Lucas Hüsgen, Han Yong-un

Published: 17/07/2013

Tags: poetry

 

 

Het zwijgen van de geliefde

De geliefde is er vandoor. Ach, mijn beminde geliefde is er vandoor.
Hij verbrak het groene berglicht, schudde zich van mij los, over het weggetje naar het woud met bomen in herfsttinten.
De oude eed, ooit krachtig en stralend als een gouden bloem, werd bitterkoud stof, vloog ervandoor op de vleug van een ademstoot.
De herinnering aan de indringende eerste kus draaide aan het kompas van mijn lot, deed een stap terug en verdween.
Doof ben ik door het welriekende stemgeluid van de geliefde, blind ben ik door het bloemrijke gezicht van de geliefde.
Al sinds onze ontmoeting maakte ik mij zorgen om het vertrek, want ook liefde is iets menselijks, en het is niet dat ik er niet op bedacht was, maar het vaarwel kwam onverwacht en het verbijsterde hart barstte in treurnis uit.
Maar waar ik snapte dat inzicht in de liefde het vaarwel niet tot bron van nodeloze tranen mag maken, veranderde ik de kracht van het onbedwingbare verdriet, goot ik het uit over de kruin van nieuwe hoop.
Zoals wij vrezen dat wij elkaar bij ontmoeting zullen verlaten, zo geloven wij bij vertrek dat wij elkaar opnieuw zullen ontmoeten.
Ach, de geliefde ging, maar het is niet zo dat ik de geliefde ervandoor stuurde.
Het lied van een liefde die mijn zang er niet onder krijgt, behoedt en omcirkelt het zwijgen van de geliefde.

 

 

Veerboot en reiziger

Ik de veerboot
jij de reiziger
met modderige voeten betreed jij mij.
Ik omhels je en voer je over het water.
In mijn omhelzing voer ik jou door diepe, vlakke, snelle stromingen.

Ik wacht zelfs op jou, als jij niet komt, onder wind, sneeuw of regen, van de avond tot de ochtend.
Ben jij eenmaal het water over, dan ga jij verder zonder naar mij om te kijken.
Ik weet echter dat jij eens komen zult.
Wachtend op jou word ik ouder, dag na dag.

Ik de veerboot
jij de reiziger.

 

 

Onderwerping


De anderen mogen houden van vrijheid, ik heb een zwak voor onderwerping.
Niet omdat ik niet van vrijheid weet, maar aan jou kan ik mij enkel onderwerpen.
Onderwerping van wie zich onderwerpen wil, is zoeter dan mooie vrijheid.
Dat is mijn geluk.

Maar als jij een ander aan mij onderwerpt, kan ik mij niet onderwerpen.
Want ik kan mij niet onderwerpen aan jou bij jouw onderwerpen van een ander.

 

 

Kom!


Kom! De tijd van je komst is daar. Kom snel!
Weet jij wanneer het de tijd van je komst is‌
De tijd van je komst is de tijd dat ik wacht.
Kom in mijn bloemenweide. Er bloeien bloemen in mijn bloemenweide.
Als iemand jacht op je maakt, kom dan in de bloemenweide en verberg je daar.
Ik word een vlinder en strijk neer op de bloem die jou verbergt.
Zo zal wie jacht op je maakt, je niet kunnen vinden.
Kom! De tijd van je komst is daar. Kom snel!
Kom in mijn borst. Er bevindt zich een teder hart in mijn borst.
Als iemand jacht op je maakt, buig dan het hoofd en steek het in mijn hart.
Raak jij mijn hart aan, dan is het zacht als water, maar tegen jouw bedreiger wordt het een gouden zwaard, een schild van staal.
Liever wordt mijn hart een door hoeven vertrappelde gevallen bloem, dan dat jouw hoofd niet in mijn hart kan binnenvallen.
Zo zal wie jacht op je maakt, zijn hand niet kunnen uitsteken naar jou.
Kom! De tijd van je komst is daar. Kom snel!

Kom mijn dood in. De dood is wanneer dan ook voorbereiding tot jou geworden.
Als iemand jacht op je maakt, ga dan achter mijn dood staan.
De dood is futiliteit en almacht in een.
De liefde voor de dood is eeuwigheid in de tijd van het onbegrensde.
Tegenover de dood veranderen oorlogsschip en kazemat in stof.
Tegenover de dood raken wie sterk en wie zwak is bevriend.
Zo kan wie jacht op je maakt, jou niet te pakken krijgen.
Kom! De tijd van je komst is daar. Kom snel!

 

 

Non’gae’s minnaar, staande bij haar schrijn


De Zuiderrivier die stroomt bij dag en bij nacht, gaat niet verder.
Het Chokseongnu-paviljoen dat er onder wind en regen wezenloos bij staat, rent met de tijd, een boze geest, ervandoor.
Non’gae, jij geliefde Non’gae, die mij tegelijkertijd aan het huilen en het lachen brengt.
Jij bent een van de mooie bloemen die ooit tussen de graven van Korea bloeiden.
Daarom bederft die geur niet. Ik werd als dichter jouw minnaar.
Waar ben je toch‌ In deze wereld ben jij, onsterfelijke, niet.

Ik blik terug op dit jaar van jou, geurig en triest als een met gouden mes afgesneden bloem.
Het door de geur van sterke drank verstikte kalme lied deed het roestige mes, weggeborgen in de gevangenis, weerklinken.
Een gruwelijke koude wind die dansende mouwen vastgreep en heen en weer bewoog, toog door het bloemenwoud van het geestenrijk, bevroor de neergestorte zon.
Toch was je tere hart kalm, maar te bang om te sidderen.
Toch lachten je mooie zachtmoedige ogen niet, maar ze waren te triest om te huilen.
Eerst deden ze alsof ze rood waren, dan alsof ze diepgroen waren, dan waren ze wit: jouw trillende dunne lippen waren de ochtendwolk van het lachen, dan weer de avondregen van het huilen, dan weer het geheim van de maan in de vroege ochtend, het symbool van bedauwde bloemen.
De bloemen die overbleven op het verhoog met afgevallen bloemen, en die jouw hand, lijkend op een verwoeste grafsteen, niet had kunnen plukken, werden dronken van schaamte, het gezicht liep rood aan.
Het oude mos van de heuvel bij de rivier, door je jadeachtige hiel betreden, overtrof de hooghartigheid, verhulde de eigen titel met een groene zijdemand.

Ach, het huis dat zonder jou lijkt op een leeg graf, noem ik jouw huis.
Omdat, als ook jouw huis er niet is, al is het enkel maar je naam, er geen kans bestaat jouw naam te roepen.
Ik houd van bloemen, maar kan geen bloemen plukken die in jouw huis tot bloei zijn gekomen.
Ik houd van bloemen, maar ik kan in jouw huis geen bloemen zaaien.
Als ik in jouw huis bloemen zou zaaien, zouden in je hart ten eerste doorns worden uitgezaaid.

Vergeef mij, Non’gae, niet jij stelde de plechtige belofte, hard als een gouden rots, teleur: dat deed ik.
Vergeef mij, Non’gae, niet ik huil, gelegen in het droeve stille bed, om aangedane woede: dat doe jij.
Zelfs als ik het woord ‘liefde’ in mijn hart zou kerven en het als monument zou opstellen bij je schrijn, hoe kon jou dat troosten‌
Als ik in mijn lied de melodie der ‘tranen’ zou brandmerken, het als offerbel bij je schrijn zou laten weerklinken, hoe kon ik zo boete doen‌
Ik kan enkel in overeenstemming met jou de liefde die ik niet aan jou heb kunnen uitputten, niet voor eeuwig geven aan een andere vrouw; dit is de eed die ik zoals jouw gezicht niet kan vergeten.
Vergeef mij, Non’gae, als jij me vergeeft, dan zal mijn zonde, al is dat geen boetedoening tegenover de goden, verdwijnen.

Non’gae, jij die duizend jaar lang niet sterft,
Non’gae jij die nog geen dag kan leven,
hoe blij en hoe bedroefd zal mijn ziel zijn die jou bemint;
als mijn lach zich niet bedwingen laat, dan stromen mijn tranen; laten zich mijn tranen niet bedwingen, dan wordt er gelachen;
o lieve Non’gae, vergeef mij.

 

 

Een kunstenaar


Ik ben een klunzig schilder.
In bed kon ik de slaap niet vatten: met de vingers tekende ik op mijn borst je neus, je mond, je beide wangen, allengs meer verteerd door jaloezie.
Maar toen ik je oogwit tekende waarin onophoudelijk een lachje rondzwerft, wiste ik het wel honderd keer uit.

Ik ben een zanger van onbedwingbare lafheid.
Toen ook mijn buurman heenging en de insecten verstomden, zong ik het lied dat jij mij geleerd had, maar ik bracht niets van dat zingen terecht, verlegen bij de sluimerende kat.
Dus toen de wind langs de deur streek, zong ik in stilte het koorgezang.

Veel talent om romantisch dichter te worden lijkt mij niet gegeven.
Ik wil niet schrijven over ‘blijdschap’, ‘verdriet’, ‘liefde’ of zoiets.
Ik wil gewoonweg schrijven over je gezicht, je stemgeluid, je manier van lopen.
En ik zal schrijven over je huis, je bed en de steentjes in je bloementuin.

 

 

(Meer vertaalde gedichten van Han Yong-un zijn te vinden op het weblog van Lucas Hüsgen.)