Annelies Jorna, H.P. Lovecraft

Published: 17/09/2014

Tags: prose

Een piepjonge H.P. Lovecraft waagt zich aan een detective, hier vertaald door Annelies Jorna. Bijdrage uit nY #21, 'De nieuwe speurders'.

 

ornament


Hoofdstuk I
DE TOMBE VAN BURNS

’t Was het eind van de ochtend in ’t Lieflijk Dorpje Mainville, en veel treurige mensen stonden bij de Tombe van Burns. Joseph Burns was dood. (voor hij doodging had hij ’n rare opdracht gegeven: —“Als u mijn lichaam in de tombe te ruste legt, moet u dit balletje op de grond leggen op de plek aangeduid met “A”.” En toen had hij een gouden balletje aan de predikant gegeven.) De mensen waren erg rouwig om zijn dood. Na de dienst, sprak mijnheer Dobson (de predikant): “Vrinden, ik ga de laatste wens van de dode vervullen.” En dus daalde hij af in de tombe. (om dat balletje op de plek aangeduid met “A” te leggen) Algauw wou de rouwgroep niet langer wachten, en mijnheer Ch. Greene (de advocaat) ging toen ook de tombe in om hem te halen. Na een poos kwam die terug met een geschrokken gezicht en sprak, “Mijnheer Dobson is WEG”!


Hoofdstuk II
DE MYSTERIEUZE MIJNHEER BELL.

 ’t Was om 10 minuten over 3 ’s middags toen de deurbel van Villa Dobson luid klingelde, en de huisknecht ging opendoen voor een ouder heerschap met zwart haar en bakkebaarden. De persoon wou juffrouw Dobson spreken. Toen hij bij haar was sprak hij: “Mej. Dobson, het is mij bekend waar uw vader is, en voor 10.000 dollar bezorg ik hem terug. Mijn naam is Bell.” “Mijnheer Bell,” zei juffrouw Dobson, “excuseer als ik even de salon verlaat?” “Welzekers,” antwoordde mijnheer Bell. Algauw was ze terug en sprak: “Mijnheer, ik begrijp alles. U hebt mijn vader ontvoerd en eist losgeld”

 

Hoofdstuk III
OP HET POLITIEBUREAU.

’t Was om 20 minuten over 3 ’s middags toen op Politiebureau Noordeinde ’t telefoontoestel driftig rinkelde, en Gibson (de telefoonman) de hoorn opnam en vroeg wat er aan de hand was, en een vrouwenstem hoorde gillen: ‘Het gaat om de verdwijning van mijn vader!’ De dame vervolgde: “Mijn naam is juffrouw Dobson, en mijn vader is ontvoerd. “Stuur King John!” King John was een heel beroemde speurder in ’t westen. Ook rende er toen een man naar binnen, en die schreeuwde van: “O! Vreeslijk! Kom naar het Kerkhof!”

 

Hoofdstuk IV
HET RAAM IN DE WESTMUUR

We zijn terug in Villa Dobson. De heer Bell stond verstomd van de juffrouw haar openlijke woorden, en toen hij zijn tong terugvond zei hij: “Zeg dat niet zo openlijk, juffrouw Dobson, want dan…’ Hij werd de mond gesnoerd door de komst van King John, die met getrokken pistolen de uitweg door de deur versperde. Maar de sluwe Bell vloog als de wind naar een raam in de westmuur, —en sprong.

 

Hoofdstuk V
HET GEHEIM VAN HET GRAF.

We zijn terug in ’t politiebureau. De verwarde man werd kalmer en toen kon ie zijn verhaal logisch vertellen. Hij had drie kerels op het kerkhof bespied die schreeuwden van “Bell! Bell! Waar ben je, oude baas!?” en heel verdacht deden. Hij sloop stiekum achter die kerels aan en zij gingen de Tombe van Burns in! Hij spionneerde ze en zij raakten een springveer aan bij een plek aangeduid met “A” en waren zomaar ineens Verdwenen”. “O, was King John maar hier”, zuchtte Gibson, “Wat is uw naam,”? “John Spratt”. Antwoordde de bezoeker hem.

 

Hoofdstuk VI
DE JACHT OP BELL.

We zijn terug in Villa Dobson:—King John wist niet hoe ie ’t had bij de Onverwachte Vlucht van Bell, maar toen hij bijkwam van de schok, dacht hij gelijk aan een achtervolging. Daarom zette hij de achtervolging in. (Op de ontvoerder). Hij achtervolgde de schurk naar ’t Spoorweg Station en zag met schrik dat die op de trein sprong naar Kent, een grote stad in het zuiden, waar ze niet aan telegram of telefoon deden met Mainville. De trein vertrok voor zijn neus!

 

Hoofdstuk VII
DE NEGERKOETSIER.

De trein naar Kent vertrok om 5 minuten over half 11, en om 6 minuten over half 11 holde ’n drukdoende moeë heer(*) die onder ’t stof zat ’t kantoor van Rijtuigmaatschappij Mainville in en riep tegen een negerkoetsier bij de deur —“Rij mij in een kwartier tijd naar Kent en je krijgt ’n hele dollar”. “En hoe mot ik daar gerake,” sprak de neger, “als ik geeneens geen deugdlijk span paarde heb en geen—” “Twee dollar”! Riep de Reiziger, “goed dan” zei de Koetsier.

(*)King John.

 

Hoofdstuk VIII
BELL WORDT VERRAST.

’t Was 11 uur ’s avonds in Kent, en al de winkels waren dicht op eentje na, ’n vies, vuil winkeltje in West. Dat stond tussen de haven en Spoorwegen Station Kent & Mainville. Voorin smiespelde een man van onduidelijke leeftijd in een armoedig pak met een middelbare vrouw met grijze haren, “Ik ben akkoord gegaan met het akevietje, Lindy,” zei hij, “Bell komt om half 12 aan en paard en wagen staan klaar om hem naar de kade te brengen, waar vannacht nog een schip naar Afrika afvaart”.

“Maar als King John komt opdagen?” vroeg “Lindy”

“Dan worden wij op heterdaad betrapt en wacht Bell de strop” Antwoordde Het heerschap.

Toen werd er op de deur gebonst “Ben jij Bell”? vroeg Lindy “Ja” klonk het antwoord, “En ik heb de trein van 5 over half 11 gehaald en King John keek op zijn Neus en wij zijn veilig”. Om tien minuten over half 12 kwamen ze bij de Steiger, en zagen daar in de duisternis een schip opdoemen. “De Kedive” “van Afrika” stond er op de boeg, en Net toen ze wouden inschepen, kwam een heer uit ’t donker tevoorschijn en riep “John Bell, ik arresteer u in naam der Koningin”!

Het was King John.

 

Hoofdstuk IX
DE RECHTSZAAK

’t Was de dag van de Rechtszaak en iedereen stroomde naar Het Bosje, (waar ze in de zomers Rechtszaken deden) Om de rechtszaak bij te wonen tegen John Bell op beschuldiging van ontvoering. “Mijnheer Bell,” zei de rechter, “wat is het geheim van de Tombe van Burns”

“Ik zeg alleen” sprak Bell, “dat u daarachter komt als u de tombe in gaat en een plek aanraakt die aangeduid is met “A””

“Waar is mijnheer Dobson”? vroeg de rechter streng, “Hier”! klonk een stem achter hen, en De gestalte van mijnheer Dobson dook IN LEVENDE LIJVEN op in de deuropening.

“Hoe komt u hier”!enz. riepen ze allemaal in koor. “’t Is een heel verhaal,” sprak Dobson.

 

Hoofdstuk X
DOBSONS VERHAAL.

“Bij mijn afdaling in de tombe,” Sprak Dobson, “Was het daar beneden pikzwart, en ik zag geen hand voor ogen. doch na een poos ontdekte ik de letter “A” in witte verf op de onyxen vloer, en ik legde het balletje op de letter, en dadelijk klapte een valluik open en sprong een man tevoorschijn. ’t Was hem daar,” (zei hij (wijzende op Bell, die Bevend in de beklaagdenbank stond) “en hij sleurde me omlaag in een felverlichte, vorstelijke ruimte waar ik tot op de dag van vandaag moest Verblijven. Op een keer stormde een jongeman binnen die schreeuwde van “Het geheim is onthuld!” en weer wegrende. Mij zag hij niet. Op een andere keer liet Bell zijn sleutel liggen, en ik maakte toen een afdruk in was, en zat de hele volgende dag sleutels te vijlen om in ’t slot te passen. De daaropvolgende dag paste ’n sleutel erin. En de daar weer op volgende dag (oftewel vandaag dus) kon ik ontsnappen.”

 

Hoofdstuk XI
HET MYSTERIE ONTRAFELD.

“Waarom vroeg wijlen J. Burns u dat balletje daar neer te leggen”? (bij die “A”?) vroeg de rechter? “Om mij het leven zuur te maken” antwoordde Dobson “Hij, en Francis Burns, (zijn broeder) spanden al vele jaren tegen mij samen, maar ik kon niet vermoeden op welke wijze zij mij kwaad wouden doen”. “Arresteer Francis Burns”! schreeuwde de Rechter.

 

Hoofdstuk XII
HET VONNIS.

Francis Burns, en John Bell, werden veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. De heer Dobson kreeg een warm welkom van zijn dochter, die intussen met King John was getrouwd. “Lindy” en haar medeplichtige moesten 30 dagen gevangenzitten in ’t gevang van Newgate als hulpers en handlangers van een voortvluchtige boef.
 

Einde.

Prijs 25 cent.



H.P. Lovecraft omstreeks 1900H.P. Lovecraft omstreeks 1900