redactie nY-web

Published: 10/01/2018

Tags: politics debate Jeroen Mettes

In het dossier over veelstemmigheden en de gemeenschappen die ze creëren uit nY#34 – de inleiding bij het dossier kun je hier lezen – publiceerden we een aantal stevige nieuwe lezingen van het werk van Jeroen Mettes.

Een reeks gedichten van Nguyễn Nam Chi bevat een korte beschouwing over de giftige, witte taal die Mettes in zijn grote gedicht N30 laat hercirculeren. Van Obe Alkema ontvingen we ook een kritische kijk op dit recente referentiepunt van de Nederlandse experimentele poëzie, met speciale aandacht voor het heteronormatieve karakter ervan. Met een eenvoudige, zeer elegante ingreep transformeert hij de vaak repressieve seksualiteit van de tekst en opent deze voor een homo-erotische lezing, die de tekst op soms verrassende manier verrijkt.

Samuel Vriezen, samensteller van het dossier, vraagt zich naar aanleiding van een ‘Brief over gemeenschap’ van Çağlar Köseoğlu – inmiddels redacteur van nY – af wat de daadwerkelijke politieke betekenis is van het dichterlijke denken over gemeenschap. Bestaat er onder het links-intellectuele publiek voor deze poëzie wel voldoende begrip voor het gevaar van ‘de mogelijke exclusiviteit van gemeenschap’? Wordt er binnen de experimentele, politiek bewuste literatuur en kunst niet te makkelijk een beroep gedaan op de openheid van het opene? Een werk dat ruimte biedt aan tal van stemmen en perspectieven, of dat een of andere ‘dissensus’ ten tonele voert, heet dan al snel democratisch of zelfs radicaal. De vraag is volgens hem of openheid of geslotenheid van een tekst wel fundamenteel tegengestelde bepalingen zijn, die het zonder nadere kwalificaties kunnen stellen.

Het dossier noopte oud-redacteur van yang Daniël Rovers tot een polemische reactie. Onder de titel ‘Het beton van de nuance’, een gepassioneerde verdediging van het werk van Jeroen Mettes, neemt hij het op voor de openheid en radicale democratie van N30 en benoemt hij het maatschappijkritische belang ervan, dat volgens hem schuilt in de wijze waarop het vormen van discriminatie en uitsluiting hekelt en steeds weer de maatschappelijke consensus – de rechtse nachtmerrie van de jaren 1999-2005 – doorbreekt.

Samuel Vriezen reageerde op zijn beurt met een open brief, waarin hij stelt dat N30 juist gelezen moet worden als een tekst die weerstand biedt aan representatie, ook – of juist – representaties van het opene. In plaats daarvan leest hij het gedicht op een positieve en tegelijk onmogelijke manier als ‘een inoculatie met wereldgif, die immuniteit tegen de wereld wil opwekken.’

Hoe exclusief is het denken over gemeenschap in literatuur? Zijn meerstemmige teksten altijd open of bevatten ze hun eigen blinde vlekken en geslotenheid? En welke gemeenschappen maken ze mogelijk, in de literatuur, maar ook daarbuiten? Onze kolommen zijn geopend.