Gijsbert Rutten

Published: 30/06/2011

Tags: history essay yang archive

Gijsbert Rutten over Twe-spraack vande Nederduitsche letteren (1584), de eerste grammatica van het Nederlands, die eigenlijk een verkapte monoloog blijkt te zijn, en de valkuilen van het nationalisme. Uit het dossier 'Dialoog', yang 40.3 (2004).

 

Pantagruel is niet zachtzinnig. De reus­achtige held uit Rabelais’ roman uit 1532 ontmoet in Orléans een Parijse student. Een dialoog ontspint zich, waarin Panta­gruel uitblinkt in eenvoudige vragen, aan­vankelijk heel vriendelijk: ‘Mon amy, dont viens tu à ceste heure? (1)maar al spoedig wat geprikkeld: ‘Et a quoy passez vous le temps, vous aultres messieurs estudians audict Paris?’ (2) Die irritatie wordt veroor­zaakt door de antwoorden van de student, die op zijn beurt uitblinkt in een mystifice­rend verhaspelen van Frans en Latijn. Zo luidt zijn repliek op de eerste vraag: ‘De Valme, inclyte et célèbre académie que l’on vocite Lutèce.’ (3) Deze pocherige taalver­menging werkt Pantagruel zo op zijn zenu­wen, dat hij de student bij zijn keel grijpt en dreigt met nog meer fysiek geweld – waar­op de snoever uitbarst in een zuiver dialec­tische smeekbede hem te sparen. ‘A ceste heure partes tu naturellement’ (4),  conclu­deert Pantagruel tevreden. De gewone omgangstaal en de geleerdentaal zijn weer ordelijk gescheiden. De scène is dus even­zeer een pleidooi voor zuiver Latijn, als voor het gebruik van Frans in de plaats van Latijn.

Een halve eeuw later, in 1584, begint de eerste grammatica van het Nederlands met een soortgelijk, zij het minder hilarisch straattafereel. ‘Bon jours Neef,’ roept het personage Roemer uit, en Gedeon ripos­teert: ‘ghoeden dagh Cozyn.’ (5) Dat ant­woord verbetert de Franse groet in zijn Ne­derlandse pendant en voegt er ironisch het gallicisme ‘cozyn’ als alternatief voor ‘neef’ aan toe.

Twee mensen (of een mens en een reus in het geval van Pantagruel) ontmoeten el­kaar en voeren een dialoog over taalver­menging en taalzuiverheid. Het zijn geliefde onderwerpen in het zestiende-eeuwse West-Europa: de onderlinge verhouding van de talloze gesproken taalvariëteiten, de integratie daarvan tot een bovengeweste­lijke (spreek- en) schrijftaal, de relatie tot prestigetalen als Latijn en Frans.

Deze kwestie van zuiverheid en puur­heid vs. vermenging en verbastering gaf ook aanleiding tot speculatie over de oor­sprong en ouderdom van talen, en in het voetspoor daarvan werden de meest fan­tastische etymologieën bedacht. Berucht is de stelling van Goropius Becanus: het Nederlands, en meer in het bijzonder het dialect van Becanus’ geboortestad Ant­werpen, zou de oudste taal ter wereld zijn, de taal van het paradijs met andere woor­den. De gangbare benaming voor de spreektaal, Diets of Duits, demonstreert die hoge ouderdom: het zou een verbaste­ring zijn van doutst ofwel de oudste. Dit soort ophemeling van de eigen moedertaal tot paradijselijke proporties komt tot diep in de zeventiende eeuw veelvuldig voor.


Twe-spraack: dialoog


De eerste grammatica van het Nederlands heet Twe-spraack vande Nederduitsche let­terkunst, kortweg Twe-spraack. Met die titel is de puristische toon gezet. ‘Twe­spraack’ is een vernederlandsing van het oorspronkelijk Griekse ‘dia-loog’, ‘letterkunst’ is een vertaling van het Latijnse ‘ars grammatica’ (van Grieks ‘gramma’ dat ‘let­ter’ betekent). Hier schrijft men, zelfbe­wust, een grammatica van het Nederlands, maar vooral ook in het Nederlands.

Veel belangrijker nog dan de vertaling van Latijnse en Griekse termen is de oppo­sitie met het Frans, de taal die het alle­daagse leven steeds meer penetreerde. Daarvan is de openingsdialoog een tref­fend voorbeeld: men behoort ‘ghoeden dagh’ te zeggen in plaats van ‘bon jours’, ‘neef’ in plaats van ‘cozyn’.

De vergelijking met andere talen speelt op allerlei niveaus een rol in de Twe-­spraack. De auteurs verdedigen het schrij­ven van een Nederlandse grammatica on­der verwijzing naar andere taalgebieden: de Fransen, Spanjaarden en Italianen publi­ceren ook over hun taal, proberen die te zuiveren van buitenlandse invloeden, en werken aan grammaticale voorschriften. En, niet te vergeten, bij hen bloeien litera­tuur en wetenschap – een verband tussen interesse voor de taal en de bloei der kun­sten is gauw gelegd.

Als eerste grammatica van een Euro­pese volkstaal geldt Gramatica de la len­gua Castellana van Antonio de Nebrija uit 1492. Nederlands is dus inderdaad niet de eerste taal die met een grammatica ver­eerd werd, en ook niet de eerste die in een geleerd vertoog, vaak in dialoogvorm, werd verheerlijkt. In 1525 verscheen al Pietro Bembo’s Prose della volgar lingua, in 1535 schreef Juan de Valdés zijn Diálogo de la lengua, in 1542 zag Sperone Speroni’s Dialogo delle lingue het licht en Joachim du Bellay publiceerde in 1549, geïnspireerd door zijn Spaanse en Italiaanse voorgan­gers, La Deffence et Illustration de la lang­ue francoyse, die als het manifest van de Pléiade de geschiedenis in zou gaan. En het waren met name Pléiade-dichters als Ronsard die nieuwe literaire voorbeelden zouden vormen. Wanneer de Twe-spraack de afwisseling van staand en slepend rijm bepleit, wordt bijvoorbeeld opgemerkt: ‘ghelyck wy zien dat de Fransóyzen doen’. (6)


Dialoog van culturen


Zo vond de verheerlijking van de moeder­taal in de Twe-spraack steeds plaats in de context van vergelijking en oppositie. Ver­gelijking met de prestaties die in andere taalgebieden en in andere culturele omge­vingen werden geleverd: reglementering van de taal in grammatica’s en verkenning van haar mogelijkheden in de literatuur. Op­positie als strijdbare variant: wanneer de vergelijking negatief uitvalt, is het zaak naar een toekomstig positief resultaat te streven. Op het gebied van de taalkunde moest de Twe-spraack zelf de verandering teweegbrengen. In de literatuur was de hoop misschien gevestigd op Hendrik Laurensz. Spiegel, die als de auteur van de anoniem gepubliceerde Twe-spraack geldt en met zijn Hert-spiegel (1614) een gewel­dige poëtische ethica het licht deed zien; of op Dirck Volckertsz. Coornhert, die de voor­rede voor de Twe-spraack schreef en als literair auteur al een reputatie had opge­bouwd; of ook op Roemer Visscher, perso­nage in de Twe-spraack en in werkelijkheid geen onverdienstelijk dichter. En uiteraard was de verwachting dat nu er een gramma­tica was, toekomstige literatoren meer houvast hadden en als vanzelf beter zou­den gaan schrijven. Dat niet veel later Hooft, Bredero, Coster, Vondel, Huygens, Cats en Roemers dochter Maria Tessel­schade zich manifesteerden, zou de zes­tiende-eeuwse taalactivisten plezierd heb­ben.

Behalve een dialoog tussen twee perso­nages over de Nederlandse taal, was de Twe-spraack dus ook een neerslag van de culturele dialoog die de verschillende taal­gebieden met elkaar voerden. De Neder­landse taal en letterkunde waren in een dialoog verwikkeld met onder meer de Franse, Italiaanse, Spaanse taal en letter­kunde, en dit is niet meer dan een feitelijke constatering van het ‘dialogische’ principe dat Bakhtin ten grondslag legde aan alle menselijk handelen. Identiteit komt niet, als een attribuut, toe aan een entiteit op zichzelf, maar bestaat dankzij de relatie tussen entiteiten. ‘Nederlandsheid’ kon dus alleen maar als regulatief idee voor een culturele identiteit ontwikkeld worden in een dialoog met Fransheid, Spaansheid et cetera. Het genre van de dialoog leende zich daar uitstekend voor, zoals geïllustreerd in de aangehaalde dialogen uit de Twe-spraack en Pantagruel.

Als het schrijven van een grammatica van de Nederlandse taal een onderdeel is van het vormen van een Nederlandse iden­titeit, moet wel duidelijk zijn welke woorden echt Nederlands zijn en welke verbasterin­gen, ontleningen, quasi-Nederlands. Tot op het niveau van het individuele woord pene­treert de dialogische verhouding van taal- ­en cultuurgebieden daarmee de taalkundi­ge beschrijving. Mooie voorbeelden van dit dialogisch principe vinden we in de Twe­-spraack. Is ‘kap’ een oorspronkelijk Neder­lands woord of een verbastering van het Franse ‘cappe’? De Nederlandsheid van het woord wordt onderzocht in de relatie met het Franse equivalent, en natuurlijk blijkt ‘kap’ echt Nederlands. De onweerleg­bare argumenten: het is eenlettergrepig – in de gehele vroegmoderne taaltheorie een indicatie van oorspronkelijkheid – en boven­dien breed inzetbaar: ‘een kap, ick kap, zy verzet haar kap, de kap vant huis, verkapt’. Die brede functionaliteit is ook een aanwij­zing dat we met een oorspronkelijk Ne­derlands woord te maken hebben; leenwoorden, is de gedachte, zullen niet zo gauw in afwijkende betekenissen en in af­leidingen en samenstellingen opduiken. Tel daarbij op dat de Fransen afstammen van de Franken, die Duits spreken, en dat de Franse taal een samenraapsel is van ver­basterd Latijn en Duits/Nederlands, en het bewijs is geleverd. ‘Kap’ is oorspronkelijk Nederlands, ‘waar na de Franssen ghe­bóótst hebben, cappe’. (7)


Nationalisme


De geschiedkundige duiding van de cultu­reel-dialogische situatie waarin de Twe-­spraack zich bevindt, luidt doorgaans ‘nationalisme’. Het is kenmerkend voor de zich formerende natie-staten en centralisti­sche, administratieve democratieën dat zij ter ideologische ondersteuning streven naar culturele homogeniteit. Wanneer dus in de zestiende eeuw de Republiek der Ver­enigde Nederlanden de soevereiniteit op­eist en verzeild raakt in een lange oorlog met de Spanjaarden, is het niet meer dan normaal dat aan culturele zijde wordt gepoogd een Nederlanderschap te definië­ren dat samenvalt met de politieke gren­zen: Nederland is het land dat wij bewonen, Nederlands de taal die we spreken, Ne­derlands de literatuur die we schrijven.

De meeste historici erkennen intussen dat deze nationalistische interpretatie ver­wijst naar een ontwikkeling die pas veel later, namelijk in de decennia rond 1800, tot volle wasdom komt. Het nationalisme als ideologie is immers een typisch product van de late achttiende eeuw en kent zijn hoogtijdagen in de negentiende en de twin­tigste eeuw. Maar de erkenning dat het nationalisme zo’n recent fenomeen is, za­delt ons wel met een probleem op ten aan­zien van de periode ervoor, toen immers ook al die nationalistische tendensen bestonden. Inventief als historici zijn, be­dachten ze dat we vanaf de zestiende eeuw tot 1800 dan niet te maken hebben met nationalisme van het zuivere soort, maar met iets als ‘proto-nationalisme’ of ‘opko­mend nationaal bewustzijn’. (8)

De grap is nu dat als we die metafoor, want dat is het, van ‘opkomend nationaal bewustzijn’ uitwerken, we hem als vanzelf herschrijven in een negentiende-eeuws vocabulaire. ‘Opkomend’ brengen we in verband met groei, het voorspruiten van het een uit het ander, met organische ont­wikkeling en teleologie, ‘opkomst en onder­gang’, vooruitgang dus ook, en causaliteit. Het idee dat de geschiedenis onderworpen is aan een causaal regime dat zich ken­merkt door een rationele en organisch gefa­seerde ontwikkeling in de richting van een al dan niet gedefinieerd hoger doel of zelfs einddoel, typeert het laat-achttiende- en

negentiende-eeuwse denken, en een goed deel van het twintigste-eeuwse erbovenop, van Herder tot Hegel en Marx en Spengler, van Edward Gibbons The Decline and Fall of the Roman Empire (1776–1788) tot Jona­than Israels veelgeprezen The Dutch Repu­blic. Its Rise, Greatness, and Fall (1995). Historische perioden zijn in een logische volgorde aaneengeschakeld en gebeurte­nissen worden temporeel ontleed in een ‘begin’, ‘opkomen’ of ‘kiemen’, vervolgens de gebeurtenis zelf en ten slotte haar ‘ondergang’, ‘uitsterven’ en ‘naweeën’.

Over ‘nationaal’ kan ik kort zijn. De (ge­politiseerde, dus niet louter etnologische) betekenis die wij geven aan ‘natie’ en ‘na­tionaal’ is al even ‘nationalistisch’ en dus negentiende-eeuws als ‘opkomend’. Het­zelfde geldt voor ‘bewustzijn’. Het idee dat een volk begiftigd is met een bewustzijn dat daarom als ‘nationaal’ gekenschetst kan worden, dat er in de bekende Duitse termi­nologie zoiets als een Volksgeist is, kunnen we terugvoeren op de cultuurfilosofie van de late achttiende en de negentiende eeuw – met opnieuw Herder als een belangrijke bron.

Geschiedkundige interpretaties van nati­onalisme, proto-nationalisme en opkomend nationaal bewustzijn blijken gevangen te zitten in het gepolitiseerde vocabulaire van de natie-staat. De terminologie is recht­streeks herleidbaar tot precies die periode in de geschiedenis die volgt op de periode die men onderzoekt, ofwel: men kan maar beweren dat de tijd voor pakweg 1800 proto-nationalistisch is, wanneer men er­van uitgaat dat de periode vanaf 1800 per se nationalistisch was, wanneer men ver­onderstelt dat het nationalisme is ‘voorbe­reid’, is ‘opgekomen’ in de eeuwen eraan voorafgaand en dat het nationalisme zelf de eigenlijke historische gebeurtenis is. Kortom: wanneer men, uiteindelijk, ge­schiedenis bedrijft in de termen van de natie-staat.

Die ideologische lading van de taal van ‘nationalisme’ en ‘proto-nationalisme’ noopt tot een interpretatie van de dialoog van culturen als datgene wat zij eenvoudig­weg is: een dialoog van culturen.


Dialoog – monoloog


Wat doet de Twe-spraack dan, als zij geen voorbeeld is van opkomend nationaal bewustzijn en proto-nationalisme? Verge­ten we even die nationalisme- en dialoog­-van-culturen-kwestie en kijken we naar de basale dialogische relatie: die van mens tot mens. Op dat fundamentele niveau ont­moeten we de twee personages, Roemer en Gedeon. Roemer is de achteloze taalgebruiker, Gedeon de taalbewuste corrector. Met Roemer moet de lezer zich identifice­ren, door Gedeon moet hij zich laten onder­wijzen. De verhouding tussen Roemer en Gedeon is vergelijkbaar met die tussen Gedeon en de lezer: Gedeon heeft een ver­haal te vertellen en wij, inclusief Roemer, mogen luisteren.

Vaak doet de Twe-spraack daarom niet zozeer denken aan een echt gesprek van twee gelijkwaardige geesten, maar aan sommige dialogen van Plato, waarin Sokra­tes’ scherpzinnige relaas alleen maar on­derbroken wordt door een enkele en dan meestal nog ondoordachte opmerking van een van zijn gesprekspartners. Die feite­lijke Socratische monoloog was voor Bakhtin een reden om de ‘dialogiciteit’ van deze Platoonse dialogen te betwijfelen. (9) Een dialoog leeft van de ‘polyfonie’ van de verschillende stemmen. Het subject ge­bruikt zijn stem om zichzelf in de dialoog kenbaar te maken en zich te positioneren. En om betekenissen, niet in de laatste plaats met betrekking tot zijn eigen be­staan, te produceren. Dialogisme is dan niet alleen een taalfilosofische analyse van de productie van betekenis (zoals bij ‘iden­titeit’), maar riekt ook naar een ethische imperatief. Wie het dankzij zijn voortduren­de monoloog anderen onmogelijk maakt deel te nemen aan een dialoog, wie de po­lyfonie van stemmen reduceert tot homo­fonie, ontzegt zijn medemensen tevens de mogelijkheid van betekenisproductie. Als we ons bovendien nog realiseren dat een waardig menselijk bestaan volgens Bakh­tin, die bekend was met Buber (10), zich alleen kan vormen in de dialogische ver­houding met de medemens, moeten we de conclusie trekken dat types als Sokrates en Gedeon verhinderen dat hun gesprekpartners goede mensen worden.

Gedeon verhaalt niet in de eerste plaats over zichzelf, maar over een taal. Welke taal? In de Twe-spraack heet het de taal ‘welcke van Brug af to Ry ende Revel tot streckt’, dus van Brugge tot de Baltische hoofdsteden Riga en Revel (Tallin). Toe­gegeven, in dat gigantische gebied is die taal ‘wel iet wat inde uytspraack versche­lende / maar zo niet of elck verstaat ander zeer wel’ (11); de verschillen zijn alleen maar dialectisch. Nu is er veel te zeggen voor een, deels tot op de dag van vandaag voortbestaand, Noord-West-Europees dia­lectcontinuüm, maar dat is nog geen reden om van één taal te spreken. Wat een taal is, wordt besloten: door heersers, taalkun­digen, ministers van cultuur. Gedeon zet niet de grammatica van een trans-dialec­tische eenheidstaal voor het hele Hanzegebied uiteen, hij beslist dat de gram­matica van zijn ‘Nederduitsch’ in feite Hollands is – de ‘taal’ die Gedeon cohe­rentie wil verlenen door het verhaal van haar grammatica te vertellen. De verwijzing naar dat grote gebied van Brugge tot Tallin is zuiver ideologisch: een poging het terri­torium van het nog te smeden coherente Nederduitsch uit te breiden.

De taal die Gedeon op het oog heeft, het Nederduitsch, bestaat dus niet, maar haar grammatica dan ook niet. Het schrijven van een grammatica creëert de taal die ogen­schijnlijk slechts beschreven wordt. In wer­kelijkheid was er geen Hollands, laat staan Nederduitsch. Er waren al die taalvariëtei­ten, verschillend van stad tot stad, van dorp tot dorp, zoals ze in sommige streken in Nederland en België nog steeds be­staan. Gedeon en Roemer en de auteur van de Twe-spraack bevonden zich in een situ­atie van verregaande heteroglossia, de meest letterlijke vorm ervan, wel te ver­staan. Heteroglossia duidt op de veelvou­digheid van de discoursen waartoe een tali­ge uiting kan behoren. Een uiting maakt deel uit van een potentieel oneindig aantal coherente, betekenis producerende tek­sten. De stem die haar doet, geeft daarom slechts een van vele mogelijke interpretaties. De pluriformiteit van alle mogelijke interpretaties bestaat op haar meest ele­mentaire of letterlijke niveau in de dialecti­sche verscheidenheid van het medium waarin de betekenisproductie plaatsheeft. Het schrijven van de grammatica van een taal die (nog) niet bestaat, derhalve, is een poging een einde te maken aan de wanor­de van deze vorm van heteroglossia.

De wanorde van heteroglossia voert naar de ‘interne’ grondslag van de Twe-­spraack. Het boek plaatste, zoals gezegd, de Nederlandse taal en cultuur in een dia­logische oppositie met Frans, Spaans en Italiaans; een Nederlandse identiteit moest aldus geconstrueerd worden. Daarvoor moest echter wel de ‘binnenlandse’ diver­siteit overwonnen worden. Het scheppen van een literatuur van wereldformaat gaat natuurlijk niet, wanneer de een ‘du’ schrijft, de ander ‘gij’ en een derde ‘jij’. Die meest letterlijke verschijningsvorm van hetero­glossia zoekt de Twe-spraack te elimine­ren.

De coherentie van de taal bestaat in haar grammatica. De grammatica stelt een wet: elke vorm van heteroglossia is uitge­sloten; ‘monoglossia’ (zoals het tegendeel meestal wordt genoemd) is het devies. De interne grammaticale wet verleent de taal een duurzaamheid die haar sterk maakt op het internationale podium van de dialoog van culturen, waarbij cultuur dus duidelijk een taalgebonden begrip is, dat in de eer­ste plaats verwijst naar literaire productie.


Nationalisme herbekeken


De interventie van de Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst was een poging met de constructie van een homogene taal­cultuur orde te brengen in de chaos van heteroglossia, en op de markt van literatu­ren en culturen te concurreren met Frans, Spaans, Italiaans. Ik heb aan het begin van dit essay, in een historisch cliché, de Twe-spraack geïntroduceerd als de ‘eerste grammatica van het Nederlands’. Klopt dat eigenlijk? Het was toch de grammatica van een nog niet bestaand Nederduitsch? Maar van welk ‘Nederlands’ is de Twe-spraack dan de eerste grammatica?

Het tijdperk van het nationalisme, dat omstreeks 1800 inzette, bracht ons niet alleen de eerste literatuurgeschiedenis­sen, zoals die van Jeronimo de Vries (1808–1809) en Jonckbloet (1868–1872), en vaderlandse geschiedenissen, zoals die van Michelet, maar ook taalkundige projec­ten die de taal van de natie moesten vast­leggen: de officiële grammatica van Wei­land uit 1805, de spellingregelingen van Siegenbeek (1804) en De Vries & Te Winkel (1863), het Woordenboek der Neder­landsche Taal (vanaf 1864). Kan men van Weiland en de spellingregelingen nog vol­houden dat ze een synchrone doelstelling hebben, het WNT grijpt terug tot in de zes­tiende eeuw. Sterker nog, de eerste ge­schiedenis van de taalkunde, door Annaeus Ypeij (1812), gaat terug tot de voor-Christelijke, Bataafse oudheid. Ook in de negentiende eeuw verschijnen historische grammatica’s die de ontwikkeling van het Nederlands door de eeuwen heen traceren en het Middelnederlandsch Woordenboek van Verwijs en Verdam (vanaf 1882). Lange ketens van continuïteit worden gesmeed.

Saillant is intussen dat Ypeij zich ge­noodzaakt ziet aan het begin van zijn uit­eenzetting verantwoording af te leggen over zijn gebruik van het woord ‘Nederlandsch’ en het verschil met ‘Nederduitsch’. Om als serieuze wetenschap geaccepteerd te worden had de linguïstiek (opgevat als syn­chrone taalstudie) een welomschreven ob­ject nodig, zoals de succesvolle en daarom tot voorbeeld strekkende natuurweten­schappen dat hebben, en de filologie (i.e. de historische taalwetenschap) leverde dat object. Zo ontstonden er grammatica’s van ‘het’ Oudfrans, dat als eenheid natuurlijk nooit bestaan heeft. (12) In de natiestaat Nederland gebeurde hetzelfde: Ypeij defini­eert ‘Nederlandsch’ tegenover ‘Neder­duitsch’; de historische grammatica’s en het Middelnederlandsch Woordenboek brengen coherentie aan in het pluriforme taalmateriaal uit het voorbije millennium. Aan de negentiende-eeuwse taalweten­schap hebben we dan ook zo’n indeling te danken als Oud-Nederlands – Vroegmiddelnederlands – Laatmiddelnederlands – Vroegnieuwnederlands – Nieuwnederlands, een indeling die de temporele opeenvolging van de mutaties aan een geïsoleerd object beschrijft: het Nederlands door de eeuwen heen; een indeling dus die het historisch verloop van een bovenhistorische entiteit omvat, die de biologische ontwikkelingsmo­dellen imiteert, en bovenal een indeling die, net als de ‘samenzwering van linguïs­tiek en filologie’ (Fleischman) door en door ideologisch gekleurd is.

Een Noord-West-Europees dialectconti­nuüm kunnen we ons wel voorstellen in de middeleeuwen, en ook daarna. De uitroep van Gedeon dat het Nederduitsch zich uit­strekt van Brugge tot Tallin mag dan als ideologisch gekwalificeerd zijn, een ideolo­gie kan toch niet functioneren wanneer zij op geen enkele wijze correspondeert met de ervaring. In ieder geval hebben de Hol­landse handelaren zich waarschijnlijk in het hele Oostzeegebied in hun moederdialect verstaanbaar kunnen maken. Maar een grammatica van het Oudfrans of een woor­denboek van het Middelnederlands is, al­dus Fleischman, een ‘grammatical fiction’. De beschrijving van allerlei taalvariëteiten onder een noemer en die dan nog als voor-fase van de eigen taal kwalificeren (oud-, middel-), is niets anders dan het retrospec­tief aanbrengen van monoglossia in een door en door heteroglossiale situatie.

Met andere woorden: de betiteling van de Twe-spraack vande Nederduitsche let­terkunst als ‘de eerste grammatica van het Nederlands’, zoals aan het begin van dit betoog, is typisch een geval van wat Elie Kedourie al kernachtig aanduidde als ‘nati­onalist historiography’: een poging een deel van het verleden in te lijven bij het heden.


Noten


1 Geciteerd naar François Rabelais, Pantagruel. Ed. Verdun L. Saulnier. Parijs, 1946, p. 32. De vertaling luidt: ‘Waar kom jij vandaan op dit uur van de dag, vriend?’, geciteerd naar François Rabelais, Gargantua en Panta­gruel. Vertaald en ingeleid door J.M. Vermeer-Pardoen. Amsterdam, 1996, p. 227 (↑)

2 Rabelais, Pantagruel, p. 32. Vertaling van Vermeer-Pardoen, p. 227: ‘En waar brengen de heren studenten hun tijd zoal mee door in dat Parijs van jullie?’ (↑)

3 Pantagruel, p. 32. Vertaling, p. 227: ‘Wan de alma, incluta en celebere academia die men Lutetia vocat’, door Vermeer-Pardoen, p. 367 verklaard als: ‘Van de alma mater, de beroemde en befaamde academie van Parijs.’ (↑)

4 Pantagruel, p. 34. Vertaling, p. 229: ‘Zo, nu praatje weer gewoon.’ (↑)

5 Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst, Leiden, 1584, p. 1 (geciteerd naar ed. G.R.W. Dibbets. Assen -Maastricht, 1985) (↑)

6 Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst. Leiden, 1584, p. 57-58 (↑)

7 Zie Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst. Leiden, 1584, p. 2-4 (↑)

8 Bijv. Huizinga (1940), Garber (1989), Hampton (2001), en ook Hobsbawm (1990) (↑)

9 Maar zie Kristeva 1980: 81, die juist Bakhtins dialogische interpretatie van Plato’s dialogen benadrukt (↑)

10 Martin Buber (1878–1965), auteur van het dialogische Ich und Du (1923) (↑)

11 Zie Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst. Leiden 1584, p. 110 (↑)

12 Zie Fleischman 1996 (↑)


Literatuur


Bakhtin, M., The Dialogic Imagination. Four Essays. Ed. M. Holquist & C. Emerson. Austin, 1981

La Charité, R., ‘Reflexion-divertissement et intertextualité: Rabelais et l’écolier limousin’. Textes et intertextes: Etudes sur le XVIe siècle peur Alfred Glauser. Eds. F. Gray & M. Tetel. Parijs, 1979: 93-103

Evans, F., ‘Bakhtin, Communication, and the Polities of Multiculturalism’. Constellations. An International Journal of Critical and Democratic Theory 5, 1998: 403-423

Fleischman, S., ‘Medieval Vernaculars and the Myth of Monoglossia: A Conspiracy of Linguistics and Philology’. Literary History and the Challenge of Philology. The Legacy of Erich Auerbach. Ed. S. Lerer. Stanford, 1996: 92­104

Friedrich, C., ‘Bachtins Polyphonie der Stimmen. Ein Dialogkonzept zwischen Moderne und Postmoderne’. Deutsche Zeitschrift für Philosophie 43, 1995: 90-102

Garber, K. (ed.), Nation und Literatur im Europa der Fruhen Neuzeit. Tübingen, 1989

Hampton, T., Literature and Nation in the Sixteenth Century. Inventing Renaissance France. Ithaca – Londen, 2001

Hobsbawm, E.J., Nation and nationalism since 1780. Programme, myth, reality. Cambridge, 1990

Holquist, M., Dialogism. Bakhtin and his world. Londen – New York, 1990

Huizinga, J., Patriotisme en nationalisme in de Europeesche geschiedenis tot het einde der 19e eeuw. Haarlem, 1940

Kedourie, E., Nationalism. Oxford – Cambridge, 1993 [1960]

Kristeva. J., ‘Word, dialogue, and novel’. Desire in Language. A Semiotic Approach to Literature and Art. Oxford 1980: 64-91

Nikulin, D., ‘Mikhail Bakhtin: A Theory of Dialogue’. Constellations. An International Journal of Critical and Democratic Theory 5, 1998: 381-402

Rabelais, F., Pantagruel. Ed. Verdun L. Saulnier. Parijs, 1946

Rabelais, F., Gargantua en Pantagruel. Vert. J.M. Vermeer-Pardoen. Amsterdam, 1996

Todorov, T., Mikhail Bakhtin. The Dialogical Principle. Vert. W. Godzich. Manchester, 1984

Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst (1584). Ed. G.R.W. Dibbets. Assen – Maastricht, 1985

Ypeij, A., Beknopte geschiedenis der Nederlandsche tale. Utrecht, 1812

Twe-spraack: dialoog

De eerste grammatica van het Nederlands heet Twe-spraack vande Nederduitsche let­terkunst, kortweg Twe-spraack. Met die titel is de puristische toon gezet. ‘Twe­spraack’ is een vernederlandsing van het oorspronkelijk Griekse ‘dia-loog’, ‘letterkunst’ is een vertaling van het Latijnse ‘ars grammatica’ (van Grieks ‘gramma’ dat ‘let­ter’ betekent). Hier schrijft men, zelfbe­wust, een grammatica van het Nederlands, maar vooral ook in het Nederlands.

Veel belangrijker nog dan de vertaling van Latijnse en Griekse termen is de oppo­sitie met het Frans, de taal die het alle­daagse leven steeds meer penetreerde. Daarvan is de openingsdialoog een tref­fend voorbeeld: men behoort ‘ghoeden dagh’ te zeggen in plaats van ‘bon jours’, ‘neef’ in plaats van ‘cozyn’.

De vergelijking met andere talen speelt op allerlei niveaus een rol in de Twe-­spraack. De auteurs verdedigen het schrij­ven van een Nederlandse grammatica on­der verwijzing naar andere taalgebieden: de Fransen, Spanjaarden en Italianen publi­ceren ook over hun taal, proberen die te zuiveren van buitenlandse invloeden, en werken aan grammaticale voorschriften. En, niet te vergeten, bij hen bloeien litera­tuur en wetenschap – een verband tussen interesse voor de taal en de bloei der kun­sten is gauw gelegd.

Als eerste grammatica van een Euro­pese volkstaal geldt Gramatica de la len­gua Castellana van Antonio de Nebrija uit 1492. Nederlands is dus inderdaad niet de eerste taal die met een grammatica ver­eerd werd, en ook niet de eerste die in een geleerd vertoog, va

Twe-spraack: dialoog

De eerste grammatica van het Nederlands heet Twe-spraack vande Nederduitsche let­terkunst, kortweg Twe-spraack. Met die titel is de puristische toon gezet. ‘Twe­spraack’ is een vernederlandsing van het oorspronkelijk Griekse ‘dia-loog’, ‘letterkunst’ is een vertaling van het Latijnse ‘ars grammatica’ (van Grieks ‘gramma’ dat ‘let­ter’ betekent). Hier schrijft men, zelfbe­wust, een grammatica van het Nederlands, maar vooral ook in het Nederlands.

Veel belangrijker nog dan de vertaling van Latijnse en Griekse termen is de oppo­sitie met het Frans, de taal die het alle­daagse leven steeds meer penetreerde. Daarvan is de openingsdialoog een tref­fend voorbeeld: men behoort ‘ghoeden dagh’ te zeggen in plaats van ‘bon jours’, ‘neef’ in plaats van ‘cozyn’.

De vergelijking met andere talen speelt op allerlei niveaus een rol in de Twe-­spraack. De auteurs verdedigen het schrij­ven van een Nederlandse grammatica on­der verwijzing naar andere taalgebieden: de Fransen, Spanjaarden en Italianen publi­ceren ook over hun taal, proberen die te zuiveren van buitenlandse invloeden, en werken aan grammaticale voorschriften. En, niet te vergeten, bij hen bloeien litera­tuur en wetenschap – een verband tussen interesse voor de taal en de bloei der kun­sten is gauw gelegd.

Als eerste grammatica van een Euro­pese volkstaal geldt Gramatica de la len­gua Castellana van Antonio de Nebrija uit 1492. Nederlands is dus inderdaad niet de eerste taal die met een grammatica ver­eerd werd, en ook niet de eerste die in een geleerd vertoog, vaak in dialoogvorm, werd verheerlijkt. In 1525 verscheen al Pietro Bembo’s Prose della volgar lingua, in 1535 schreef Juan de Valdés zijn Diálogo de la lengua, in 1542 zag Sperone Speroni’s Dialogo delle lingue het licht en Joachim du Bellay publiceerde in 1549, geïnspireerd door zijn Spaanse en Italiaanse voorgan­gers, La Deffence et Illustration de la lang­ue francoyse, die als het manifest van de Pléiade de geschiedenis in zou gaan. En het waren met name Pléiade-dichters als Ronsard die nieuwe literaire voorbeelden zouden vormen. Wanneer de Twe-spraack de afwisseling van staand en slepend rijm bepleit, wordt bijvoorbeeld opgemerkt: ‘ghelyck wy zien dat de Fransóyzen doen’. (6)

ak in dialoogvorm, werd verheerlijkt. In 1525 verscheen al Pietro Bembo’s Prose della volgar lingua, in 1535 schreef Juan de Valdés zijn Diálogo de la lengua, in 1542 zag Sperone Speroni’s Dialogo delle lingue het licht en Joachim du Bellay publiceerde in 1549, geïnspireerd door zijn Spaanse en Italiaanse voorgan­gers, La Deffence et Illustration de la lang­ue francoyse, die als het manifest van de Pléiade de geschiedenis in zou gaan. En het waren met name Pléiade-dichters als Ronsard die nieuwe literaire voorbeelden zouden vormen. Wanneer de Twe-spraack de afwisseling van staand en slepend rijm bepleit, wordt bijvoorbeeld opgemerkt: ‘ghelyck wy zien dat de Fransóyzen doen’. (6)