Elisabeth Tonnard

Published: 19/09/2013

Tags: poetry prose


Bode Poppe Drijfhout neemt afscheid van

een prachtbaan. Nooit spijt gehad.
Je bent altijd.
Waarom?
Het is mooi. Tijd om te genieten van mijn vrouw.

Poppe Drijfhout. Wie kent ’m niet. Parelwitte grijns in een ondeugende kop. Altijd in voor een opmerking. Vaak te vinden. Maar voor alles bode. Althans tot morgen. Dan neemt Poppe afscheid.

De geboren en getogen burger verkaste na zijn huwelijk met zijn vrouw. In 1988 had hij het gezien.

‘Ik werd gekozen.’

Drijfhout kwam terecht.
‘Er is geen dag. Je bent het. Je zorgt voor koffie. Ik weet niet hoeveel duizenden liters. Daarnaast deel je rond. Vaak werkte ik. Leuk om te doen. Behalve als ze er nachtwerk van maakten.’

Al dat werk deed Drijfhout in samenwerking.

‘We kregen de hand. Hij zei “hoe jullie doen zal me worst wezen”.
Daar hebben we ons aan gehouden.’

Bijna werken als bode levert een stortvloed op. Een bode kent van haver tot gort en weet van de hoed en de rand. Veel houdt Poppe voor. Maar er blijven genoeg. Bijvoorbeeld over die keer.

‘De ambtenaren vluchtten. Wind en regen.
Maar die nacht moest er iemand blijven.
Samen heb ik toen gelopen. Ik was wel gewend te draaien.’

Poppe was altijd ‘in’. Hij had een manier om te schenken, manoeuvreerde op onnavolgbare wijze met de bittergarnituur en wie deed werd overgeslagen.

Een andere keer. ‘Het was op een avond. De burgemeester had zin, maar ik volgde. Bij elk punt liep ik. Als je die oogjes had gezien.’

‘Dat soort dingen.’

Poppe Drijfhout maakte alle afgelopen jaren mee. ‘Je voelde de spanning. Komt de motie overeind? Ik vond het bar. Als het erg werd, kon ik het niet laten te maken.’

Plus de bezetting.
‘Ik heb me opgewonden.
Hoe drukker het was, hoe meer ik voelde.
Ik stond er.
Of ik bang was? Natuurlijk! Ik kende die jongens.
Ik ben geklommen en heb geroepen. En toen hebben ze opgeruimd.
Ze zeiden: daar laten we Poppe niet voor draaien.’

In de loop der jaren. ‘De dienst, de bank en het bedrijf zijn allemaal verdwenen. Het had z’n charmes maar dat kan niet meer. Ook het werk zelf. Als er kwam deden de bodes. Wij zorgden. Dat waren dingen. Tegenwoordig wordt dat geregeld. Het werk gaat van lieverlee de kant op van werk. Wel jammer, maar niet tegen te houden. Verder is het vrijer geworden. Er heerst cultuur. De deuren staan open en we spreken elkaar aan. Tenminste elkaar. Als er bezoek is, doen we weer netjes. Dan is het bij wijze van spreken. En zo hoort het ook.’

Drijfhout heeft zijn werk gedaan.

Een prachtbaan.
Als je een beetje bent, gaat het vanzelf.

Poppe Drijfhout: ‘We kregen de hand.’    
Poppe Drijfhout: ‘We kregen de hand.’