de liefde die ermee te rapen valt. Expressie mag reiken naar de ander, de egoschrijver wil ook zelf behaagd worden.

Voor Christophe van Gerrewey vertoont een liefdesrelatie stellig parallellen met die tussen lezer en schrijver: de basisvoorwaarde voor beiden is twijfel, die ruimte creëert voor identificatie, toenadering en plezier. Aan de hand van Ian McEwan, David Foster Wallace en zijn eigen debuut Op de hoogte laat hij zijn essay draaien om het onzekere pact dat schrijvers en lezers met elk boek opnieuw moeten sluiten, en de daarmee verbonden problemen nu dezen door de postmoderniteit ‘steeds minder geloven’ en genen er zich almaar bewuster van zijn ‘onwaarheden’ te vertellen. Wat betreft publicatiegedrag doet Martijn Knol in zijn essay een voorstel: de schrijver moet zichzelf zo ver mogelijk houden van eender welke beïnvloeding van het nog altijd oprukkende literaire marktdenken: ‘Je verliest je Eurydice op het moment dat je omkijkt om te zien of ze het een beetje goed doet in de markt.’ Knols boutade wordt ingeleid door de glijerige mail van een literair agent, en afgerond door een gipsige maskerade. Om zijn utopische inzet te testen, laten we hier meteen Jeroen Dera’s recensie van het poëziedebuut Dooier op drift van Charlotte Mutsaers op volgen – gepubliceerd in het centrum. Dera mist de dynamiek van Mutsaers’ proza, maar weet door te zetten en in haar knoeste versvormen naast veel dood ook dierlijke lust te ontdekken.

Sterk op zichzelf staat een lijvig kort verhaal van Charles Olson uit 1948. In ‘Het postkantoor’, vertaald door Michaël Boyden en Iannis Goerlandt, wil de schrijver zich zijn vader herinneren, wil hij ons vertellen wat de postbode het leven heeft gekost. Het stadje Gloucester had een boei kunnen zijn, overpeinst de schrijver, maar zijn vader trok er te ver voorbij.

Dit buikige nummer is vernoemd naar de harige held van het stadse oorlogsepos van Peter Wächtler, een Duitse kunstenaar die in Brussel woont. Zijn expressieve tekeningen lokken een al even expressief verhaal uit over een zekere Peter die geconfronteerd wordt met de nieuwe liefde van zijn ex. Deze Ragnar Pluto lijkt op het eerste gezicht een onbehouwen bruut, maar laat zich langzamerhand kennen als een krachtmens, een seksgod en een intellectueel in één. Misschien is Ragnar Pluto zelfs de enige die de wereld nog kan redden van de ferm om zich heen grijpende culturele lafheid en zelfgenoegzame onverschilligheid.

 

Een woest en behaard 2013 gewenst!