Iannis Goerlandt, Sándor Radnóti

Published: 25/04/2012

Tags: essay politics philosophy

Sándor Radnóti over het cultuurbeleid (of het gebrek daaraan) van de Hongaarse regering-Orbán. Oorspronkelijk verschenen in nY #13.

 

De doodsteek voor het Lukács-instituut in Boedapest


György Lukács woonde in een mooi appartement aan de oever van de Donau in Boedapest. Na zijn dood werd de woning ingericht als archief en bibliotheek en deed ze dienst als een volwaardig onderzoeksinstituut. Het instituut fungeerde enerzijds als steunpunt en vraagbaak voor wetenschappers die het leven en werk van Lukács bestudeerden (ik herinner me ooit Jan Bloch, de zoon van Ernst Bloch, de weg naar het instituut te hebben gewezen), anderzijds zette het in op eigen onderzoek naar tekstreconstructies en de publicatiegeschiedenis van Lukács’ oeuvre. Op die manier werden enkele intellectuele parels uit Lukács’ vroege en filosofisch meest productieve periode boven water gehaald. Toen een gewetensvolle bankbediende uit Heidelberg in 1971 hoorde dat Lukács gestorven was, herinnerde hij zich dat er op die naam bij de bank al sinds 1917 een koffer in bewaring was. Meer dan een halve eeuw later bleek de beroemde vondst van Heidelberg onder meer esthetische en kunstfilosofische handschriften te bevatten, en men ontdekte dat Theorie van de roman oorspronkelijk als inleiding tot een boek over Dostojevski werd geschreven.

Het onderzoeksinstituut, György Lukács’ archief en bibliotheek, werd dit jaar na veertig jaar de facto opgedoekt. De vier excellente onderzoekers van het archief werden overgeplaatst naar de centrale bibliotheek van de academie, in de woning zelf bleef enkel een assistent over. Het is een kwestie van tijd voor het mooie appartement wordt verkocht. En mocht men deze voorspelling al te somber vinden, één ding is zeker: het kader van overheidswege voor onderzoek naar de grootste Hongaarse filosoof aller tijden bestaat niet meer.

Het Lukács-archief. (c) Sióréti Gábor

Het Lukács-archief


Cultuurpolitiek in Hongarije


Hongarije wordt in de wereldpers momenteel vaak genoemd omdat zijn dictatoriale regering met tweederde meerderheid in het parlement de scheiding der machten, de principes van de rechtstaat, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de persvrijheid en de godsdienstvrijheid heeft afgeschaft. Deze regering heeft een nieuwe en verre van door iedereen gedragen grondwet ingevoerd die de rol van het constitutioneel hof en het systeem van ombudsmannen zo goed als helemaal uitholt. Voor enkele sleutelposities (de voorzitters van de belastingsinspectie, het Rekenhof, de mediaraad, de procureur-generaal, enz.), alsook voor het ambt met de grootste symbolische waarde, namelijk dat van president, werd een batterij gedweeë partijmannetjes naar voren geschoven. De regering misbruikt haar verkiezingsoverwinning ook om te tornen aan het parlementaire systeem zelf: geregeld werden er fundamentele wetten aangenomen, waaronder enkele die met terugwerkende kracht werden ingevoerd, op basis van moties die door slechts één enkele afgevaardigde waren ingediend. Zo wordt de debatcultuur gefnuikt, die in normale omstandigheden mee de wetgevende macht reguleert: voor geen enkele kwestie treedt de regering nog met de oppositie in dialoog. De macht is volledig in handen van één man: minister-president Viktor Orbán.

De gevolgen van deze onvrije en steeds dictatorialere democratie op cultureel vlak zijn echter veel minder bekend. Het opdoeken van het Lukács-archief is een duidelijk voorbeeld van damnatio memoriae: het cultureel geheugen wordt gezuiverd van alle linkse tradities. De wet die ervoor moet zorgen dat het Kossuth-plein voor het parlement in Boedapest er weer uit zal zien als in 1944, zou een ideaal onderzoeksproject zijn voor Aleida Assmann. De standbeelden van Attila József, de grootste linkse Hongaarse dichter van de twintigste eeuw, en van de radicale democraat graaf Mihály Károlyi, de eerste president van de republiek, zullen beide het slachtoffer van deze enscenering worden.

Maar deze wet eigent zich meer toe dan alleen maar het beslissingsrecht over wat de natie zich al dan niet dient te herinneren. Ze geeft ook aanleiding tot een ware lastercampagne tegen de huidige links georiënteerde filosofen. Ikzelf was samen met Agnes Heller en Mihály Vajda, twee filosofen die ook in het buitenland bekendheid genieten, het mikpunt van die hetze. Tegen die campagne hebben heel wat collega’s, waaronder Jürgen Habermas, Julian Nida-Rümelin, Ruth Sonderegger, László Tengelyi, Albrecht Wellmer en negen Duitse filosofische verenigingen, protest aangetekend.

Nog voor hij verkozen werd, verkondigde de nieuwe minister-president al dat de sociaalliberale culturele elite en haar belangrijkste auteurs (daartoe behoren Péter Nádas, Péter Esterházy, György Konrád en Imre Kertész) als elite ‘mislukt’ waren.

 

Geen cultuurstrijd, maar culturele onverschilligheid


Men zou kunnen denken dat er in het licht van een dergelijke diagnose en van de gebeurtenissen na de regeringswissel een – met een term van Vilfredo Pareto – ‘elitewissel’ had moeten plaatsvinden. In de overheid en in de economie is dat ook onverbiddelijk het geval geweest. Verrassend genoeg worden er echter op het vlak van de hoge cultuur geen alternatieven aangereikt.

In de hoofdstad gaf men de leiding van een belangrijk theater in handen van een bekende radicale nationalistische (lees: neonazistische) acteur die al verklaard heeft dat hij het laatste stuk van de onlangs overleden fanatieke antisemiet István Csurka op de planken zal brengen. Csurka’s De zesde doodskist gaat over het Vredesverdrag van Trianon uit 1920, de Hongaarse tegenhanger van het Verdrag van Versailles, dat voor Hongarije een enorm historisch trauma betekend heeft; de bepalingen van het vredesverdrag van Trianon zorgden ervoor dat Hongarije een derde van zijn grondgebied verloor. Geheel in het verlengde van Csurka’s opvattingen hebben in het stuk enkele joodse bankiers uit Amerika de touwtjes stevig in handen. Ze manipuleren Wilson en Clemenceau, en samen met de joodse communisten (met Trotzki alias Bronstein) plannen ze, of nemen ze alleszins het berekend risico, dat hun daden zullen leiden tot een bolsjewistische en nationaalsocialistische dictatuur, een nieuwe wereldoorlog en zelfs de Jodenvervolging, wat ter wille van de uiteindelijke joodse overwinning en hun verovering van de wereldmacht een zure appel is waar ze volgens hen nu eenmaal doorheen moeten bijten.

In Hongarije lokte dit grote verontwaardiging uit (en niet alleen in Hongarije: de vermaarde dirigent Christoph von Dohnányi bijvoorbeeld gelastte om die reden een concert in Boedapest af), maar het leidde niet tot een bijsturing van de cultuurpolitiek, wel integendeel. Dit toont nog maar eens de totale onverschilligheid aan over wat er op cultureel vlak gebeurt: hebben we vanuit een pragmatisch politiek standpunt de steun van extreemrechts nodig, zo luidt de redenering, laten we hun dan een theater toestoppen. (István Csurka was geen aanhanger van de extreemrechtse oppositiepartij, die in de eerste plaats bekend staat om haar haat jegens de zigeuners, maar wel van de regeringspartij Fidesz, die al jaar en dag bij het kiesvolk naar de stem van de fascisten hengelt.)

Uit de kleine twee jaar die sinds de regeringswissel zijn verstreken moeten we concluderen dat de nieuwe macht in geen geval legitimatie zoekt in de hoge cultuur. Juist omdat deze haar volstrekt koud laat, kan er radicaal worden gesnoeid in het systeem van de overheidssubsidiëring voor cultuur.

 

Terugblik: autocratische cultuurpolitiek


Dit is zeer opvallend, zeker omdat de autocratische staatssystemen die Hongarije in de loop van de twintigste eeuw heeft gekend, altijd veel belang hechtten aan bevestiging vanuit de hoge cultuur.

Toen regent Miklós Horthy (1919–1944) aan de macht was, behoorden de belangrijkste vertegenwoordigers van de Hongaarse kunst en cultuur tot de oppositie, maar getroostte de staat zich bijzonder veel moeite om conservatievere cultuurvormen te ondersteunen en uit te bouwen. Af en toe werden ook onafhankelijke denkers met belangrijke onderscheidingen bekroond, onder wie de musici Béla Bartók, Zoltán Kodály en Ernő Dohnányi – de grootvader van de bekende Duitse dirigent Christoph von Dohnányi.

Tijdens de communistische dictatuur onder Mátyás Rákosi (1949–1956) hield de angst niet alleen de samenleving maar ook de cultuur in haar greep. Tegelijkertijd echter stonden de meesterwerken uit de wereldliteratuur de massa voor een prikje ter beschikking, zij het vaak in vertalingen van auteurs en dichters die voor de rest werden doodgezwegen. Kunstenaars die zich aan de zijde van de macht schaarden, hetzij uit overtuiging, hetzij voor de schijn, genoten dan weer tal van privileges: het aanzien van de bekendsten onder hen, zoals Zoltán Kodály en de auteur en dichter Gyula Illyés, werd nooit ter discussie gesteld.

Tijdens het uit bloed geboren tijdperk János Kádár (1957–1989) belandden ook na 1956 nog auteurs in de gevangenis. In de laatste jaren daarentegen verlangde het regime van de Hongaarse kunstenaars en intellectuelen enkel dat ze zich niet in het openbaar als politieke tegenstanders opwierpen. Deden ze dat toch, dan werden ze gedwongen te emigreren, zoals bijvoorbeeld Agnes Heller, of ze kregen een publicatie- of beroepsverbod opgelegd, zoals onder meer György Konrád, Mihály Vajda en ikzelf. Wie zich echter wel aan de steeds minder strenge spelregels hield, kreeg lof toegezwaaid en werd niet verplicht de regering lippendienst te bewijzen. Het moet ook gezegd dat György Aczél, de grote culturele manipulator van de toenmalige partijpolitiek, oog voor kwaliteit had. Immers: ook het archief van de minister van Cultuur tijdens de opstand van 1956, het Lukács-archief, werd in deze tijd opgericht.

De eerste regering Orbán (1998–2002) kwam aan de macht na een radicale koerswijziging, van zowel de regeringspartij als haar voorzitter: ze evolueerde van een aanvankelijk liberale, sterk antinationalistische en antiklerikale houding naar een uitgesproken nationalisme en klerikalisme. Zoals te verwachten viel, ging de ploeg rond Orbán op hetzelfde elan verder door grote culturele projecten op te zetten, een staatstheater te bouwen, subsidie te verlenen aan grote nationale historische films en de grootste culturele prijs van het tijdperk Horthy, de Keten van Korvin, weer in te stellen.

 

Het anticulturele keerpunt


Blijkbaar heeft de regering uit haar falen en de daaropvolgende acht jaar op de oppositiebanken lessen getrokken en ingezien dat investeren in de hoge cultuur niet loont, omdat dat geen politiek nut heeft. Zo begon de regering na haar monsteroverwinning in 2010 geen cultuurstrijd en bracht ze geen enkele van haar intellectuele pleitbezorgers in stelling. De conservatieve, rechtse László Sólyom, een alom gerespecteerd grondwetspecialist, werd niet herverkozen tot president. Hiermee uitte de regering heel openlijk haar minachting voor de wensdromen van haar eigen intellectuelen. De symbolische boodschap was duidelijk: cultuur heeft geen gezag meer, en ondanks haar kritische vrijheid legt ze niet langer gewicht in de schaal. Met tientallen wilde economische maatregelen vervreemdde de regering de belangrijkste conservatieve economen van zich, die ook met de vorige (sociaaldemocratisch-liberale) regering zwaar in de clinch hadden gelegen. Over grote culturele plannen is niets bekend, of ze bestaan enkel in de vorm van onverantwoordelijke voorstellingen die geen mens serieus neemt. De nieuwe wet op het hoger onderwijs beperkt het aantal banen aan de universiteiten, waar de volgende generatie zich onder normale omstandigheden in de domeinen van economie, kunst en filosofie moet ontplooien, met als gevolg dat er veel kritische massa verloren dreigt te gaan.

Op die manier betekent de nieuwe autocratische politiek in Hongarije een radicale breuk met de autoritaire Hongaarse traditie, die de cultuur voor haar karretje wilde spannen om te profiteren van haar aanzien. Wat biedt ze dan wel? Dat andere lievelingetje van de autocratieën, de competitiesport bij uitstek die de massa zo in de ban houdt: voetbal. Zoals men op het belangrijkste plein van Hongarije de klok wil terugdraaien tot in 1944, keert men in het voetbal terug tot vóór het ‘Wonder van Bern’ in 1954, dat voor Hongarije zo catastrofaal was. Er zijn plannen voor de bouw van nieuwe stadions, in de geboorteplaats van de minister-president werd een Ferenc-Puskás-voetbalacademie opgericht, en afgelopen november kondigde Orbán in hoogsteigen persoon de plannen aan om Puskás’ nalatenschap vanuit Spanje naar thuisland Hongarije over te brengen. Het Lukács-archief gaat, het Puskás-archief komt.

Het toeval wil dat György Lukács, Ferenc Puskás en een historica van de harde stalinistische lijn in 1952 alle drie deelnamen aan het Vredescongres in Wenen. De geniale, maar volstrekt ongeschoolde Puskás had vermoedelijk geen benul wie Lukács was, maar blijkbaar vond hij de goedlachse, levenslustige kleine man wel sympathiek. In ieder geval vertelde Lukács later trots dat toen de historica stiekem naar zijn notities loerde, de aanvaller hem met de elleboog in de zij had gepord en hem had toegefluisterd: ‘Pas op, kameraad, dat grietje spiekt!’

 

Oorspronkelijk op 20 februari 2012 in een ingekorte versie verschenen in Die Welt.