Sven Vitse

Published: 21/12/2013

Tags: review essay

Over Jacq Vogelaar, Over kampliteratuur, De Bezige Bij 2006. Review-essay uit yang 2006.2

 

Jacq Vogelaar heeft in zijn omvangrijke en gevarieerde oeuvre steeds een tussenpositie opgezocht: tussen de dwang van opgelegde vormen die slechts kritiekloze instemming uitdrukken, en de drang naar en van nieuwe vormen, onaangetast door taalvervuiling en exploitatie. Tussen de dwang van de vorm en de drang van de vorm dus – op zoek naar een onmogelijk archimedisch punt. Tussen het verlangen ook naar afstand en het besef dat de schrijver in deze wereld en in deze taal zal moeten denken en schrijven. Wie zich, in het universum van Vogelaar, wil uitdrukken, moet zich woord voor woord door deze fuik worstelen.

Dat is de impasse die het personage Mon in Raadsels van het rund (1978) omschrijft: ‘[D]e mogelikheid van de verrekijker is nog steeds niet meer dan een lege mogelikheid, misschien zou ze te gebruiken zijn als het punt van archimedes zoveel steun zou bieden dat je er kracht op kunt zetten.’ Aangezien er geen buitenpositie is, verovert de schrijver zijn archimedisch punt in deze wereld en in deze taal. Of beter: tussen deze wereld en tussen deze taal, in die kier die zelfs de meest gesloten vormen voor kritiek en verzet open laten staan.

In Vogelaars indringende en geëngageerde studie Over kampliteratuur (2006) is deze poëtica onaangetast gebleven en zelfs geïntensiveerd. Schrijvende overlevenden bevinden zich tussen drie polen: tussen de wereld van het kamp, de buitenwereld én de drang naar een taal om over hun ervaringen te schrijven. Hun schrijven is zowel een verzet tegen de ontmenselijking en de taalvervuiling in het kamp als tegen de onaangepaste taal van de buitenwereld waarin zij terugkeren.

Land winnen op de taal

In zijn inleidende opmerkingen bij Over kampliteratuur onderscheidt Vogelaar twee manieren waarop een lezer een literaire tekst kan benaderen: de lezer kan focussen op de inhoud, het verhaal, of hij kan op zoek gaan naar de inzet van de tekst. Over zijn eigen prioriteit als lezer laat Vogelaar geen twijfel bestaan: ‘In plaats van of voorafgaand aan de vraag: waarover gaat de tekst? , zou men de vraag moeten stellen: waar gaat het om, wat staat er op het spel, wat is de inzet? [1] Wellicht heeft de literatuur in de twintigste eeuw nooit een grotere inzet gehad dan in de kampliteratuur, de literatuur geschreven door overlevenden en bewoners van (voornamelijk) nazikampen en sovjetkampen. In dat opzicht is kampliteratuur exemplarisch voor de inzet van literatuur als dusdanig.

In het essay ‘Herinnering van de herinnering’, opgenomen in de bundel Striptease van een ui (1993), verzet Vogelaar zich tegen de stelling dat literatuur over de kampen onmogelijk is. Tegenover de metafysische en theologische clichés over het ‘onuitsprekelijke’ en het ‘onzegbare’ plaatst Vogelaar de kampliteratuur als toetsteen en als meesterproef van de literatuur. ‘Als literatuur een werkelijkheid die, zoals dat nu eens terecht heet, de verbeelding tart niet aankan, is ze waardeloos of hooguit een secundair hulpmiddel.’ Sinds verscheidene schrijvende overlevenden hebben aangetoond dat de literatuur het kamp wel degelijk aankan, houdt de kampliteratuur de adelbrieven van die literatuur in bewaring. In de kampliteratuur ziet Vogelaar niets minder dan ‘een rechtvaardiging voor het schrijven’, omdat ze bewijst waartoe literatuur in staat is en welke inzet zij kan dragen.

Behalve een meesterproef voor de literatuur houdt de kampliteratuur ook een meesterproef in voor de literaire kritiek en de literatuurtheorie. Op de balansas van ethiek en esthetiek neemt de kampliteratuur een zeer bijzondere plaats in: velen zijn het met Primo Levi en Elie Wiesel eens dat in de kampliteratuur iedere vorm van esthetiek of literaire vormgeving geweerd dient te worden. Auteurs en critici met een sterk vormbewustzijn kunnen hun beginselvastheid dan ook testen aan de hand van kampliteratuur. ‘Ook als je iemand bent die externe eisen voor de kunst verwerpt, kom je voor een dilemma te staan wanneer het om de vrijheid van de kunst gaat met betrekking tot zulke geladen onderwerpen als massamoord, rassenwaan en sadisme,’ zo schrijft Vogelaar in een essay over Primo Levi, opgenomen in Striptease van een ui. Het standpunt van Vogelaar is duidelijk: enkel een doordachte literaire vormgeving, die bovendien gebruik maakt van de verbeelding, kan de onmiddellijke beleving van een extreme situatie omzetten in een bewuste ervaring. [2]

De inzet van kampliteratuur is voor een aantal schrijvers niets minder dan de ontwikkeling van een nieuwe taal. Robert Antelme bracht elf maanden door in het kamp Gandersheim, ‘een dependance van Buchenwald’. In 1947 publiceerde hij zijn kampboek L’Espèce humaine, vertaald als De menselijke soort. Na zijn verblijf in het kamp raakte hij geklemd in een impasse van de taal: er is namelijk geen taal voorhanden om over het kamp te spreken, laat staat te schrijven. De overlevende balanceert op een taalrichel die aan weerskanten overspoeld wordt. Aan de ene kant door de kapotte taal van het kamp – wat er van de taal nog rest nadat ze door het kamp is aangetast en vernietigd. ‘Het is niet alleen de taal in het kamp, maar meer nog: de taal van het kamp, de door het kamp aangerichte taalvervuiling’.

Aan de andere dreigt de taal van de buitenwereld, waarin de overlevende na een kampverblijf als een anderstalige terechtkomt. De overlevende ervaart deze taal, die ooit de zijne was, als een bot mes, dat nog niet scherpgeslepen is aan de extreme ervaring van het kamp. Verwoord in de taal van de buitenwereld, wordt het kamp zoals de buitenwereld, verdwijnt de specificiteit en de andersheid van het kamp. De overlevende, zo merkt Antelme, ‘heeft een andere taal nodig’. Dit is dan ook de inzet van zijn schrijverschap: ‘[D]e poging tussen de moerassige taal van het kamp en de al het vreemde aan het kampleven absorberende taal van de gewone wereld een taal van de gedeporteerde te vormen.’

Al schrijvende tracht de overlevende zijn taalrichel woord voor woord te verschuiven en land te winnen op de taal. In de taal herovert hij als het ware zijn herinneringen op het kamp, door ze in een nieuwe taal om te zetten, of zoals Vogelaar het omschrijft, door zijn beleving om te zetten in bewuste ervaring. Deze vorm van schrijven noemt Vogelaar werk, arbeid: ‘[D]e tekst is het resultaat van een transformatie, dat wil zeggen werk’. Voor Robert Antelme was de ontwikkeling van een nieuwe taal de voorwaarde voor het eigenlijke onderzoek dat hij in zijn kampboek wilde uitvoeren: ‘[E]en onderzoek naar de persoon die het kamp Gandersheim van hem in elf maanden had gemaakt’. Om dat onderzoek te kunnen volbrengen ‘moest hij een passende taal ontwikkelen’.

De buitenwereld reserveert voor de gruwel van het kamp slechts nietszeggende dooddoeners als ‘onvoorstelbaar’ of ‘onuitsprekelijk’. Als de schrijver van kampliteratuur dergelijke woorden gebruikt, ontslaat hij zichzelf van de verantwoordelijkheid om de taal desnoods aan het kamp aan te passen, om de taal met het kamp uit te breiden. Vogelaar citeert Antelme: ‘Onvoorstelbaar, het is een woord dat geen onderscheid maakt, niets inperkt. Er is geen gemakkelijker woord dan dat.’ Onderscheid maken is precies wat de taal wel moet doen: onderscheid tussen het kamp en de buitenwereld, onderscheid tussen beul en slachtoffer, en onderscheid tussen beulen en slachtoffers onderling.

De vreemdheid van de overlevende in de taal van de buitenwereld onderscheidt zich ook van de vreemdheid die elke taalgebruiker ervaart in zijn eigen taal, in de taal van zijn buitenwereld. Het valt op dat de poëtica van Vogelaar in dit boek parallellen vertoont met de opvattingen van Jacques Derrida, een denker waaraan Vogelaar nochtans niet schatplichtig is. Zoals Derrida uitlegt in Le monolinguisme de l’autre (1996) is elke taalgebruiker tot op zekere hoogte een vreemde in zijn eigen taal. Anders gezegd: de taal is altijd een vreemde indringer in jezelf die je verhindert om volledig samen te vallen met jezelf. Door te spreken, verzet de taalgebruiker zich tegen deze vreemdheid, en formuleert hij de belofte van een onmogelijke metataal die deze vreemdheid zou opheffen. Zijn enige toegang tot deze metataal is echter zijn ‘eigen’ taal. Hij staat voor de opdracht de metataal te vertalen in de ‘eigen’ taal: ‘Il faut l’écrire à l’intérieur, si on peut dire, des langues. Il faut appeler l’écriture au-dedans de la langue donnée.’

Het gaat bovendien om een asymmetrische vertaling, aangezien de ene pool, de starttaal, een onbekende is en altijd het absolute ‘andere’ zal blijven. Deze asymmetrische vertaling noemt Derrida ‘la traduction absolue, une traduction dans pôle de référence, sans langue originaire, sans langue de départ’. Hoewel het onderscheid hier van wezenlijk belang is, kan de ervaring van de overlevende van het kamp beschouwd worden als een uitvergroting, een extreme vorm van de taalvreemdheid van elke taalgebruiker. De zoektocht van de overlevende naar een nieuwe taal is in dat opzicht exemplarisch voor de inzet van het taalgebruik tout court. Dat de ene ervaring een uitvergroting is van de andere betekent echter niet dat beide ervaringen vergelijkbaar zijn, dat ze op één lijn kunnen worden geplaatst. Ergens op die lijn slaat kwantiteit om in kwaliteit waardoor de ervaring van de overlevende op een ander niveau komt te staan. In een essay over Primo Levi in Striptease van een ui omschrijft Vogelaar die subtiele dialectiek, waarin een gradueel verschil omslaat in een kwalitatief verschil, als volgt: ‘Er is een graad van misvorming die verbiedt om nog van een uitwas, een extreme vorm van normale verhoudingen te spreken.’

Het recht op kampliteratuur

De noodzaak van een andere taal om over het kamp te schrijven, betekent dat voor kampliteratuur bij uitstek geldt wat in beginsel voor alle literatuur geldt: ze wordt afgerekend op haar literaire belang, niet op het belang van haar verhaalinhoud of onderwerp. ‘Beslissend is of een tekst op eigen kracht de lezer kan overtuigen.’ Als de overlevende zijn of haar herinnering niet kan omzetten in een taal en een literaire vorm die deze materie aankan, dan kan zijn of haar kampboek weliswaar een beklemmende getuigenis opleveren, maar geen grote literatuur.

Vogelaar kant zich tegen commentatoren zoals Elie Wiesel die de literatuur het recht ontzeggen om zich aan het kamp te meten, en slechts de ‘getuigenis’ als legitiem genre aanvaarden. Favoriet studieobject van Wiesel zijn de geschreven berichten, de nagelaten teksten – wat Vogelaar noemt de ‘flessenpost’ – van enkele van de Sonderkommando’s van Birkenau, die na de bevrijding van het kamp in de grond werden teruggevonden. Doordat Wiesel deze en andere teksten louter leest als getuigenis, als teken van leven, ontzegt hij de teksten hun bestaan als tekst, als vormgeving van een ervaring in taal en als literatuur. In zijn lectuur puilt de noodkreet uit de tekst naar boven en onttrekt hij alle andere aspecten, zowel van het teken als van het betekende, aan het oog van de lezer. Vogelaar stelt:

Een van de redenen waarom ik de begrippen ‘getuigenis’ en ‘getuigenisliteratuur’ volstrekt ondeugdelijk vind, is dat alles wat aan de berichten en vertellingen met schrijven te maken heeft buiten beschouwing wordt gelaten: alleen het gebaar, het teken, het symbool wordt in aanmerking genomen. En wat er geschreven is, wordt door dit soort lezers in beslag genomen en voor eigen doeleinden gebruikt, bezet door interpretaties.

Bovenal weigert Vogelaar het verbod te aanvaarden dat geïmpliceerd is in Wiesels reductie van de kampbibliotheek tot getuigenissen; het verbod dus op literatuur die in het kamp gaat kijken en de lezer meeneemt in het kamp. Vogelaars resolute weigering van een verbod op kampliteratuur mag dan wel ver verwijderd lijken van zijn weerstand, in 1969, tegen de ‘estetisering van de werkelijkheid’ die ‘van een stuk aktualiteit een nieuwe mythe maakt’ (in Van Marissing, 28 interviews. (1971)), zij is het feitelijk niet. Meer dan ooit verzet Vogelaar zich namelijk in Over kampliteratuur tegen een literatuur die van het kamp een nieuwe mythe maakt, hetzij door het in een metafysische mist te hullen, hetzij door het te verdrinken in de onmachtige, clichématige taal van de alledaagse wereld buiten het kamp.

Wanneer Vogelaar misselijk wordt bij het lezen van de kamproman van Vasili Grossman, Leven en lot, is dit niet te wijten aan het onderwerp maar enkel aan de on(aan)- gepaste, schreeuwerige en kitscherige taal waarvan de schrijver zich bedient. ‘Niet dát Grossman een kijkje in de gaskamer nam maakt zijn verslag onbetamelijk (…) het obscene is de dampende gevoelssaus, de overkill aan gevoel oftewel het misbruik van woorden.’ De schrijver van kampliteratuur, de schrijver van wie het werk een belangrijke inzet heeft, blijft bij voorkeur uit het vaarwater van de gezwollen pathetiek waarmee het vervuilde taalgebruik van de spektakelmaatschappij zijn onderwerpen pleegt te benaderen. De dood, concludeert Vogelaar, is ‘niet onbenaderbaar. Het kan, maar niet iedereen die de pen hanteert kan het’. Het onderscheid tussen kampliteratuur waarin wél een gepaste taal wordt ontwikkeld en kampliteratuur waarin dat niet gebeurt, moet vooral blijken uit de lange citaten die Vogelaar aanreikt. Vogelaar gaat er daarbij (iets te veel) van uit dat de citaten voor zich spreken, en laat het aan de lezer over om het verschil in stijl en literaire kwaliteit tussen pakweg Antelme en Grossman vast te stellen. Gie van den Berghe doet Vogelaar onrecht aan wanneer hij schrijft, in zijn recensie ‘Mijn kamp’ (De Standaard, 21/4/2006), dat de auteur het ‘zelden of nooit (…) over literaire kwaliteit( en)’ heeft – daar gaat het de hele tijd over – maar hij stelt terecht vast dat het Vogelaar enigszins ontbreekt aan een tekstanalytische methode waarmee hij duidelijk kan laten zien waarin de kampverhalen – en hun taal – van elkaar verschillen.

Zo tracht Vogelaar aan de hand van enkele zeer specifieke fragmenten, over het eten van vis, een verschil aan te geven tussen de stijl van Solzjenitzyn en die van Sjalamov. Twee paginalange citaten moeten aantonen dat bij Solzjenitzyn de drang naar uitleg en volledigheid paradoxaal genoeg het sprekende detail de kracht ontneemt om de kampervaring te evoceren, terwijl dat Sjalamov nu net wel lukt. Maar er is geen tekstanalyse die dat punt ook echt hard maakt.

Een ander voorbeeld is een hoofdstuk gewijd aan ‘Marta Rudzka en anderen’, waarin Vogelaar aandacht vraagt voor de blik, de specifieke waarneming in de tekst, die ook het bewuste besluit inhoudt om te onthouden en naderhand neer te schrijven wat er is gebeurd. Zo onderscheidt hij het werk van Margarete Buber-Neumann van dat van Marta Rudzka onder meer op basis van hun ‘blik’: ‘Typerend is waar elk van beiden de blik op richt.’ Vervolgens wordt niet duidelijk wat nu precies het verschil is.

Verderop krijgt Jevgenia Ginzburg ervan langs. Vogelaar lijkt haar effectbejag en valse pathetiek te verwijten, wat hij illustreert met citaten, maar merkt zelf op dat het ‘moeilijk [is] precies aan te geven wat er aan het verslag van Jevgenia Ginzburg te veel is’. Toch is er een vastberaden conclusie: ‘Zulke zinnen zul je bij Marta Rudzka, Elinor Lipper, Barbara Skarga en zelfs bij Margarete Buber-Neumann niet aantreffen – dat is het verschil.’ Hoewel een lezer het kwaliteitsverschil mogelijk wel aanvoelt, blijft de vraag natuurlijk: welk verschil? Dat is jammer, omdat het verschil een cruciaal begrip is in het werk van Vogelaar.

Onderscheid

Onderscheid is een sleutelbegrip in het werk van Jacq Vogelaar: de gave van het onderscheid is de basisvoorwaarde voor elke kritiek. Wanneer het personage Mon, in Raadsels van het rund (1978), de koloniale verhoudingen omschrijft als een uitvergroting van de verhoudingen binnen het gezin, zegt hij er uitdrukkelijk bij dat beide vormen van machtsuitoefening niettemin onvergelijkbaar zijn. Schaalvergroting leidt in dit geval tot een kwalitatief verschil. In Over kampliteratuur verzet Vogelaar zich tegen een kritiekloze gelijkstelling van kamp en buitenwereld, van slachtoffer en beul, en van kampbewoner en mens in het algemeen. Hij citeert, zonder commentaar, de repliek van Primo Levi op de suggestie van een interviewer dat het kamp een gecondenseerde vorm is van de maatschappij waarin we leven [3]:

(D)ie vergelijking van de wereld met het kamp, daartegen komen wij (…) in opstand: zo is het niet, het is niet waar dat de Fiatfabriek een concentratiekamp is, dat een psychiatrische inrichting een concentratiekamp is; in de Fiatfabriek heb je geen gaskamer (…). Die leuzen die je soms op muren ziet: ‘fabriek = concentratiekamp’, ‘school = concentratiekamp’, die vind ik stuitend: het is niet waar.

Het kampboek van Gustav Herling roept bij Vogelaar de vraag op naar de verhouding tussen het kamp en de maatschappij waarin het functioneert – het sovjetcommunisme en het nazisme: ‘[I]s het kamp uitzondering (exces, een historische anomalie) of een bijzondere, toegespitste, extreme vorm van de normale wereld?’ Hiermee is het probleem echter nog niet volledig geponeerd: de leuzen die Levi citeert, betreffen niet de verhouding tussen kamp en respectievelijk communisme en nazisme (in dit geval is wellicht vooral het nazisme bedoeld), maar die tussen kamp en de duistere derde in het spel: de liberale democratie. De buitenwereld van het kamp is evenzeer deze liberale democratie als het communisme of het nazisme: zij is immers de context waarbinnen communisme en nazisme als tegenreactie zijn ontstaan.

Het kamp vergroot bepaalde aspecten van de buitenwereld uit, maar is niet zoals de buitenwereld. Sociale hiërarchieën bijvoorbeeld treft men ook in het kamp aan, maar hun betekenis en praktische consequenties veranderen. Met dat uitgangspunt leest Vogelaar de kampliteratuur van Tadeusz Borowski: ‘Praktisch iedereen die over Borowski schrijft beweert dat de stelling als zou de hele wereld één groot kamp zijn aan zijn Auschwitz-verhalen ten grondslag ligt.’ Vogelaar bekritiseert dergelijke beweringen niet alleen omdat ze berusten op een onnauwkeurige lectuur van Borowski’s verhalen, maar ook en vooral omdat ze de historische specificiteit van de kampen mystificeren.

De mystificatie houdt in dat men het kamp universaliseert en omvormt tot een metafysische constante of zelfs ontologische categorie. Tezelfdertijd wordt het kamp uitvergroot tot in het oneindige en gesublimeerd tot lucht, doordat het reële, het materiële aspect – en dus ook het fysieke leed én de schuldvraag – van het kamp in metafysische rook opgaat. ‘De immaterialisering van zo’n enormiteit als de massale vernietiging van mensen heeft tot gevolg dat het niet meer om historische feiten gaat (…) maar om de eeuwige schaduwzijde van de menselijke soort.’

In dat opzicht onderscheidt de leuze ‘fabriek = concentratiekamp’ zich van de leuze ‘de hele wereld = concentratiekamp’. De eerste leuze impliceert niet dat het kamp eeuwig en overal is, maar bakent de kampwereld historisch en geografisch af: de wereld van het industriële kapitalisme is een kamp. De tweede leuze daarentegen is niet van politieke maar van louter morele of zelfs theologische aard en laat het kamp grenzeloos uitstromen over aardbol en tijdslijn. Op dat onderscheid gaat Vogelaar mijns inziens onvoldoende in. De verhouding tussen het kamp en de Westerse kapitalistische controlemaatschappij blijft een ietwat blinde vlek in Over kampliteratuur. [4] Het lijkt erop dat zijn kritiek zich in de eerste plaats richt op de morele en theologische mystificatie van het kamp, en de verduistering van de kamprealiteit door metafysische en eeuwige categorieën. Wanneer Vogelaar het in het volgende citaat heeft over de samenleving, lijkt hij daarmee vooral de totalitaire en fascistische samenleving te bedoelen.  

Het is één ding te zeggen dat in het kamp behalve vijanden van de staat ook tendensen in de samenleving geconcentreerd worden, en dan is ook nog maar de vraag welke en hoe; een ander ding is de bewering dat wat in het kamp gebeurt de waarheid van de gewone menselijke verhoudingen aan het licht brengt, de bestiale natuur die ‘eigenlijk’ in elke gewone situatie onderhuids meespeelt.

In plaats van het kamp te extrapoleren naar de totale buitenwereld en de volledige geschiedenis, dient de kampliteratuur (en dus ook de wetenschappelijke literatuur over de kampen) te onderzoeken hoe het kamp zich onderscheidt van de buitenwereld en van andere vormen van vernietiging en volkerenmoord. De kampliteratuur die dat niet doet, en zoals de romans van Jean- François Steiner of Vasili Grossman concrete feiten mystificeert tot holle frasen, dreigt volgens Vogelaar het kamp op te offeren aan een literatuur die neigt naar kitsch: ‘[G]eschiedenis wordt gemythiseerd tot essenties, reële gebeurtenissen geabstraheerd tot universele grootheden – en wat na aftrek van feiten, concrete mensen, plaats en tijd overblijft, is een herhaling van eeuwig hetzelfde, oftewel grote woorden.’ Tegenover de metafysische grootheden en de gemakzuchtige veronderstelling van de ‘eeuwige herhaling van hetzelfde’, plaatst Vogelaar de noodzaak om het historische verschil te bepalen. De premisse van het historische onderzoek moet zijn: ‘[I]n de geschiedenis herhaalt het gelijke en het continue zich nooit in precies dezelfde vormen.’ Vanuit deze veronderstelling onderzoekt de Duitse historicus Götz Aly de specifieke historische factoren die de holocaust mogelijk hebben gemaakt. Zijn onderzoek ontkracht bovendien de mythe dat de holocaust ‘onbegrijpelijk’ is, zich aan elke verklaringsgrond onttrekt, en een terugval uit de geschiedenis in de tijdloze barbarij is. [5]

Duidelijk te omschrijven economische en demografische tendensen in de vooroorlogse Europese politiek hebben ‘een wezenlijk aandeel (…) gehad in de beslissingen die tot de systematische massamoord hebben geleid’, aldus Aly. Vogelaar prijst deze historicus omwille van zijn ‘manier van kijken, wars van verzuchtingen dat geen mens het ooit zal begrijpen’. De paradox bestaat erin dat wie de holocaust wil presenteren als de naakte verschijning van het (onbegrijpelijke) Kwaad, hem eigenlijk met de mantel der liefde bedekt. Het theologische etiket Kwaad ontslaat ons van een politieke analyse, ontslaat ons van de verantwoordelijk na te gaan hoe de holocaust is kunnen ontstaan in de context van de Europese moderniteit. [6]

De bewering dat de hele wereld en de hele geschiedenis één groot Auschwitz is, verschilt niet wezenlijk van de schijnbaar tegengestelde bewering dat Auschwitz een terugval was in de barbarij en dus niet tot de geschiedenis en tot ‘onze’ wereld behoort (dat is: de wereld van de liberale democratie). Beide opvattingen miskennen de dubbele vaststelling dat de holocaust is kunnen ontstaan in ‘onze’ wereld en daar toch van verschilt.

Alain Badiou gaat in Le Siècle (2005) nog een stap verder dan Vogelaar door precies dat verschil tussen de wereld van de liberale democratie en die van het nazisme en de kampen sterk te relativeren. Diegenen die de holocaust het onverklaarbare Kwaad noemen, willen ‘onze’ wereld van alle verantwoordelijkheid ontslaan. Badiou: ‘C’est-à-dire camoufler l’apparentement secret et profond entre le réel politique du nazisme et ce qu’ils prétendent être l’innocence démocratique.’ Behalve de politiek van de liberale democratie hekelt Badiou ook het denken (la pensée) van die liberale democratie: dat ‘denken’ verbant de geschiedenis van totalitarisme en fascisme naar de regionen van het ondenkbare, en ontkent het bestaan van een ‘denken’ van het totalitarisme en het fascisme. Deze strategie veroordeelt Badiou als een intellectuele witwaspraktijk, die het ‘denken’ van ‘onze’ wereld van alle schuld moet vrijpleiten.

Een ander onderscheid dat een degelijke kampliteratuur volgens Vogelaar moet kunnen maken – of beter: moet kunnen tonen – is dat tussen beul en slachtoffer, en tussen gradaties van beide categorieën. Niets ergerlijker dan amateur-filosofen en cultuurkritische dilettanten die menen het verschil tussen beul en slachtoffer te moeten schrappen, in de veronderstelling dat in elke mens een beul zit, en dat het onderscheid tussen beul en slachtoffer louter functioneel is, louter bepaald wordt door de positie in het kampsysteem. Vogelaar hekelt ‘de would-be psychologen, de zelfbenoemde cultuurfilosofen, de betweters die hun cynisme camoufleren als realisme van de man van de wereld’. Het ‘beslissende verschil’ ligt in de mate waarin een slachtoffer zich in bepaalde situaties tot beul ontpopt. Vogelaar citeert instemmend Dostojevski: ‘Maar de dierlijke eigenschappen komen niet bij ieder mens gelijkelijk tot ontwikkeling.’

Dat is ook de inzet van kampliteratuur: in extreme omstandigheden onderscheid blijven maken tussen mensen, zich tegen het alles gelijkmakende kampsysteem teweer blijven stellen door elke mens individueel op zijn merites te beoordelen. Niet alle beulen zijn even wreed, en niet alle slachtoffers zijn even onschuldig. ‘Bij Antelme of Rousset, bij Levi of Sjalamov, bij Herling en Lipper zul je nergens lezen over de kapo in ons allen, in ieder mens, de onmens die in elk beschaafd mens schuilgaat (…) zodat er – “eigenlijk”, “in wezen” – geen verschil zou zijn.’ Het valt op hoeveel nuances en schakeringen een kampbewoner kan zien en hij of zij als overlevende schrijver kan tonen, hoeveel verschillende trappen er zijn in de hiërarchie tussen slachtoffer en beul: ‘[G]radaties in collaboratie en opportunisme, (…) schakeringen van grijsheid in de schemerzone tussen almacht en onmacht.’

Montage en collage

In enkele schijnbaar terloopse opmerkingen komt Vogelaar in Over kampliteratuur terug op een probleem dat vooral in de jaren zeventig hoog op de agenda stond van het experimentele Nederlandse proza, namelijk dat van montage en collage. In de context van het postmoderne experimentele proza is deze kwestie meer dan ooit relevant, waardoor de opmerkingen van Vogelaar een grotere draagwijdte krijgen dan ze op het eerste gezicht hebben. Sterker nog: de hardnekkigheid waarmee Vogelaar polemiseert, en de terminologie waarvan hij zich bedient, laten uitschijnen dat hij in dit boek ook andere, literair-theoretische rekeningen wil vereffenen, en dat achter de kampdeskundigen die hij aanvalt ook een andere, niet-genoemde vijand schuilgaat.

Het onderscheid dat Vogelaar in dit boek maakt tussen montage en collage doet denken aan het onderscheid dat Sybren Polet in 1972, in Literatuur als werkelijkheid. Maar welke? , maakte tussen de zogenaamde kadercollage en de kaderloze collage. Terwijl de kadercollage verschillende tekstsoorten samenbrengt vanuit een bepaalde idee of doelstelling, kenmerkt de kaderloze collage zich door willekeur, chaos en een gebrek aan visie. Polets voorkeur ging uit naar de kadercollage: hij verkoos de bewuste keuze en ordening van de teksten die deze vorm toelaat boven de nivellering en gelijkmaking van ongelijksoortige teksten in de kaderloze collage.

Naar aanleiding van zijn studie van De Goelag Archipel merkt Vogelaar op dat Aleksander Solzjenitzyn in dat monumentale werk noodgedwongen een literaire vorm ontwikkelde die typerend is voor de moderne literatuur: ‘Allerlei soorten tekst, schrijfvormen en procédés, staan gewoonweg naast elkaar.’ Nochtans wil Vogelaar de werkwijze van Solzjenitzyn niet gelijkstellen met de montagetechniek waarvan hij zelf altijd een voorvechter is geweest. Het sleutelwoord bij Solzjenitzyn is volgens Vogelaar nevenschikking:

Hierdoor zijn de hoofdstukken en delen meer collages en op elkaar aansluitende fragmenten dan het resultaat van montage waarbij het materiaal – uiteenlopend materiaal waarvan de verschillende eigenschappen gebruikt én in hun waarde gelaten worden – vanuit een idee verwerkt wordt tot een gecomponeerde tekst met een heel eigen karakter.

Uit deze passage blijkt duidelijk wat de montage volgens Vogelaar voor heeft op de collage: samenhang, doordachte compositie, visie en respect voor de eigenheid en ongelijksoortigheid van teksten. Voor Solzjenitzyn geldt nog het ‘excuus’ dat hij door tijdsgebrek en politieke druk ‘niet eens de gelegenheid heeft gekregen het allemaal tot één samenhangende geschiedenis samen te voegen’. Anderen, veelal auteurs van secundaire, wetenschappelijke literatuur over de kampen, kunnen dergelijke verzachtende omstandigheden niet inroepen. [7]

Dat etiket ‘collage’ dekt in Over kampliteratuur namelijk twee verschillende ladingen: het betekent iets anders in verband met Solzjenitzyn en de moderne schrijftechnieken dan in verband met pogingen van onderzoekers en schrijvers om een massa aan ‘feitenmateriaal tot een beeld [te verwerken]’. Bij Solzjenitzyn acht Vogelaar vooral de nevenschikking zonder doordachte compositie problematisch. Met betrekking tot kampdeskundigen slaat de pejoratieve aanduiding collage veeleer op de ‘ontworteling’ van citaten, die aan hun context ontrukt worden en vervolgens als talige serieproducten gaan circuleren in de secundaire literatuur.

Vogelaar roept enkele auteurs ter verantwoording voor een specifieke, laakbare vorm van collage; niet gehinderd door respect voor de oorspronkelijke teksten rijgen nogal wat kampdeskundigen geïsoleerde citaten uit de kampbibliotheek aaneen ter legitimatie van een wetenschappelijke studie of ook wel een politieke of morele stelling. De kampliteratuur wordt gereduceerd ‘tot illustratie- of bewijsmateriaal van historici en kampdeskundigen (…): van hele boeken blijven vaak niet meer dan een paar citeerbare zinnen of scènes over’. Ontegensprekelijk zijn in dergelijke tendentieuze kralensnoeren de gebruikte teksten ‘vanuit een idee verwerkt’, maar de eigenheid van de teksten is hiervoor schaamteloos opgeofferd.

In een zogeheten ‘Excursie’ getiteld ‘Collage & montage’ bekritiseert Vogelaar de academische collagevorm diepgaand: ‘Uit welke context de details afkomstig zijn doet er minder toe, steeds minder (uit welke hand een bepaald gegeven is, valt soms nauwelijks te achterhalen). In feite zijn het collages; je kunt het ook veredeld plakwerk noemen.’ Her en der in zijn boek geeft Vogelaar voorbeelden van wetenschappelijke auteurs (zoals Giorgio Agamben) die fout citeren, citaten uit hun context rukken, citaten aan verkeerde auteurs toeschrijven, en citaten gebruiken ter illustratie van een stelling die het oorspronkelijke werk niet verdedigt. [8]

Niettemin is hier ook enige toegeeflijkheid op zijn plaats: het collage-effect, waarbij teksten hun eigenheid verliezen en opgaan in een groter geheel, treedt bijna onvermijdelijk op bij elke lezer die een respectabel aantal titels uit de kampbibliotheek heeft afgewerkt. Vanaf een bepaalde drempel neigt de lezer ertoe de kampliteratuur als een ‘raamvertelling’ te beschouwen, waarvan hij het algemene kader als bekend veronderstelt en uit nieuwe boeken nog slechts die details of eigenaardigheden oppikt die hem verrassen. Bijzonderheden zijn echter doorgaans weinig representatief, zodat ‘een los verhaal zelden of nooit meer op eigen merites beoordeeld wordt, maar inderdaad vaak niet meer dan een steentje in een mozaïek is’.

De montage als alternatieve vorm zou dan veeleer elementaire principes als respect voor bronnen impliceren dan een echt andere methode. Het komt er voor de schrijver-monteur op aan ‘de gebruikte teksten recht [te doen] zonder dat dit een eigenzinnige keuze, commentaar of perspectief in de weg hoeft te staan’. Het probleem met de collage is niet dát er een totaalbeeld ontstaat uit min of meer geïsoleerde elementen, maar dat dit ten koste gaat van verschillen, tegenstrijdigheden en van het specifieke karakter van deze bijeengesprokkelde elementen. Over kampliteratuur beantwoordt alvast aan de criteria van wat zijn auteur als een geslaagde montage beschouwt. Het boek brengt lange citaten, literaire analyse, kritiek op wetenschappelijke studies, geschiedschrijving en poëticale bespiegelingen samen in (wat Vogelaar noemt) een ‘combinatorium’, waarin alle behandelde auteurs in hun waarde worden gelaten en op hun waarde worden beoordeeld.

Gie van den Berghe is het daar echter niet mee eens: hij verwijt Vogelaar een gebrek aan systematiek en aan wetenschappelijkheid. Hij heeft geen oren naar Vogelaars principiële keuze om verschillende tekstsoorten op gelijke voet te behandelen, zonder echter hun verschillen te miskennen. Vogelaar schrijft in zijn ‘Leeswijzer’ dat hij geen ‘principieel onderscheid’ maakt tussen ‘document en fictie, tussen beschrijving, vertelling, analyse en beschouwing; zomin als tussen literaire genres. Geen onderscheid wil niet zeggen dat er geen verschillen zijn’. Van den Berghe oordeelt dat Vogelaar zijn onderwerp niet afbakent, niet definieert, en geen onderscheid tussen tekstsoorten aanbrengt. Dat maakt zijn boek, aldus Van den Berghe, tot een chaos en een ‘wirwar’.

Politiek of poëtica?

Het gevaar bestaat dat Over kampliteratuur louter gelezen wordt als een politiek pamflet, net zoals trouwens het gevaar bestaat dat het louter als een poëticaal statement wordt geïnterpreteerd. Een mooi voorbeeld van een eenzijdig politieke lezing is de recensie ‘Vergeet niets’ (De Morgen, 6/4/2006) van de hand van Dirk Verhofstadt. De kern van zijn betoog: ‘Wat hij [Vogelaar] met de ontleding van de kampverhalen wil aantonen is de verplettering van het individu door het kampsysteem te beschrijven en op die manier de onmenselijkheid van totalitaire systemen aan te tonen.’ Wie de recensie van Verhofstadt leest, zou haast denken dat Vogelaar een pleidooi houdt voor dat soort individualisme dat voor Verhofstadt zoveel betekent als (politiek en economisch) liberalisme. Wat Over kampliteratuur vooral aantoont, is dat de dubbele dimensie van politiek én poëtica de inzet bij uitstek is van het kampverhaal. Dat kampverhaal spreekt immers over politiek in taal, en wat het zegt over politiek kan niet losgezien worden van de taal die het daartoe hanteert. Een gelijkaardige dubbelheid is ook in Over kampliteratuur aanwezig. Zo schrijft Vogelaar in de allereerste alinea van het boek: ‘Het onderwerp is uitdrukkelijk kampliteratuur, ik heb geen boek over het kamp, de kampen of een vergelijking van verschillende kamporganisaties en de bijbehorende politieke systemen willen maken.’

Tegenover de nadrukkelijk literaire inzet van het boek staat de gedrevenheid waarmee Vogelaar over de zaak-Rousset bericht. David Rousset was een overlevende van de holocaust, tegen wie Parijse communisten in 1951 een proces aanspanden omdat hij had opgeroepen om de Goelags in hun enormiteit op de kaart én op de politieke agenda te zetten. Onder meer Jean-Paul Sartre verdedigde tijdens dit proces de stelling dat het politiek niet opportuun was om aan deze feiten al te veel ruchtbaarheid te geven. De gedrevenheid van Vogelaar suggereert dat hij politiek wilde afrekenen met diegenen die anno 2006 nog de miljoenen slachtoffers van het sovjetcommunisme zouden willen minimaliseren of goedpraten.

Het spreekt voor zich dat elk kampboek een daad van verzet is tegen het kamp en de totalitaire staat – men vraagt zich af of dat nog ‘aangetoond’ moet worden. En al even vanzelfsprekend is het dat Jacq Vogelaar zich achter dat verzet schaart. Dergelijke platitudes verhullen echter de belangrijke nuance dat het verzet in de taal moet plaatsvinden, dat de literaire vorm waarin dat verzet wordt geformuleerd geen bijkomstigheid, geen formaliteit is voor de schrijver van het kampverhaal.

Enerzijds beklemtoont Vogelaar ‘dat geen individueel kampverhaal los gedacht kan worden van de massamoorden die beide politieke regimes voor het bereiken van hun doel op de koop toe namen’. Hij hamert op dit inzicht, hoe evident het ook mag lijken. Het is immers niet denkbeeldig dat de lezer dit moeilijk verteerbare aspect, namelijk dat het echt gebeurd is, van zich afschudt. Anderzijds maakt Vogelaar zijn lezer attent op het niet-verwaarloosbare vormelijke aspect van het kampverhaal. Cruciaal is zijn opmerking dat de inhoud, indien de vorm reactionair is, niet garandeert dat het kampverhaal een daad van verzet wordt:

Maar elke tekst over het kamp, niet alleen de in het kamp zelf geschreven aantekeningen, is in tegenspraak met het kamp; verzet is volgens mij de kern van het kampverhaal – daar gaat het om … En realisme in de gangbare zin van onmiddellijke weergave, in dit geval van het kamp en het kampleven, loopt het risico een verlengstuk van het machtsinstrument kamp te worden. Daarom is het zo belangrijk dat de taal van het kampverhaal per se niet de taal van het kamp is.

De wederzijdse implicatie van taalkritiek en maatschappijkritiek – die evidente maar nooit arrangeerbare verbintenis – wordt sinds 1965 nog steeds bewaakt en bewaard onder het keurmerk Vogelaar.


Bibliografie


– Alain Badiou, Le Siècle, Seuil, Paris, 2005
– Jacques Derrida, Le monolinguisme de l’autre, Galilée, Paris, 1996
– Arnold Heumakers, De schaduw van de vooruitgang, Querido, Amsterdam 2003
– Gie Van den Berghe, ‘Mijn kamp’, in De Standaard (21/4/2006)
– L.Van Marissing, 28 interviews, Meulenhoff, Amsterdam 1971
– Dirk Verhofstadt, ‘Vergeet niets’, in De Morgen (6/4/2006)
– J.F. Vogelaar, Raadsels van het rund, De Bezige Bij, Amsterdam 1978
– J.F. Vogelaar, Terugschrijven, De Bezige Bij, Amsterdam 1987
– J.F. Vogelaar, Striptease van een ui, De Bezige Bij, Amsterdam 1993
– J. Vogelaar, Over kampliteratuur, De Bezige Bij, Amsterdam 2006


Noten


1 ‘Waar gaat het over? Waar gaat het om …’ Waar heb ik dat nog gelezen? Het tweede inleidende hoofdstuk uit Over kampliteratuur is een bijna woordelijke herneming van het gelijknamige essay uit de bundel Striptease van een ui. Vogelaar schreef het essay als antwoord op een vraag die hem werd voorgelegd: ‘Moet een schrijver veel hebben meegemaakt om een mooie en belangwekkende roman te kunnen schrijven?’ Vogelaar koos voor een bespiegeling over ‘een beladen voorbeeld (…), de literatuur over de concentratiekampen’.

2 De termen ‘beleving’ en ‘ervaring’ zijn van Vogelaar. Hij gebruikt ze in Over kampliteratuur maar ook al eerder in bijvoorbeeld de essays opgenomen in Striptease van een ui. De transformatie van directe beleving in bewuste ervaring maakt voor Vogelaar de kern uit van literatuur. Hij looft de Russische schrijfster Lidia Ginzburg, die een boek publiceerde over de belegering van Leningrad tijdens de Tweede Wereldoorlog, omdat ze ‘de beleving van een naakt fysiek bestaan al schrijvend tot ervaring maakt, door beschrijving en verwerking samen te voegen, zonder in abstracties te vervallen’. In de vormgeving en het doordachte taalgebruik ziet Vogelaar een krachtige combinatie van afstand en nabijheid, van analyse en concrete details. Zijn bewondering voor Is dit een mens? Van Primo Levi uit Vogelaar in nagenoeg dezelfde bewoordingen: hij prijst het boek omwille van ‘de combinatie van (analytische) afstandelijkheid en (zintuiglijke) nabijheid’ en de vruchtbare dialectiek van abstracte compositie en concrete situaties. Ook de Joegoslavisch-Hongaarse schrijver Danilo Kis is er volgens Vogelaar in geslaagd de beleving van een geschiedenis van oorlog en vernietiging om te zetten in een bewuste, literair vormgegeven ervaring. Hij gebruikt hiervoor de verbeelding, ‘het vermogen bij uitstek om de werkelijkheid te beleven – haar niet passief te ondergaan, als gebeuren, maar bewust te ervaren (…): er een vorm aan geven, een eigen vorm’. Het lijkt erop dat genoemde auteurs via hun taalgebruik een hoogstpersoonlijke uitweg hebben gevonden uit de impasse die Vogelaar in Raadsels van het rund formuleerde. In dat boek zocht Vogelaar naar een vorm van reflectie op de werkelijkheid die tezelfdertijd de kritiekloze empirie of onmiddellijkheid én de lege abstractie of distantie kon vermijden. De vormbewuste auteur moet een vorm ontwikkelen die hem toelaat de onmiddellijkheid te overstijgen zonder te vervallen in abstracties die alle contact met de concrete werkelijkheid verliezen.

3 In het essay ‘Bezette literatuur. Kafka na Levi’ uit Striptease van een ui parafraseert Vogelaar deze uitspraak van Primo Levi. Hij voegt er in dat essay wél een evaluerende term aan toe: ‘Terecht wijst Levi de idee resoluut van de hand als zou er niet meer dan een gradueel verschil zijn tussen concentratiekamp en bijvoorbeeld de Fiatfabriek of een psychiatrische instelling.’ Vervolgens merkt Vogelaar op dat Levi het concentratiekamp als een spiegel, zij het een vervormende spiegel, van de buitenwereld omschrijft, aangezien bepaalde sociale verhoudingen in het kamp terugkeren. Ook hier voegt Vogelaar zijn evaluatie toe: ‘Het accent ligt daarbij op “vervormende”.’

4 Impliciet of expliciet is in het werk van Vogelaar de idee aanwezig dat de kapitalistische maatschappij steunt op mechanismen van discipline, controle, uitsluiting en opsluiting. De dispositifs die hij daarbij vooral viseert, zijn de psychiatrie en de architectuur. In het artikel ‘Van utopie naar atopie’, opgenomen in Terugschrijven (1987), maakt Vogelaar een opmerking die in het licht van Over kampliteratuur nogal in het oog springt. Hij heeft het over de verhouding tussen utopische maatschappijmodellen, zoals dat van Campanella, en de reële maatschappijvormen in de twintigste eeuw. ‘Geen wonder dat er zulke frappante overeenkomsten te zien zijn met het (concentratie)kamp, de (woon)kazerne, enzovoort, kortom met de feitelijk bestaande collectieve organisatievormen.’ Vogelaar noemt hier het kamp in één adem met ‘collectieve organisatievormen’ die niet tot de totalitaire of fascistische maatschappij beperkt blijven.

5 Arnold Heumakers verwijst in zijn essay ‘Onvoorstelbaar, onuitsprekelijk. Over de verbeelding van de holocaust’ naar de studie Modernity and the holocaust (1989) van Zygmunt Baumann. Baumann beschrijft de holocaust als een product van de moderniteit: ‘De planmatig uitgevoerde, bureaucratisch georganiseerde en “wetenschappelijk” gelegitimeerde massamoord was alleen mogelijk in onze moderne wereld.’ Door deze analyse vervalt de geruststellende mythe dat de holocaust een onbegrijpelijke terugval in de barbarij was, met andere woorden ‘iets dat buiten de moderniteit valt’. Wel plaatst Vogelaar, samen met vele van de auteurs die hij bespreekt, vraagtekens bij de zogenaamde ‘goed geoliede machine’ waarop de nazi’s konden steunen. Deze machine had immers te lijden onder chaos en incompetentie. Bovendien kant Vogelaar zich tegen de neiging om het nationaal-socialisme tot mythische proporties op te kloppen, alsof het systeem door een bovennatuurlijk wezen werd gedirigeerd.

6 In ‘Herinnering van de herinnering’ uit Striptease van een ui keerde Vogelaar zich al tegen de mythe van de ‘onbegrijpelijkheid’ van de kampen, aangezien die mythe de vraag naar de verantwoordelijkheid doet vervagen. ‘Het kamp is een misdadige calamiteit die haar weerga niet kent, maar geen diabolische episode zó onbegrijpelijk dat er nauwelijks nog individuele mensen voor aansprakelijk gesteld kunnen worden.’

7 Ik ga niet in op specifieke gevallen – het gaat om het begrip collage. Overigens behandelt Vogelaar (veel) uitvoerig(er) het werk van auteurs als Julius Margolin of Elinor Lipper waarvoor hij niets dan lof heeft.

8 Opmerkelijk is dat kampdeskundige Gie van den Berghe in zijn recensie ‘Mijn kamp’ Vogelaar verwijt zelf hier en daar onnauwkeurig te citeren of citaten uit hun context te rukken. ‘Ook Vogelaar bezondigt zich aan wat hij schriftvervalsing noemt,’ oordeelt Van den Berghe. Met name bepaalde passages uit het werk van Charlotte Delbo en Eugen Kogon zou Vogelaar in dat opzicht onrecht hebben aangedaan. Nog volgens Van den Berghe zou Vogelaar, in zijn drang naar polemiek, La douleur van Marguerite Duras oneerlijk hebben behandeld. Ik laat het aan de kenners van de kampliteratuur om over deze discussie een oordeel te vellen.