redactie nY-print

Published: 28/01/2011

Tags: intro

Eind januari 2011 verscheen nY #8. Hier leest u De intro.

 

2010 was een veranderlijk jaar voor de drie parlementaire democratieën in de zuidelijke Noordzeeregio. Op 6 mei heroverden de Tories na dertien jaar de scepter op het afgedraaide New Labour, en regeerden een week later met behulp van Nick Cleggs free market liberals. Na 127 formatiedagen wordt Nederland vanaf 24 oktober bestuurd door een combinatie van marktliberalen en christendemocraten die enkel de kleinst mogelijke meerderheid haalt door de gedoogsteun van een politioneel-xenofobe partijbaas (en indien nodig bijgevallen door twee rechtzinnige mannenbroeders). Vier dagen nadat de Nederlanders met hun stembusgang hiervoor de basis hadden gelegd, kozen de Belgische kiezers voor … ja, waarvoor eigenlijk? De federale verkiezingen van 13 juni resulteerden in een dusdanig gespleten zetelverdeling dat ze de impasse die ze had moeten doorbreken enkel lijkt te hebben verdiept.

Tegen doemprofetieën, ondergangsmetaforiek en rampscenario’s bestaat er een probaat middel: historiseer, en ge zult ontdekken dat de tijden altijd moeilijk zijn. Dusdoende concludeert Frank Jacobs in De kwestie na een eigenzinnige vogelvlucht over twee millennia vormgeving van Belgium – The map. Aan de hand van de cartografie van deze lap grond laat hij zien wanneer er aan welke hoeken werd getrokken. Met rust gelaten door de belendende grootmachten verzorgt België tegenwoordig zelf zijn aangeboren ‘splitsziekte’. Illustreert Jacobs verleden en toekomstige landsvormen met al dan niet speculatieve kaarten, Miek Zwamborn arceert een historische landslide middels fictie en grafiek. In haar verhaal brengt een maquetteur vakbekwaam de ‘Great Slip’ in kaart: de geografische rotslawine die in 1839 de Zuid-Engelse kust hertekende. Tezamen reanimeren deze twee hybride teksten de politieke metaforiek die afgelopen jaar zo vaak werd aangesproken.

Haar prozabijdrage completeert Miek Zwamborn met een gelimiteerde ‘prehistorische dieptekaart’, een verlate nieuwjaarsprent die zij samen met vormgeefster Hansje van Halem ontwierp, terwijl in het nummer zelf kunstenaar Jürgen Ots – zo mooi hadden we het niet kunnen plannen – voor de nodige visuele breukvlakken zorgt.

Prehistorische dieptekaart

De periode waarin het Belgische grondgebied het verst verschoof – en die bij Jacobs onbesproken blijft –, krijgt alle aandacht in Untagged. Erwin Jans bekijkt hoe het Vlaamse toneel zich verhield en verhoudt tot de jaren 1908–1960, waarin er op de Belgische kaart een enorme hoek werd bijgetekend. Zijn historisch betoog blijkt een lange aanloop voor een kritische omgang met het recent bejubelde Congotweeluik van David van Reybrouck.

Nu uniforme eenboeksbesprekingen sinds ruim een jaar in goede handen zijn op het platform deReactor, hebben literaire tijdschriften eens te meer de taak om het genre van de literaire kritiek op haar mogelijkheden te verkennen. In De zift leest Michaël Boyden naast Freedom, de nieuwe Jonathan Franzen, ook de dieptestructuur van de Amerikaanse samenleving, terwijl Johan Sonnenschein het palet verruimt door een hele reeks bloemlezingen ineens te recenseren: vormgevingsaspecten van komma tot lijmkeus komen zo binnen het domein van de literaire kritiek te vallen.


De omzet
bundelt de poëtische exploraties van een drijvende en een taaldolende schrijfster. Elisabeth Tonnard vertaalde het zinnelijke ‘Utopia’ uit R’s Boat, de nieuwste bundel van de Canadese Lisa Robertson, en van de Japanse Yoko Tawada bieden we u twee verhalen over absurde grenzen in een vertaling van Désirée Schyns en Bettina Brandt. Buiten de rubrieken maakt Maarten van der Graaff zijn debuut met drie gedichten: ‘Zijn tred is deels/ cholerisch, deels on-/ verschillig.’

Pieter De Buysser rondt zijn verblijf als Gast in afgelopen jaargang af met de lotgevallen van meneer Afzal. Zijn project Anthology of Optimism, waar hij in nY #4 uit publiceerde, was aanleiding om hem drie afleveringen lang carte blanche te geven. Even fluwelig als weerbarstig fabuleert hij in zijn laatste bijdrage een ambtenaarsoor dat maar groeien blíjft – o, tot een optimistenzeil zo groot!