Annick Blumfeld, Piet Joostens, Marc Reugebrink

Published: 5/05/2013

Tags: translation essay yang archive psychoanalysis

Door Prof. dr. Anninck Blumfeld. Uit yang 2003 nr. 3, 'Uit het kinderparadijs'. Vertaling en bewerking door Piet Joostens en Marc Reugebrink.

Het gebeurt niet zelden dat wij in onze medische praktijk op aandoeningen stuiten die zich met de klassieke schema’s weliswaar ten dele, maar niet geheel laten verklaren. Als arts staat men in dergelijke gevallen meestal met lege handen en wordt men bovendien geconfronteerd met een moreel dilemma: de voorhanden therapieën zouden naar onze inschatting de problemen en kwellingen van de patiënt wellicht ten dele kunnen verlichten, maar blijven anderzijds een flagrante ontkenning van de diepste aandriften die tot zijn anomalieën hebben geleid, zodat van werkelijke genezing geen sprake kan zijn. Veeleer werken wij in zulke gevallen mee aan een soort omgekeerd freudianisme en lijken de door ons aangeboden therapieën vooral gericht op de verdringing van datgene wat zij nu juist zouden willen helpen genezen. Dit lijkt ons het geval te zijn bij een verschijnsel waarover in de literatuur tot op heden weinig tot niets te vinden is, het zogeheten infantilisme. [1] 

Infantilisme is de niet te onderdrukken, overweldigende drang om luiers en/of babytoebehoren te dragen en/of zich als een pasgeborene te laten behandelen. Zo bezien gaat het hier om een aandoening die met klassieke regressietherapieën maar moeilijk te behandelen valt. Het, populariserend gezegd, ‘teruggaan tot de kindertijd’ om daar de bron van actuele en acute neuroses op te sporen en langs die weg tot genezing te komen, lijkt hier zelf de kern van een nieuwe neurose te vormen. [2] Pogingen die aberrante gedragingen te verbinden met voorvallen uit de eigen jeugd versterken die gedragingen in de meeste gevallen alleen maar.

Dat laatste heeft ongetwijfeld te maken met het gegeven dat infantilistische bezigheden vaak, zij het niet altijd, een sterk erotiserend effect hebben. Zij die zich eraan overgeven verschaffen zich een zeker genot en/of een gevoel van troost en/of verlichting. Men kan echter zeggen dat deze infantilistische activiteiten ook altijd een zekere hoeveelheid libidineuze energie absorberen, waardoor de patiënt niet zelden in conflict raakt met de verwachtingspatronen van zijn of haar partner. Het maakt dat de infantilistische aandriften gewoonlijk gepaard gaan met een zeer groot schaamte- en vooral schuldgevoel. In een enkel geval kan dit leiden tot het destructieve zelfbeeld van de pervertierte Pädophil, zoals een van hen het omschreef. Met pedofilie als zodanig heeft infantilisme echter weinig van doen, omdat het hier niet om geprojecteerde, maar om geïnternaliseerde onschuld gaat die door de volwassen infantilist vervolgens weer op zichzelf wordt geprojecteerd, of ‘geretrojecteerd’, zoals Bill Hammstein dat in een ander verband noemde. [3]

Het is juist het zelfbewustzijn van de infantilist dat maakt dat hij niet snel geneigd is met zijn aandoening buiten de eigen kring te treden. Het onderzoek dat wij de afgelopen drie jaar naar het fenomeen hebben verricht, was alleen mogelijk door in zekere zin toe te treden tot wat een zeer hechte gemeenschap van infantilisten bleek te zijn. Het door alle infantilisten gedeelde en ook als zodanig ervaren taboe maakt aanvankelijk eenzaam, maar wanneer eenmaal geestverwanten zijn gevonden, geeft men ruim baan aan de ‘verboden’ afwijking en kan het binnen de aldus gevormde gemeenschap zelfs leiden tot wat wel ‘wallowing in evil’ is genoemd [4] – de verlustiging aan het ‘verkeerde’. Typerend voor de infantilist is dat hij vrijwel nooit geneigd is zijn aandoening te legitimeren als iets wat binnen de samenleving zijn gerechte plek zou mogen opeisen. Het blijft, ook of juist wanneer men zich er aan overgeeft, ‘verkeerd’ en is zo beschouwd een schoolvoorbeeld van het ‘gekwadrateerd zondebesef’ zoals men dat vroeger aantrof in diep-religieuze kringen met betrekking tot masturbatie. [5]

In ons onderzoek hebben we ons vooral gebaseerd op de gegevens zoals we die op het internet konden vinden, de tot nu toe enige plek waar het verschijnsel zich ondubbelzinnig heeft geopenbaard. [6] Zoals wij elders al eens hebben betoogd lijkt het internet in toenemende mate de taken van de geestelijke gezondheidszorg, zo niet geheel over te nemen, dan toch voor een belangrijk deel te verlichten. [7] Gedekt door de relatieve anonimiteit van screen names en aliassen wordt in chatrooms en in diverse discussiefora een openhartigheid aan de dag gelegd die een psychiater normaliter niet dan na grote omwegen bij een patiënt weet te bereiken. Uiteraard is er aan het internet als informatiebron ook een nadeel verbonden. Ons onderzoek beperkte zich tot de inwoners van de geïndustrialiseerde samenlevingen (op het internet hadden wij alleen contact met Europeanen, Aziaten en Noord-Amerikanen). Gegevens met betrekking tot ontwikkelingslanden en de zogeheten ‘primitieve’ samenlevingen, waar de nieuwste technologieën immers nog niet zijn doorgedrongen, ontbreken voorlopig. Bovendien ontmoet men op het internet vooral mensen die hoger op de sociale ladder staan, waarschijnlijk omdat zij nu eenmaal gemakkelijker toegang krijgen tot een computer met internetaansluiting. Dit laatste lijkt aan verandering onderhevig te zijn en zal in de nabije toekomst onze waarnemingen dan ook beïnvloeden.

Binnen de aldus afgeperkte groep blijkt infantilisme zich voor te doen in alle leeftijdsgroepen, bij zowel adolescenten als bejaarden, bij hetero- en homoseksuelen, bij incontinente en niet-incontinente personen. Het percentage van de getroffen bevolking is moeilijk vast te stellen, maar valt zeker niet te onderschatten. Te oordelen naar het aantal personen dat websites betreffende deze problematiek bezoekt, kunnen we zonder voorbehoud stellen dat bijvoorbeeld in Québec alleen al duizenden mensen infantilistische neigingen vertonen.

Op dit ogenblik schatten wij dat er ongeveer twintig mannen op één vrouw met deze ‘conditie’ door het leven gaan. Hier moeten we wel aan toevoegen dat het een betwistbare schatting betreft. Ter verklaring voor de door ons vastgestelde verhouding kunnen we verschillende hypothesen aanvoeren, bijvoorbeeld dat mannen sneller en overvloediger toegang kregen tot het internet. Of ook: dat het stereotype van de kindvrouw (onbehaard, kwetsbaar, nood aan bescherming) vrouwen toelaat om hun infantilisme met een grotere sereniteit te beleven en dat zij bijgevolg minder behoefte hebben om hulp in te roepen. Het mannelijk stereotype daarentegen (sterk, beschermend, gespierd) stemt veel minder overeen met het beeld dat we hebben van de baby. Het mannelijk stereotype zou dan ook een groter psychisch conflict uitlokken en tot frequentere huwelijksproblemen leiden. Mannen, die minder comfortabel omgaan met hun aandrang, zouden daarom dus vaker op zoek gaan naar een verklaring van of een wijziging in hun gedrag.

Hoe dat ook zij, aangezien mannen nu eenmaal veel sterker vertegenwoordigd zijn op websites met betrekking tot infantilisme, zal ik het vervolg van mijn tekst hier toespitsen op het standpunt van de man. Dat vrouwen zich in wat volgt zullen blijven herkennen is geenszins verbazend, aangezien het gender van de infantilist tijdens zijn of haar praktijk zo goed als geen rol meer speelt. [8]

Infantilisten delen zichzelf op in twee groepen:

• De DL’s (Diaper Lovers) die genot en troost vinden in het dragen van luiers en in het gebruik van allerlei babytoebehoren (fopspenen, dekentjes, knuffelberen...)

• De AB’s (Adult Babies) die ernaar verlangen om als baby’s behandeld te worden, gewiegd, ingestopt en ververst willen worden en ervan houden dat men hen verhaaltjes vertelt. [9]

Bovendien moet men nog twee subgroepen onderscheiden:

• De Integristen, zij voor wie infantilistische praktijken volledig deel uitmaken van hun seksualiteit (voorspel, masturbatie, integrale geslachtsgemeenschap in babykleren);

• De Segretisten, zij die twee verschillende, gescheiden en naast elkaar bestaande vormen van seksualiteit beleven.

De (niet noodzakelijk seksuele) fantasieën verschillen en variëren van infantilist tot infantilist. Het is echter niet oninteressant te noteren dat zij die vroeger werden ververst met katoenen luiers (de oudste infantilisten) op zoek gaan naar voor volwassenen geschikte katoenen luiers, en dat zij die vroeger papieren luiers droegen (de jongsten) bij voorkeur gebruik maken van de op de markt beschikbare papieren incontinentieluiers. [10] Veel infantilisten koesteren dan ook het verlangen om de controle over hun urinewegen alsook alle anale controle te verliezen. Sommigen geven zich hiervoor zelfs over aan de nodige excessen: vochtafdrijvende medicijnen, inname van grote hoeveelheden vloeistof, laxeermiddelen, beluisteren van hypnotiserende cassettes, enzovoorts.

De grote meerderheid van de infantilisten bevestigt dat hun eerste verlangens in die richting zich manifesteerden toen zij nog zeer jong waren, rond de leeftijd van zeven jaar. Ondanks pogingen om een algemene deler te vinden voor de affectieve wonde die als oorzaak voor hun conditie zou kunnen gelden, is er ons inziens nog steeds geen overtuigende verklaring gevonden. In sommige gevallen bieden de klassieke verklaringsschema’s nog wel enig soelaas, bijvoorbeeld waar blijkt dat enkele infantilisten slachtoffer zijn van seksueel of alleszins fysiek misbruik, danwel op zeer vroege leeftijd hun vader hebben verloren, een dominante, castrerende moeder hebben gekend en/of al te vroeg werden ‘drooggelegd’, in welks laatste geval het infantilisme een verheviging zou zijn van het anaal-retentieve complex dat meer wijdverbreid is, echter maar zelden tot extremen leidt en bovendien eenvoudig te behandelen is. In de meeste gevallen is er echter voor het optredende infantilisme niet een bepaalde gebeurtenis of factor uit de kinderjaren aan te wijzen.

Het is ongetwijfeld een van de redenen waarom er over infantilisme weinig tot geen wetenschappelijke literatuur te vinden is [11] : het ontbreken van een samenbindende factor lijkt van elke infantilist een geval apart te maken. Een andere reden houdt verband met het feit dat dit marginale gedrag niet wordt gecriminaliseerd (in tegenstelling tot bijvoorbeeld pedofiele neigingen) en niet werkelijk leidt tot fysieke trauma’s (in tegenstelling tot bijvoorbeeld sodomie of sadomasochistische praktijken). Ook zijn de gevolgen voor de onmiddellijke omgeving van de infantilist niet catastrofaal, althans niet in de mate als dat bijvoorbeeld bij alcoholisme en gokverslaving het geval is. Wij hebben hierboven echter al aangegeven dat de infantilist vaak in conflict raakt met de verwachtingspatronen van zijn of haar partner. Het internet leert ons dat meer dan één huwelijk stukloopt ten gevolge van het infantilisme van een der partners. Vele echtgenotes die hun relatie met een infantilist in stand willen houden, worstelen met ernstige problemen (depressies, frustraties, slecht zelfbeeld, in vraag stellen van de partnerkeuze en de daarmee verbonden eigen schuldgevoelens, zorgen over eventuele trauma’s die een en ander bij hun eigen kinderen teweeg zou kunnen brengen, jaloezie op de luiers van de partner, enzovoorts). Ook ontwikkelt de infantilist vaak allerlei bezigheden (hobby’s) die de normaal door volwassenen te verrichten taken in de weg staan, en in een enkel geval bleek infantilisme zelfs het verrichten van arbeid buitenshuis onmogelijk te maken. De echtgenote wordt op deze manier belast met een zwaardere opdracht dan zij aan kan, aangezien zij een groot aantal verantwoordelijkheden op haar schouders dient te nemen. Soms kan het infantilisme van een van de partners ook tot financiële problemen leiden (er hangt een stevig prijskaartje aan het beoefenen van infantilistische praktijken, zeker wanneer bijvoorbeeld een DL een voorkeur heeft voor de zoveel zachtere luiers van wasdoek zoals die vroeger in betere kringen gebruikelijk waren; onder de tweehonderd dollar zijn die niet te krijgen).

De belangrijkste reden voor het ontbreken van wetenschappelijke reflectie op het fenomeen ligt ons inziens echter in de double bind waarin de infantilist zichzelf gevangen houdt – een wurggreep die met de komst van het internet en het vinden van lotgenoten weliswaar wat losser is geworden, maar desalniettemin, zo blijkt op datzelfde internet, nog steeds tamelijk virulent is. Zij die hun heil zoeken bij vochtafdrijvende en laxerende medicamenten om de controle over urinewegen en ontlasting überhaupt te kúnnen verliezen, worstelen ernstig met de schuld- en schaamtegevoelens die hun drang naar genot en troost begeleiden, een drang die het echter telkens weer van schaamte en schuld wint. In het ernstigste geval leidt dit tot dissociatieverschijnselen – vooral bij segretistische DL’s en AB’s, die, vaak wanhopig, trachten hun aandoening voor hun partner te verbergen – die weliswaar alle kenmerken hebben van de meer klassieke schizofrenie en multiple personality disorder, maar met de daartoe bestemde therapieën en medicamenten niet kunnen worden verholpen. Op zich een bewijs voor de kracht van het taboe.

Ook het hier al genoemde ‘wentelen in het kwaad’, de in gezelschap van lotgenoten vrijwel totale en ogenschijnlijk ongeremde overgave aan de infantilistische neigingen, staat steeds onder het dictaat van een uiteindelijke zelfveroordeling en zelfverwijt. Blijkens de gegevens op het internet worden er wel afspraakjes gemaakt, infantilistische samenkomsten georganiseerd tijdens dewelke men rollen verwisselt (baby/volwassene) of gewoon over infantilisme discussieert, maar in de verslaglegging ervan en ook in de discussiefora en chatrooms ligt toch steeds de nadruk op het ‘zwarte mis’-karakter van de bezigheden, zoals één hunner het omschreef. Typerend is ook dat alle infantilisten, zonder noemenswaardige uitzondering, voordat zij toetraden tot de infantilistische kring, verwoede pogingen hebben gedaan om hun gedragingen af te zweren, om emotionele, maar ook om praktische (bijvoorbeeld legerdienst) of financiële redenen. In bijna alle gevallen slagen infantilisten er in om hun gedrag minstens een tijdlang te beheersen, maar het verlangen zelf is van blijvende aard, en voor velen een bron van diep psychisch lijden. Het is dan ook niet verwonderlijk om te lezen dat veel infantilisten verstrooid, depressief of gewelddadig worden zodra zij stoppen met het dragen van luiers en zich niet langer overgeven aan andere infantilistische praktijken. Het hernemen van die bezigheden biedt althans enig soelaas, ook al gaat het dan gepaard met de voor velen rotsvaste overtuiging dat men zich uit- en overlevert aan een, door menigeen zelf als ziekelijk omschreven slechtheid. De meeste infantilisten zijn uitermate defaitistisch ingesteld, wat nog maar eens bijdraagt aan het gesloten karakter van het infantilisme zelf. Men is niet snel geneigd hulp te zoeken omdat het probleem op voorhand als onoplosbaar is gediagnosticeerd. Een enkele keer wordt de stap naar de psychiater wel gezet. Er is een geval van iemand die dertig jaar lang verschillende therapieën uitprobeerde om van zijn aandriften verlost te raken, maar zonder succes. Waarschijnlijk wreekte zich hier het ontbreken van wetenschappelijke reflectie op de materie, zodat de juiste diagnose nooit werkelijk werd gesteld.

Binnen de psychiatrie staat het infantilisme nog in de kinderschoenen. Men kan het infantilisme weliswaar identificeren als een fetisjistische praktijk, maar het kan niet vergeleken worden met de verslaving aan bepaalde substanties of voorwerpen. Ook een vergelijking met homoseksualiteit levert hier niets op. Evenmin kan het worden gedefinieerd als een seksuele perversie (toch niet altijd), heeft het, als gezegd, niets te maken met pedofilie en is het geen obsessionele of compulsieve aandoening in klassieke zin. Wel kan men elementen van al deze categorieën terugvinden in infantilistisch gedrag. Wij zijn evenwel van mening dat infantilisme vooral een fenomeen op zich is dat zich met geen van de beschikbare therapieën goed laat behandelen. De psychiaters, psychologen, psychoanalytici en andere collegae die wij tot op heden hebben bezocht en ons probleem hebben voorgelegd met de vraag of er mogelijk therapieën zijn die het individu in staat stellen om van zijn infantilistische verlangens te worden bevrijd, zijn niet erg optimistisch en verzekerden ons dat de tijd en energie die men daartoe zou moeten investeren buiten proportie zouden staan tot het eigenlijke probleem en dat er hoe dan ook geen garantie bestaat dat eventuele therapieën tot enig resultaat van betekenis zouden leiden. Een somber vooruitzicht dat ons noopt voorlopig op zoek te gaan naar manieren om met het infantilisme te leven, om er mee in het reine te komen, ons te verlossen van het emotionele lijden dat ermee verbonden is en bijvoorbeeld de partner in het spel te betrekken en zo een aanvaardbaar compromis te vinden waardoor de infantilistische praktijken kunnen worden geïntegreerd in het dagelijks leven, zonder evenwel de amoureuze, familiale en andere sociale betrekkingen zodoende te compromitteren.

 

Noten

 
1. Het grotendeels ontbreken van wetenschappelijke literatuur mag overigens verbazingwekkend heten. In 1909 sprak Sigmund Freud al over ‘het allesbehalve zeldzame algemene infantilisme van het seksuele leven’. Vgl. Sigmund Freud, Over psychoanalyse. Vijf colleges (1909), vert. Thomas Graftdijk, Amsterdam 1991, p. 101. Het feit dat het idee verder door hem nergens werd uitgewerkt, biedt misschien een verklaring voor de veronachtzaming van het infantilisme in de vakliteratuur.

2. J. Th. Weismüller had het in zijn Der Affe am Gehirnstamm (München 1994) vanuit een meer cultuurhistorische invalshoek over het ‘hyper-freudianismus’ als typerend voor onze hedendaagse samenleving (p. 236 vlg.).

3. Vgl. B. Hammstein, Retrojection and the Disturbance of Self, New York 1985, met name pp. 122-141.

4. Zie Anna Richmond, ‘Wir haben es nicht gewusst’. Guilt and Innocence in the Third Reich’. Londen 1962, p. 477.

5. Zie bijv. G.J. Henssen, Onan: Teufel und Gott. Frankfurt am Main 1953.

6. Zie bijv. www.adultbabies.com

7. Annick Blumfeld, ‘Der elektronische Couch’; in: Elektra, jrg. 44, nr. 6, juni 1997, p. 213-222.

8. Men kan zich afvragen of er hier wellicht een verband is met ‘de amorfe infantiele seksualiteit van het pre-oedipale kind’, zoals beschreven in J. Lang en W. Wachsmuth (Hrsgs.), Praktische Psychologie. Band II, Dl. 3 Das Erwachen der Geschlechtlichkeit. Berlijn 1972.

9. De grens tussen beide categorieën is overigens heel vaag. Niet zelden treft men DL’s aan die niets liever willen dan dat men ze wiegt, instopt en een verse luier aandoet. Toch lijkt het regressieve aspect bij de DL’s minder belangrijk voor het opwekken van genot.

10. Op het internet kan men overigens inmiddels tal van artikelen bekomen die overeenstemmen met producten uit verschillende culturen en decennia van de twintigste eeuw. King size luiers met kindermotiefjes bijvoorbeeld, gedrukt op de voorkant of aan de lendenen, naar negentiende-eeuwse voorbeelden gemodelleerde rammelaars, op ouderwetse wijze met zeegras gevulde knuffelberen. Ook kan men de diensten inhuren van een gespecialiseerde nurse die u een heel kinderpark ter beschikking stelt, compleet met meubilair (wieg, bed...) dat perfect is aangepast aan de maten van adult babies.

11. K. Horath raakt het onderwerp even aan in zijn, overigens uitstekende studie Das verlorene Paradies (Berlijn 1999, p. 171-173); verder, maar nauwelijks in wetenschappelijke zin, bij P. Laval, Dictionnaire des obscénités modernes (Marseille 1997), waar het fenomeen vanuit een welbepaalde achtergrond als ronduit diabolisch wordt omschreven en met een ‘vous l’avez voulu, George Dandin’ wordt afgeserveerd. Zie verder nog: G.B. Bulent, ‘Shaking the Rattle’, in: Psychiatric Quaterly, jrg. 22 (2001), nr. 3, p. 127-139 (met de aankondiging van een al in 2002 bij Harvard Press te verschijnen, maar nog steeds niet gepubliceerde studie onder de titel Diapers, Dope and Do-it-yourself Manuals. Growing Up in a Suburban Wasteland ); en A. Blumfeld, ‘Wer sein Kind liebhat...’; in: Elektra, jrg. 46, nr. 1, januari 1999, p. 59-73.