Fiep van Bodegom

Published: 15/11/2018

Tags: Jeroen Mettes

Ik ben geen machine die interpretaties genereert. Ik ben een moderne vrouw.”

 

1.

Er staat plotseling een monoliet in mijn achtertuin die niets reflecteert en de maker beweert dat ie daar eigenlijk altijd al stond. Ik kan het niet negeren en het is te zwaar om te verteren. Het ligt als een steen op de maag.

 

2.

Jeroen Mettes schreef zelf literatuurkritiek – grappig, scherp, snobistisch, rigoureus. En een werk dat dichtgetimmerd is tegen de literatuurkritiek. We kunnen er geen interpretatie aan geven op het niveau van betekenis of thema’s. Het werk is bedoeld als een gebeurtenis. Dus hoe N30 op zijn beurt dan weer te bespreken als literatuurcriticus?

 

Er is een essay waarin hij toelichting geeft op zijn poëzie, tegen beter weten in, namelijk ‘Politieke poëzie: enige aantekeningen. – Poetica bij N30 (versie 2006)’. En er is het essay over de relatie tussen de schrijver en de lezer of meer precies een benadering van de activiteit lezen, met de titel ‘Schrijven en lezen’. In dat laatste essay schrijft Mettes:

 

Wat blijft is een gedicht: een ritmisch testament opgesteld door de dichter, afgemaakt door de lezer – maar nooit helemaal afgemaakt. Iets moet onverteerbaar blijven, niet omdat het onbegrijpelijk en verheven is, maar omdat lezen niet op de eerste plaats begrijpen is.”

 

Dus misschien is de vraag: wat is lezen dan wel?

 

3.

Wie ben ik om meer van een tekst te willen dan de tekst zelf? Tegelijk: is het niet de taak van een lezer in deze wereld altijd meer van een tekst te willen dan die kan geven? Simpelweg omdat het verwerpelijk is in deze wereld te leven en tevreden te zijn met wat al is. Het is moeilijk schrijven als altijd alles op het spel staat, het is verraad te schrijven alsof niet altijd alles op het spel staat. Mettes schrijft literatuurkritiek zoals ik zou willen dat ik het kon – met woede. Als ik het verkocht zou krijgen. Ik denk niet dat ik het verkocht zou krijgen. Dus betaal ook ik mijn huur met gehuichel. “Ik walg van elke keuze die ik moet maken” maar:

 

De status quo.

De huizenmarkt.

De liefde.

 

 

4.

Toen ik de uitnodiging kreeg om hier te spreken ter gelegenheid van de overdracht van de bibliotheek van Jeroen Mettes aan het Poëziecentrum, zei ik ja. En toen begon ik te twijfelen. Nu moet ik zeggen dat ik over elke opdracht twijfel, en of ik nu ja of nee had gezegd, van beide zou ik spijt hebben gehad.

 

Al vrij snel begon ik me af te vragen: Waarom heeft het poëziecentrum mij gevraagd? Ik scrolde door het Exceldocument met de titel “Boeken Jeroen Poëziecentrum” die een overzicht gaf van de boeken die nu worden overgedragen. De titels waren alfabetisch gerangschikt in enigszins idiosyncratische rubrieken: ‘Boeken’, ‘zeer goede boeken met aantekeningen’, maar ook simpelweg ‘goede boeken.’ Het was een soort van kaart, denk ik.

 

Ik wil niet altijd Mr. woke Feminism uithangen, om met Mettes te spreken, maar in de bibliotheek weinig vrouwen (veel Kathy Acker wel, viel me op) en nog minder mensen van kleur. Hebben ze daarom mij gevraagd? Dit is een knagend wantrouwen dat geenszins persoonlijk is, in de zin dat het niet beperkt is tot mijzelf of deze specifieke instelling. En dat is dan ook precies een onderdeel van het huidige politieke debat dat het werk van Mettes op een, bijna tragische manier, dateert. Hij was een blogger die er duidelijk trots in stelde op de hoogte te zijn – ja het klinkt walgelijk, maar net iets minder dan niet op de hoogte te zijn, toch? – en de zinnen uit N30 zijn materiaal dat is onttrokken aan de wereld op dat moment. Tijdens een avond in Perdu ter ere van Mettes, in een tekst die later is gepubliceerd in het tijdschrift nY, sprak de dichteres Nguyễn Thị Mai daarover. Zij stoorde zich aan “de manier waarop hij bepaalde woorden aanhaalt, woorden zoals allochtoon en het N-woord. Daarnaast vallen etnische identiteiten binnen zijn zinnen opvallend vaak samen met negatieve associaties of stereotypen.” Ze maakte een selectie uit N30 van wat ze “‘de witte taal van Mettes,” of “de giftige taal van Mettes” noemt omdat, volgens Nguyễn Thị Mai “het benadrukken van giftige taal en het oproepen tot een verantwoordelijk circuleren van taal in de lijn ligt van het poëtische (en daarmee politieke) project van Jeroen Mettes.” Ze verantwoordt deze selectie tot slot met de conclusie dat “In het circuleren van taal schuilt beslissing, schuilt subjectiviteit, schuilt verantwoordelijkheid.” Als je het met Nguyễn eens bent, en de meeste lezers lijken het zonder meer eens te zijn met de premisse dat Mettes’ werk ten diepste geëngageerd is, is dit een verantwoordelijkheid waar je niet aan voorbij kan gaan. Niet om de tekst een verwijt te maken of het te ‘ondermijnen’ – ik hoop dat je de aanhalingstekens hoort, Mettes heeft zich aan mijn taal opgedrongen – maar om het werk uit te laten strekken in het heden en de toekomst. Die taak is nu aan ons, er bestaat geen argeloos lezen. Ik wilde er niet over beginnen en ik wilde er niet niet over beginnen dus hierbij, voilà.

 

5.

Ik koos een paar boeken uit de bibliotheek van Mettes. Ik keek naar de boeken in de bibliotheek die overlappen met mijn eigen boekenkast. Boeken die mijn nieuwsgierigheid opwekten. Ik vroeg me af, heel banaal, heeft de grote schrijver dit echt allemaal gelezen? Ik was vooral benieuwd wat die aantekeningen in de boeken waren en gelukkig hadden ijverige Mettesianen de betreffende pagina’s al ingescand. Ik koos De verbeelding van de bibliotheek, een verzameling vroege essays van Michel Foucault over literatuur. En ik was benieuwd naar Mettes’ aantekeningen in Maurice Blanchot. Ik kreeg de scans toegemaild. Dit was een van de onderstreepte passages in ‘Literature and the Right to Death.’ Misschien kan ik het voor zichzelf laten spreken:

 

Negation cannot be created out of anything but the reality of what it is negating; language derives its value and its pride from the fact that it is the achievement of this negation; but in the beginning, what was lost? The torment of language is what it lacks, because of the necessity that it be the lack of precisely this. It cannot even name it.”

 

6.

Als criticus is er bij elke bespreking weer de vraag: “beoordeel ik een werk naar wat ik verlang dat poëzie of literatuur is of beoordeel ik een werk naar de maatstaven van de maker?” En de volgende vraag is dan logischerwijs, heb ik überhaupt een coherent idee van wat ik van een werk verlang en valt er ooit te achterhalen wat de doelstellingen van de auteur waren? Op het eerste kan ik volmondig en beschaamd negatief antwoorden, het laatste is, in het geval van Mettes, niet eens zo moeilijk. De doelstellingen zijn het probleem niet, het is het wurgende verlangen naar iets wat nog niet is, een bom die in het gezicht van de lezer ontploft. Nog net geen spijkerbom, meer een rookbom. Je ogen gaan er flink van tranen.

 

7.

Ik word gevraagd poëzie te lezen die er uitziet als proza. Ik word gevraagd het te lezen alsof het geen consumptieartikel is. Ik word gevraagd het te lezen alsof het geen statussymbool is, hoe klein ook de niche waarin het überhaupt status heeft. Ik word gevraagd het te lezen met het besef dat het beide van de voorgaande dingen is en toch te lezen alsof het geen van beide is. ‘Alsof’ is niet het woord; het te lezen totdat of terwijl ik vergeet dat ik aan het lezen ben, misschien. Ik word gevraagd het te lezen en ondertussen te vergeten dat er een schrijver is en een lezer, maar toch ook niet.

 

 

8.

Ik geef jullie geen samenhangende visie op het werk van Mettes. Geen verhandeling over het concept, taal, tijd of politiek of wat poëzie is of zou moeten zijn volgens Mettes, hoewel dat allemaal had gekund aan de hand van het werk. Lees maar zijn Weerstandsbeleid. Nieuwe kritieken. Wat ik jullie geef zijn de aantekeningen van een lezer op de taal van een persoon die zijn weerslag vond op een website, en in een manuscript en toen in een boek dat postuum uitgeven en verzorgd is door een groep vrienden en gelijkgestemden en dat ik gekocht heb in de boekhandel van Perdu in Amsterdam omdat de dichters die ik daar ontmoette en die vrienden werden, zeiden dat ik Mettes moest lezen.

 

Een tekst is evenzeer van de lezer als van de schrijver. Een bibliotheek een verzameling teksten, een verzameling mensen, niet alleen de afwezigen die door hun tekst spreken, maar vooral ook de levenden, de lezers die eromheen samenkomen.

 

9.

In het gedicht ‘als witte mannen hun bek houden gaat de revolutie sneller’ munt Nguyễn Thị Mai de goedgevonden en licht geringschattende term Mettesfanboy. Een dichter voor jonge (mannelijke) dichters die politiek wilden zijn, maar niet wisten hoe en dus poëzie schreven met de woorden kapitaal en globalisme en neoliberalisme erin. Maar dat is slechts één kant – toch weer een ruimtelijke metafoor – van het werk. Als ik deze poëzie lees, lees ik ook bij elke nieuwe zin het besef van de tevergeefsheid van poëzie. En toch heeft de schrijver uren, dagen, maanden, jaren volhardt om poëzie te schrijven. Dat is ontroerend, misschien. Daar kan ik me over verwonderen. Ok, dat laatste was een grapje.

 

10.

Wat staat er op het spel in de poëzie, of meer in het algemeen de literatuur? Je zou kunnen zeggen, alles. Of, voor de meeste mensen, eigenlijk niets. Maar voor de schrijvers zelf dan? Voor sommige lezers? Prestige misschien, geld, geldingsdrang, ambitie? Dat is doorgaans de consensus; elke individu doet alles om er uiteindelijk zelf beter van te worden. Maar er zijn ook andere motieven, waar doorgaans bijna besmuikt over wordt gesproken. Namelijk, hoop en liefde en een besef van wat belangrijk is – vrijheid – wat dat ook mag zijn – lichamen en levens in de wereld – en een besef dat de hoop voor deze lichamen in de wereld, deze bubbels van bewustzijn nooit op onmiddellijke wijze kan worden weergegeven. Hoop, misschien niet voor ons, maar wel ergens.

 

11.

En bij het lezen van N30 moest ik, vanzelfsprekend, denken aan Adorno. Ik doel niet op die zin over de onmogelijkheid van dichten na Auschwitz, dat veelvuldig in het werk zelf terugkomt - “Op de koffie bij de familie van je vriendin na Auschwitz is onmogelijk,” om één voorbeeld te noemen - maar een stuk uit Minima Moralia, een titel die natuurlijk ook in de bibliotheek aanwezig is. Maar ik kon zo snel niet zien in welke taal. Ik had alleen een Engelse versie bij de hand. Dus, met excuses, citeer ik in het Engels:

 

'Doctor, that is kind of you. – Nothing is harmless anymore. The small joys, the expressions of life, which seemed to be exempt from the responsibility of thought, not only have a moment of defiant silliness, of the cold-hearted turning of a blind eye, but immediately enter the service of their most extreme opposite. Even the tree which blooms, lies, the moment that one perceives its bloom without the shadow of horror; […] there is no longer any beauty or any consolation, except in the gaze which goes straight to the horror, withstands it, and in the undiminished consciousness of negativity, holds fast to the possibility of that which is better.”

 

En de zin die steeds in het hoofd blijft hangen is: “Zelfs de boom in bloei liegt op het moment dat men de bloesem aanschouwt zonder de schaduw van afschuw.” En wat me altijd het meest is opgevallen aan deze zin is dat niet – of niet alleen – de toeschouwer liegt wanneer hij iets moois aanschouwt in de wereld, maar de zo wonderschoon bloeiende boom zelf.

 

Later in hetzelfde aforisme schrijft Adorno: “Every visit to the cinema, despite the utmost watchfulness, leaves me dumber and worse than before.” Om Mettes maar weer eens te citeren: “Snobs hebben ten minste een idee van beschaving”

 

12.

Mettes is een dichter die overal nee op wil zeggen, maar dan toch weer een weg vindt om ja te zeggen, tegen beter weten in. Ik citeer uit ‘Politieke poëzie’:

 

Politieke poëzie – pure poëzie – moet problematisch zijn, en niet op een maniëristische manier. Ja, haar probleem is op de eerste plaats háár probleem – het bestaan van poëzie in dezelfde wereld als het dagblad – maar daardoor ook tegelijk ook altijd het probleem van iedereen (het probleem van een wereld überhaupt).”

 

13.

Samuel Vriezen parafraseert de poëtica van Mettes in de voortdurende, neem ik aan, discussie op nY als volgt: “Mijns inziens gaat deze onzekerheid bij Mettes terug op een spanning die inherent is aan het probleem van het hele project: immanentie. Jeroen wil liefst zijn gedicht voor zich laten spreken, alleen, niet om de gebruikelijke reden – dus niet om een modernistische smetteloze autonomie van het werk te beschermen. N30 is juist zeer poreus, doordringbaar voor de wereld, besmet en besmettelijk. Nee, de tekst moet juist op alle momenten en door iedereen betreedbaar zijn, en dan een plek vormen waar bedoeling kan oplossen. Dit betreft lezer zowel als schrijver – hun wederzijdse ritmes wissen elkaar uit, zo leren we uit het dichte slotstuk van het essay ‘Schrijven en lezen’, waarbij die uitwissing als een soort infinitesimale gebeurtenis het enige is dat de historiciteit van de literair tekst garandeert (en tevens lezer en schrijver blijvend scheidt). Wil dit kans hebben, dan mag de tekst niet ‘overgecodeerd’ worden (om het deleuziaanse jargon te gebruiken) door een of andere sturende betekenis, een bedoeling van de schrijver.”

 

14.

Ik zou zeggen dat deze tekst niet poreus is maar ondoordringbaar. Een granieten monoliet die walging lekt. Er is heel veel bedoeling. Er kan blijkbaar wel iets uit, maar er kan niets meer in, misschien. Het spijt me, ik kan niet schrijven zonder metaforen. Maar waar dwingt dat graniet me toe? In samenhang met de toelichting van de dichter zelf dwingt het me om mezelf tegenover de tekst te plaatsen. Niet wat ik heb gelezen elders, maar mezelf. En wat bedoel ik met mezelf? Daarmee bedoel ik dit lichaam, dit door de wereld en het kapitalisme gedetermineerde lichaam. Ik bedoel de instantie die leest en terwijl die leest is het niet alleen in het heden, maar ook elke herinnering die het, of ik, bevat. Ik bedoel een ik dat niet buiten de taal kan zijn. Het ik schudt de hand van de dichter. En ik denk: ik moet rouwen om deze planeet, ik moet kinderen krijgen, ik moet geen kinderen krijgen, ik moet gaan werken voor vluchtelingenhulp, ik moet meer filosofie lezen, ik moet uitzoeken wanneer de treinen teruggaan. Ik moet een manier vinden van leven en schrijven waarin woede niet uitsluitend zelfverwondend is. Ik moet…

 

15.

Maurice Blanchot schrijft in het essay ‘The Power and Glory’: “It is true: when two writers meet they never talk about literature (fortunately); their first remarks are always about politics.” Dit weet ik omdat Jeroen Mettes deze regel heeft onderstreept in zijn exemplaar.

 

Ik zag een zin - een mens met een gezicht en een geslacht en een manier van kleden en fietsen - en ik dacht: daar gaat een man.

 

--

 

Dit is een bewerking van een bijdrage uitgesproken ter gelegenheid van de overdracht van de bibliotheek van Mettes aan het Pöeziecentrum Gent op 20 oktober 2018. Via de bibliotheek van het poeziecentrum kan het publiek nu de boeken – met en zonder aantekeningen – raadplegen.