Lucas Hüsgen

Published: 17/07/2013

Tags: history litcrit politics

Lucas Hüsgen over het werk van Han Yong-un en de turbulente geschiedenis van de Koreaanse natie, met speciale aandacht voor de bijzondere combinatie van nationalisme en boeddhisme in Han Yong-uns poëzie. Naast de vertaling van enkele gedichten oorspronkelijk verschenen in nY #18 (2013).

 

Bij mijn eerste bezoek aan Zuid-Korea, in 1997, bezocht ik vanzelfsprekend ook Kyeongbokkung, het grootste van de voormalige koninklijke paleizen, in het hartje van Seoul. Zwaar onder de indruk van dat even gracieuze als labyrintische complex, was ik blij binnen de muren op een weidse open ruimte terecht te komen. Daar raakte ik in gesprek met een ambtenaar van het nabijgelegen Ministerie van Cultuur, bezig aan zijn lunchpakketje. Hij sprak zijn teleurstelling uit dat de wereld zijn land enkel als fabriekshal waarnam, terwijl de Koreaanse cultuur zo veel te bieden had. Maar goed, dat lag allemaal aan de Japanners, de centrale vloek van de Koreaanse geschiedenis. Die hadden er alles aan gedaan om ons als boerse idioten af te schilderen, terwijl hun cultuur nagenoeg alles aan die van ons te danken heeft. En trouwens de hele wereld, sprak hij samenzweerderig. Bekijk die zuil maar eens. Dan kun je zien wat de wereld aan Korea te danken heeft, en niemand die ons ooit heeft bedankt. Uitermate nieuwsgierig naar dat eeuwenoude instrument zonder welk mijn leven er heel anders zou hebben uitgezien, liet ik mij meevoeren. 

Het bleek een zonnewijzer. Koreanen mogen graag grapjes maken, maar deze man was toch echt van bittere ernst vervuld. Het spijt me echter wel: ondanks de onmiskenbare ouderdom van de Koreaanse cultuur, bedacht Jang Yeongsil de Koreaanse zonnewijzer toch werkelijk pas een kleine 5000 jaar na de allereerste, de wereld geboden door de Egyptenaren. Eigenaardig genoeg vergat de ambtenaar wat de wereld wel degelijk aan Korea te danken heeft: de uitvinding van de boekdrukkunst met los zetsel, voorafgaand aan Gutenberg en Arend Janszoon Coster.[1] 

*

In mijn omgang met Koreanen ben ik nadien wel vaker op dit soort malle uitingen van nationale trots gestuit (‘wij hebben veel meer flatgebouwen dan jullie!’), en waar mijn eigen talent in die richting wat beperkter is, was dat niet altijd even aangenaam. Maar wie de Koreaanse geschiedenis kent, kan ongeveer inschatten waar dat nationalisme vandaan komt. Het is in elk geval niet het soort nationalisme van landen die de wereldzeeën hebben bevaren, het geografische hart van Europa vormden, als land van ongekende mogelijkheden een half continent mede bevrijdden. Het is (of lijkt minstens) het nationalisme van wie na vele dompers een gezicht tegenover de wereld moet redden, daarbij graag miskennend dat men zelf niet helemaal vrijuit gaat als deeloorzaak van het vervlogen onheil.

Nu staat dat redden van je gezicht centraal in de Koreaanse zelfervaring, stoelend op de plaatselijke uitleg van het confucianisme. De Koreaan, bewoner van een uitermate bergachtig land, ziet zich als een berg tussen hemel en aarde, en dient als zodanig beide respect te betonen. Dat doet men bijvoorbeeld door een zo fatsoenlijk mogelijk uiterlijk. Dat leidt ertoe dat Zuid-Korea nu wereldwijd nummer één is op het gebied van plastische chirurgie.[2] Die idee van de mens als berg bezorgt de Koreaan daarnaast ook een zekere onverbiddelijkheid, met als extreem uitvloeisel de bergenfamilie Kim te Pyongyang, die zichzelf afkomstig heeft verklaard van de heilige berg van Korea, Paekdusan, het mythisch beginpunt van Korea, gelegen aan de grens met China. 

*

Han Yong-un

Dit ter introductie van de dichter Han Yong-un (1879–1944), een van de vooraanstaande modernisten uit de Koreaanse poëzie, minstens omdat hij het eerste vrije vers in het Koreaans schreef. Hij geldt echter bovenal boegbeeld van nationalisme in angstige tijden, al vervult hij daarin een dubbelzinnige rol. Om die te kunnen plaatsen, is het handig om grofweg te weten hoe het de menselijke Koreaanse bergen door de eeuwen heen is vergaan. 

Korea heeft altijd een verwrongen verhouding gehad tot China. Zeker, men bewonderde de grote buurman om zijn politieke en culturele betekenis, en de economie was ook eeuwenlang ingericht op jaarlijkse tribuutbetalingen in die richting. Tegelijkertijd spreken de Koreanen een geheel niet aan het Chinees verwante taal, die echter eeuwenlang in Chinees schrift moest worden geschreven. Oorspronkelijk Koreaanse woorden kun je daar niet rechtstreeks in weergeven, zomin als fundamentele grammaticale verschillen. Men bedacht methoden om dit op te vangen, maar al te belangrijk vond men dat niet. De adel, de zogeheten yangban, mocht dan al vanaf de tijden dat Korea nog het boeddhistische koninkrijk Koryo was (918–1389), weinig op hebben met de Chinese voorliefde voor een centrale regering, door het praktiseren van het Chinees werd het gewone volk, voornamelijk lijfeigenen, die enkel het Koreaans beheersten, netjes op afstand gehouden.

Na de confucianistische machtsovername – die zich onder meer verzette tegen de corrupte macht van boeddhistische kloosters en zelf leidde tot het koninkrijk Choson onder de Yi-dynastie (1392–1910) – raakte dit aan het schuiven. De tweede confucianistische koning, koning Sejong, legde via de taal de grondslag voor een nieuw Koreaans zelfbewustzijn. Vanuit zijn geloof in literaire cultuur als de basis voor een goede regering meende hij dat het gewone volk minstens de door zijn vader gecodificeerde wetten moest kunnen lezen. Een speciale commissie ontwierp het Koreaanse alfabet, waarin de Koreaanse taal nagenoeg eenduidig wordt weergegeven. Het is een van de voornaamste bronnen van nationale trots: Korea is het enige land ter wereld met een jaarlijkse feestdag voor het eigen alfabet.

Daarnaast legde Sejong via stevige militaire inzet tegen nomadenstammen de noordelijke grenzen van het land vast, grotendeels vergelijkbaar met de huidige noordgrens van Noord-Korea. Zo raakte het eigen alfabet verknoopt met het besef van geografische nationaliteit. Wat niet wil zeggen dat het vanaf dat moment enkel maar bergop ging. Na Sejong raakte het land verstrikt in een diepgaand conflict over de grondpolitiek. Het oude probleem van de zelfbewuste adel tegenover de centrale regering ging door maatregelen van zijn zoon, koning Sejo (1455–1468), een nieuwe fase in: om land te mogen bezitten, moest een adellijke familie een familielid aan het hof hebben. Die uitnodiging tot nepotisme leidde, gepaard aan andere klassenproblematiek en de regels rond het tribuut, tot verregaande complicaties.

De kwestie nam het land ook in de zestiende eeuw dusdanig in beslag dat het weinig aandacht had voor wat zich buiten de deur afspeelde. Maar terwijl Korea uiteenviel in twee elkaar te vuur en te zwaard bestrijdende facties, raakte Japan juist in de ban van een streng militair bewind, in 1590 culminerend in de alleenheerschappij van shogun Hideyoshi. En waar Korea economisch geen andere buitenwereld kende dan China, handelden de Japanners met de Portugezen en sleepten ze langs die weg ook musketten in de wacht. Korea doorzag het gevaar niet, eens te meer doordat men zich in 1555 van de oosterbuur had afgewend na het afslaan van een gecoördineerde aanval door Japanse piraten. Hideyoshi probeerde de betrekkingen te heropenen, maar met weinig vriendschappelijke bedoelingen: Korea moest als bruggenhoofd dienen voor een aanval op China. De Koreaanse koning sloeg het verzoek af, maar was verontrust genoeg om twee gezanten naar Japan te sturen, ter beoordeling van de dreiging. Een van hen, de filosoof Yi Yi, waarschuwde bij terugkeer zeer nadrukkelijk voor de Japanse bedoelingen. De metgezel ontkende: men had hem verzekerd dat er niets aan de hand was. Dat hoorde de koning graag: zo hoefde hij geen troepen in stelling te brengen, die hij voor de interne conflicten achter de hand moest houden – en die toch al niet indrukwekkend waren.

Dat was de eerste noodlottige misrekening uit de Koreaanse geschiedenis, nog eens gevoed door het blinde geloof dat het onheil vanuit het noorden komt (men was al eens door de Mongolen onder de voet gelopen): de zee werd volledig over het hoofd gezien. In de lente van 1592 viel Hideyoshi Korea binnen, dat zeker wel hulp kreeg vanuit China, en bovendien al snel beschikte over de vindingrijke ‘schildpaddenschepen’, de gepantserde schepen van generaal Yi Sun-Shin.[3] Bij de tweede Japanse inval van 1597 wisten die de Japanners definitief te verslaan, maar dat deed niets af aan de verwoesting. Vele duizenden mensen waren afgeslacht, vele duizenden ontvoerd zonder ooit terug te keren, landbouwgronden waren met decennialange uitwerkingen verwoest, in alle verwarring graaiden de yangban alle land bij elkaar dat ze maar bijeen konden graaien, de staat kon zijn slaven niet meer voeden. Ook van de Koreaanse cultuur was weinig over: een ontelbaar aantal boeken, kunstwerken en bouwwerken was gestolen dan wel vernietigd (naar schatting zo’n 80% van wat er moet zijn geweest). Keramisten waren gedeporteerd, wat de basis legde voor de Japanse wereldroem op dit gebied, zoals de oosterbuur ook intellectueel profiteerde van de gestolen boeken. Zonder de inval van Hideyoshi zou Japan nooit zijn internationale status van leidende cultuurnatie hebben verworven, Korea en passant als land van achterlijke boeren afschilderend.

Een paar decennia later deed zich ietwat vergelijkbaar ongemak voor ten aanzien van China, waar de Mantsjoes, die eerst Korea aan een invasie en dubieuze machtsspelletjes hadden onderworpen, halverwege de zeventiende eeuw de macht grepen. China werd niet langer bewonderd, maar vanwege zijn onontkoombaarheid gedoogd. Korea trok zich zo ver mogelijk terug uit de wereld. Hoewel men zich nog enigermate trachtte te verstaan met de vanuit Peking binnensluipende Westerse filosofische, religieuze en technologische invloeden, ontwikkelde zich vooral een nieuw besef van eigen cultuur, eigen geschiedenis en zeker ook taal en alfabet, resulterend in grote culturele bloei.

Maar de moderniteit stelde nieuwe eisen. Was het relatief eenvoudig om zo nu en dan wat katholieken te vermoorden (die slaven zomaar bijbrachten dat ze individuen waren), het was wat anders om een speelbal te worden van de omringende grote machten terwijl je zelf nooit heb geleerd hoe het spel wordt gespeeld. Vanaf 1850 gaven diverse incidenten Korea de indruk dat men de vreemde naties makkelijk buiten de deur kon houden: het enige malen tot zinken brengen van voorbijvarende Amerikaanse oorlogsbodems bleef zonder gevolgen. Men doorzag niet dat Rusland, de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk het nut van een inval nog niet inzagen, bovendien andere dingen aan hun hoofd hadden. Maar in Koreaanse ogen waren die vreemde naties, bang voor een paar schoten van de kustbewaking, zwakkelingen, wat meteen ook gold voor de gehate oosterburen, toen een delegatie vaststelde achtte zich ver boven dat soort weke barbaren verheven. 

Dat was de tweede noodlottige misrekening. Korea, nog altijd primair een landbouwnatie met een confucianistische moraal die neerkeek op handel, zag niet in dat het zich sterk industrialiserende Japan op zoek was naar een nieuwe afzetmarkt, met Korea als eerste kandidaat. Het land drong via militaire en diplomatieke manipulaties steeds verder binnen in Korea, wat zijn beslag kreeg in het Verdrag van Kanghwa (1876), dat aan Japanners speciale privileges verleende. Dat betekent echter niet dat Korea een en ander gedwee over zich heen liet gaan: er werden serieuze pogingen ondernomen om het land tot eigen voordeel te moderniseren, ondanks vaak verregaand intern verzet. Maar tegelijkertijd begreep de rest van de wereld nu dat het wel degelijk mogelijk was Korea binnen te dringen. Achtereenvolgens sloten de VS, Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk (officieel met Korea, maar feitelijk met China) verdragen die hen verregaande privileges in de handel met Korea vergunden. China droeg nog wat steentjes bij door Seoul militair te bezetten.

Japan zag zich almaar meer in de hoek gedrongen, maar kreeg hulp uit onverwachte hoek. De uitbuiting door buitenlandse machten leidde tot de Donghak-revolte,[4] die een groot deel van Korea in zijn greep kreeg. De rebellen eisten echter niet alleen een einde aan de Japanse invloed, ze eisten vooral een afschaffing van het feodale systeem. De Koreaanse koning Kojong riep daartegen de hulp in van China, dat troepen zond, waarop Japan niets anders kon dan ook troepen te zenden. Die bleken in oorlogsvoering ietwat bedrevener. Vanaf de Chinese nederlaag in 1894 was Korea feitelijk, hoewel nog niet formeel, in Japanse handen. In ijltempo werd het land aan allerlei nieuwe regels onderworpen, die lang niet altijd slecht waren (zo werd bijvoorbeeld de slavernij afgeschaft), maar enkel dienden ter bevordering van het Japanse kapitalisme ter plekke. Het werd Koreanen zelfs verboden de eigen traditionele kleding te dragen, ter meerdere eer en glorie van de Japanse kledingindustrie. Het Koreaanse hof zocht toevlucht bij Rusland, wat Japan prompt afstrafte door Kyeongbokkung binnen te dringen en de koningin te vermoorden. Ondanks wereldwijde protesten zette Japan de hervormingen door. Uitermate vernederend was het verbod op traditionele Koreaanse haardracht, ten faveure van een Westerse haarsnit. De Koreaanse koning zocht en vond asiel in de Russische ambassade: een nadeel voor de Japanners, die voor hun ingrepen nog altijd afhankelijk waren van zijn handtekening. Het contact met Rusland werd stevig uitgebouwd, maar de Japanse economische macht kon niet meer worden ongedaan gemaakt, minstens doordat de Japanse Daichii Bank feitelijk als nationale bank van Korea fungeerde.

Toen het er na een jaar toch op leek dat het ongemakkelijke evenwicht standhield, verliet koning Kojong eindelijk de Russische ambassade. Vanuit het nu Deoksugung geheten paleis te Seoul werd ter beklemtoning van de onafhankelijkheid tot een meesterzet besloten. Omdat het Koreaanse woord voor ‘koning’ duidde op een heerser die onderworpen was aan de Chinese keizer, terwijl de Japanse keizer op gelijke voet stond met die van China, zou vanaf nu ook de Koreaanse koning ‘keizer’ heten. Ter verdere bekrachtiging werd de naam ‘Choson’, vijf eeuwen eerder door de Chinese keizer goedgekeurd, veranderd in ‘Taehan Cheguk’, grofweg, ‘het Koreaans keizerrijk’.

Dat redden van het eigen gezicht mocht niet baten: niemand was onder de indruk. Korea werd de inzet van de Japans-Russische Oorlog (1904–1905), en met de Japanse overwinning in zicht erkenden de VS per verdrag de Japanse rechten over het land, op voorwaarde dat Japan de Filipijnen met rust liet, zoals ook de Britten een dergelijk verdrag tekenden inzake India. In een wanhoopspoging om de wereld op de Japanse machtsovername te attenderen zond keizer Kojong in 1907 gezanten naar de Tweede Haagse Vredesconferentie. Maar hoezeer ook vertegenwoordigers van een formeel nog altijd onafhankelijk land, zij werden niet toegelaten. De verzetsbeweging onder het volk versterkte verder enkel nog het Japanse militaire en politionele systeem. En zo gebeurde in 1910 het onvermijdelijke: per gedecreteerd verdrag werd de Koreaanse onafhankelijkheid afgeschaft. Het land moest verder als kolonie.

*

Zestien jaar later dan verscheen Nim-ui Ch’immuk (Het zwijgen van de geliefde), die ene dichtbundel met een nog altijd aan het heilige grenzende, nationalistische status, geschreven door Han Yong-un. Nu wekt de titel, evenals menig gedicht, de indruk zich enkel bezig te houden met de verwijdering tussen geliefden. Maar enige wetenschap over de figuur Non’gae uit het hier aangeboden ‘Non’gae’s minnaar, staande bij haar schrijn’, verduidelijkt meteen het politieke kader rondom die amoureuze aangelegenheden, waarbij al spoedig ook de religieuze achtergrond om de hoek komt kijken.

Alle Koreanen kennen de geschiedenis van Non’gae. Zij was een kisaeng, de Koreaanse pendant van de Japanse geisha. Tijdens een fase van de eerste inval onder Hideyoshi was zij onder de vrouwen die werden opgeroepen om de zegevierende Japanse generaals te amuseren, in het Chokseongnu-paviljoen aan de rivier Namgang, de Zuiderrivier, inderdaad gelegen in het diepe zuiden. Een van die generaals voerde zij mee naar een klif, waar ze hem stevig omhelsde en mee de diepte in sleurde, met hun beider dood tot gevolg. Sindsdien geldt Non’gae als de grote heldin van opofferingsgezindheid voor het vaderland.

Uiam (의암, 義巖), de rots van de rechtschapenheid

Aan haar wordt met een melancholiek wisselbad van emoties en overwegingen eer betoond door een dichter die zelf politiek actief was in het verzet tegen de kolonisatie van enkele eeuwen later, vanuit een boeddhistische levensovertuiging. Nu was de Koreaanse staat dus al sinds enige eeuwen confucianistisch, en zo lijkt het wat vreemd, als boeddhisme en militant nationalisme samengaan tegenover een kolonisator die aan datzelfde geloof een belangrijke rol toekent: in zijn Zen-variant droeg het sterk bij aan de vorming van het Japanse militaire bestel.

Hoezeer ook in de verdediging gedrukt, in Korea was het boeddhisme echter nooit helemaal weggeweest: het was een religie van het gewone volk geworden, waar het zich had vermengd met het sjamanisme, de eigenlijke inheemse religie, terwijl de geestelijken zich op den duur ruimschoots uit de wereld hadden teruggetrokken. Nu was Han Yong-un afkomstig uit een yangban-familie, en daarmee van huis uit confucianistisch. Maar zijn familie was aan lager wal geraakt en had ook slechte ervaringen opgedaan met corrupte ambtenaren: het verkleinde de sprong naar het boeddhisme als religieus alternatief. De sprong naar het sjamanisme was voor deze jonge edelman vermoedelijk net iets te groot. Na enige omzwervingen (waaronder zelfs een mislukte poging tot wereldreis) verliet Han Yong-un in 1905 zijn vrouw en pasgeboren kind om zich tot boeddhistisch monnik te laten wijden en zich verder in die richting te ontwikkelen. Met die daad verbrak hij ook op ander front de banden met de confucianistische achtergrond: het huwelijk was niet op liefde gebaseerd, maar naar confucianistisch gebruik gearrangeerd – toen Han Yongun dertien jaar oud was.

Tijdens zijn boeddhistische studies in nota bene Japan zag hij in dat het Koreaanse boeddhisme dringend aan vernieuwing toe was. In 1913, drie jaar na de annexatie, publiceerde hij een essay dat opriep tot verwereldlijking: monniken moesten bereid zijn voor hun studies naar het buitenland te reizen, terwijl ze in eigen land weer het contact met de mensen moesten zoeken.[5] Ook diende de Koreaanse regel van het monnikencelibaat naar Japans voorbeeld te worden opgeheven. Alleen zo kon het boeddhisme weer de dragende kracht van Korea worden.

Daarin schuilt natuurlijk een dubbelzinnigheid: dezelfde religie die vijfhonderd jaar eerder vanwege verregaand machtsmisbruik was onttroond, moet het land vanuit een inspiratie, opgedaan bij de onderdrukker, behoeden voor de ondergang. Die theoretische herkomst weerhield Han Yong-un er echter niet van zich politiek tegen Japan te engageren, al vluchtte hij wel eerst naar Mantsjoerije, vervuld van weerzin vanwege de kolonisatie. Daar werd hij neergeschoten door andere Koreaanse vluchtelingen, die hem aanzagen voor een Japanse spion. Terwijl hij daar ernstig lag te bloeden, zou hij zijn bezocht door Avalokitesvara, de boeddha van het Het lukte zowaar, de wond heelde, maar voor de rest van zijn leven droeg hij de kogels in zich mee, als lijflijke herinnering aan wat haat jegens de onderdrukker betekent.

Terug in Korea ging hij op in boeddhistische intellectuele activiteit, waaronder de publicatie van voornoemde oproep, schreef poëzie in het Chinees, bereikte in 1917 verlichting (binnen een boeddhistisch heldenepos niet onbelangrijk), stichtte ook een boeddhistisch tijdschrift, en maakte dan, tegen de 40 lopend, de sprong naar het Koreaans als literaire taal: het eerdergenoemde eerste vrije vers in het Koreaans, een poëtische verbeelding van boeddhistische ideeën.

In de buitenwereld gebeurde intussen allerlei inzake kolonisatie, onderdrukking, muilkorving. Toen de voormalige keizer overleed en het gerucht van vergiftiging door Japan de ronde deed, was de maat vol. De onafhankelijkheidsbeweging (een qua politieke en religieuze achtergrond uiterst gemêleerd gezelschap) riep op tot een demonstratie op 1 maart 1919, de dag van de keizerlijke begrafenis. Han Yong-un raakte hier rechtstreeks bij betrokken als medeauteur van de op die dag geproclameerde Onafhankelijkheidsverklaring: dat kwam hem op arrestatie te staan. Het bleef trouwens niet bij die ene demonstratie, die vanuit het Pagodepark[6] over de hele hoofdstad uitzwermde, en een rabiate Japanse reactie opriep: er werd wild in de menigte geschoten, duizenden werden gearresteerd en gemarteld. Maar ook in de rest van het land staken zo’n vijftienhonderd demonstraties de kop op, met twee miljoen deelnemers van alle leeftijden, overtuigingen en maatschappelijke lagen. Ook daar sloeg Japan keihard terug, met zevenduizend dodelijke slachtoffers en vijftienduizend gewonden tot gevolg.

*

Han Yong-un zelf gebruikte het proces dat volgde op zijn arrestatie als bühne voor een uitvoerige en aan duidelijkheid niets te wensen overlatende principiële verdediging van de Koreaanse onafhankelijkheid, al waarschuwde hij ook visionair voor de gevolgen als de wereld lijdzaam zou blijven toezien bij de vernedering van het Koreaanse volk door de Japanners. Dat zou onvermijdelijk leiden tot verdere machtsontplooiing, met oorlog in heel Azië tot resultaat. 

Het allerbelangrijkst is echter het uitgangspunt van zijn pleidooi: het poneren van een algemeen creatuurlijk verlangen naar vrijheid. Met die uitbreiding voorbij het menselijke sprak hij zich nadrukkelijk uit als de boeddhist die gelooft in geest als het op gelijk niveau over alle levende wezens verdeelde basisprincipe van het leven. Kortom: hoe waardig het Koreaanse volk ook was (en dat werd in het pleidooi ook benadrukt), het was daarmee niet verheven boven enig ander volk of enige dier- of plantensoort, laat staan boven ieder individueel mens, al hebben elk van deze zelf weer hetzelfde recht om zich verbonden te voelen met hun geboortegrond. De Koreaanse drang naar onafhankelijkheid was daarmee niets anders dan een speciaal geval van de algemeen creatuurlijke situatie: de vrijheid heeft het absolute primaat.

Zo toonde Han Yong-un op het precieze moment van berechtiging hoe zijn inzet voor de nationale zaak dus allerminst van eng nationalistische aard was, maar in het kader stond van een algemene vrijheidsidee die dwang, uitgeoefend door de bevrijde, op zijn beurt verbiedt. Hoewel altijd strikt boeddhistisch, komt die opvatting nog het dichtst in de buurt van het hedendaags anarcho-primitivisme, dat evenzeer de vrijheid van levende wezens binnen een algemeen ecologisch kader vooropstelt, het belang van staten daarbij ontkennend. Het is wel belangrijk om op te merken dat Han Yong-un in zijn essays één keer de term ‘socialistisch boeddhisme’ gebruikte, maar die nooit uitwerkte. Hoe dicht hij ook in de buurt stond van westers geïnspireerd links, hij hield er ook altijd afstand van, vanwege de linkse neiging mensen op grond van hun sociale positie te willen bevrijden, ook als ze er zelf de noodzaak niet van inzien, wat voor hem als boeddhist ondenkbaar was, omdat het van uit gebrekkig invoelingsvermogen en besef van wederkerigheid de vrijheid van de ander aantast. Die zal het zelf moeten doen. Men mag proberen te overtuigen, maar machtsmiddelen zijn uit den boze. Het is deze algemene inslag die Han Yong-un vanaf zijn ontslag uit de gevangenis in 1922 tot aan zijn dood in 1944 (een jaar voor het einde van de Japanse overheersing) is blijven uitdragen – al stootte hij er zijn medestanders soms mee voor het hoofd (zoals toen hij ontkende dat Boeddha in de huidige tijd een Koreaans nationalist zou zijn geweest), en al moest hij wegens toegenomen invloed en prestige nogal eens schipperen ten opzichte van de Japanners. In grote lijnen bleef hij zichzelf echter trouw, zoals toen hij weigerde een Japanse naam aan te nemen zodra dat officieel verplicht werd gesteld. Hij deed het later ook als schrijver van romans, al bereikten die om literaire redenen nooit de status van die ene dichtbundel.

Tegelijkertijd lijkt een van die gedichten, onder de titel ‘Onderwerping’, eerder de geloofsbelijdenis van een sadomasochist dan een uiting van vrijheidsverlangen. Het is echter een cruciaal gedicht, omdat het naadloos past binnen het door Han Yong-un in zijn boeddhistische essayistiek beklemtoonde geloof in eigen verantwoordelijkheid. Want wat de Koreanen ook allemaal hebben moeten slikken, de schuld ligt niet enkel bij de onderdrukker. Daar valt wat voor te zeggen: zowel de invallen uit de zestiende eeuw als ook de weg naar kolonisatie in de twintigste eeuw werden mede mogelijk gemaakt door Koreaans navelstaren, gepaard aan onhandigheid in de omgang met de buitenwereld. Voor Han Yong-un gold dat de Koreanen daarmee mede voor hun onderwerping hadden gekozen. Maar zagen ze dat eenmaal in, dan verlosten ze zich van het verstikkende geloof in het eigen slachtofferschap en konden ze ook zelf weer kiezen voor het tegendeel: de onderwerping aan de eigen essentiële innerlijke vrijheid, een keuze die andere onderwerping radicaal uitsluit.

Hier mag niet onvermeld blijven dat Koreaanse intellectuelen een dubbelzinnige verhouding hadden tot Japan. Want ondanks alle door dat land verbreide kwaad, bood het via een weelde aan vertalingen tegelijkertijd ook toegang tot literatuur en filosofie uit landen waar nauwelijks een Koreaan was geweest. Ook Han Yong-un had destijds in Japan niet alleen het boeddhisme, maar ook Westerse filosofie gestudeerd, met minstens tot gevolg dat de bundel in zijn korte voorwoord (dat de identiteit van liefde en vrijheid poneert) onder een opmerkelijke verwijzing naar Kant de opmaat van het eerdere rechtspleidooi herformuleert: ‘Zijn de levende wezens Boeddha’s geliefden, dan is filosofie de geliefde van Kant.’

Ook om reden van die intellectuele verrijking bevond men zich dan wel in het eigen innig geliefde land, maar ervoer men zich tegelijkertijd als ver verwijderd van het land van al die voorouders uit het door Koreaanse families trouw bijgehouden familieregister. Het geliefde Korea was er wel, maar niet ter plekke. Men zag de geliefde, maar in een voortdurend vaarwel, niet enkel door geweld en onderdrukking, maar ook door verlokking. Dat complexe gevoel van een scheiding die juist in de afstand ook weer hoop biedt, is een centraal thema in die ene bundel, waarvan trouwens de titel een onvertaalbare dubbelzinnigheid bevat.

Wat ik als ‘de geliefde’ vertaal, is het woord ‘nim’, maar dat is eigenlijk een suffix van eerbied en respect, zoals in de term ‘seonsaengnim’, waarmee je een leraar aanspreekt, of in het algemeen een persoon van status, dus: ‘meneer’ of ‘mevrouw’.[7] Normaler zou ‘im’ zijn geweest. Maar enkel al door deze prominente woordkeuze maakt Han Yong-un duidelijk dat er meer aan de hand is dan pure liefdespoëzie. ‘Nim’ heeft daarbij (ten minste in die tijd) zelfs een dusdanig mannelijke connotatie dat je het titelgedicht ook kunt lezen als geschreven vanuit vrouwelijk perspectief.[8] Maar vooral is dit een stijlfiguur die in de klassieke Koreaanse poëzie vaker werd gebruikt om de verhouding tot de vorst aan te duiden. Waar een vroegere vorst dermate indringend had gesproken, dat hij hooguit door de wanhoopskreet van het gedicht tot aandachtige stilte kon worden bewogen, blijkt hij nu te zwijgen. Zo is hij in al zijn adel teruggevallen tot de status van een geliefde die ervandoor is.

Welbeschouwd had Han Yong-un datzelfde gedicht vanuit zijn principes ook kunnen schrijven zónder Japanse kolonisatie, louter verwijzend naar het teloorgegane boeddhistische Korea: het voorwoord plaatst de bundel toch al in boeddhistisch perspectief. De term kan ook slaan op de Boeddha-natuur van elk met gevoel begiftigd wezen, waartoe we voortdurend afstand ondervinden. En datzelfde titelgedicht kan dan ook nog eens worden gelezen als een autobiografische poging van de dichter zich in te leven in de gevoelens van de echtgenote, die moest meemaken dat hij haar in de steek liet voor hogere studies, terwijl ze net een kind ter wereld had gebracht. Hij mocht als geestelijke dan wel consequent hebben gevochten voor het einde van het celibaat, hij had ook bij haar kunnen blijven. Dan was dat allemaal niet nodig geweest. En om vanuit Koreaans perspectief deze betekenislagen nog wat subtieler te maken, zal Han Yong-un in de hele bundel verschillende woorden voor ‘geliefde’ gebruiken, al is de draagwijdte daarvan voor de lezer van de vertaling moeilijk in te schatten.

*

Met zijn hele beeldende, tastende, doorleefde spel van betekenislagen, suggestiviteit en paradoxen, dat ook regelmatig als pure poëzie kan worden gelezen, droeg Han Yong-un er zeker toe bij dat deze bundel van een erkende opstandeling aan de Japanse censuur ontkwam: twee jaar voor het verschijnen ervan was een ander dichter nog in de problemen gekomen vanwege een expliciet militant Non’gae-gedicht. Han Yong-un bleef daarvan gevrijwaard, zoals veel meer dichters doorzagen hoe ze de Westerse symbolistische technieken moesten inzetten om zich uit te spreken voor Korea zonder de kolonisator over zich heen te krijgen. Dat ging zelfs zover dat zelfs het beroemdste twintigste-eeuwse Koreaanse gedicht, ‘Naast de chrysant’ van Seo Jeong-gu, twee jaar na de Japanse nederlaag nog op uiterst versleutelde wijze sprak van de bevrijding.

Overigens waren niet alleen boeddhisme en Westerse literatuur en filosofie van belang voor Han Yong-un. De bundel bevat ook een (net wat te pathetische, daarom hier niet opgenomen) reflectie op een gedicht van de Indiase dichter Rabindranath Tagore, door hem ook vaak gerecenseerd en vertaald. Evenals Han Yong-un valt ook Tagore een mystiek geïnspireerd nationalist te noemen, in verzet tegen koloniaal bewind. Met die Indiase interesse stond Han Yong-un als Koreaans intellectueel niet alleen. Het Indiase verzet werd door velen waargenomen als een voorbeeld om zich aan op te trekken, wat ook gold voor Vietnam in zijn strijd tegen de Franse overheersing.

Nu, enige decennia later, zijn de verhoudingen dramatisch veranderd. Op de landen waar Koreanen ooit tegen opkeken vanwege hun moedig verzet, wordt nu vaak neergekeken, vanwege hun armzaligheid, vergeleken met de eigen welstand, althans wat betreft Zuid-Korea.[9] De omslag gaat zover dat het land inmiddels regelrecht kolonialistische praktijken bedrijft in Zuidoost-Aziatische en Afrikaanse landen, of, als het zo uitkomt, in Oost-Europa. Waar bijvoorbeeld de Koreanen honderd jaar geleden zeer eenvoudige maaltijden tot zich namen, rooft men nu (als rijk land onder vele) omwille van de (ook wereldwijd gepromote) invented tradition van een weelderige Koreaanse cuisine wereldzeeën en weidse arealen op het zuidelijk halfrond leeg. Het land is een van de voornaamste vertegenwoordigers van het de laatste jaren wild om zich heen grijpende verschijnsel van landjepik.[10] Men onderwerpt (niet met wapens, maar met geld en grote beloften) vreemde volkeren aan precies dezelfde praktijken als die de eigen boeren tijdens de kolonisatieperiode mochten ondergaan van de Japanners, en waartegen ze in opstand kwamen. Zuid-Korea heeft inmiddels mogen meemaken dat ook andere volkeren in opstand kunnen komen: nadat Daewoo in 2008 met de regering van Madagaskar een verdrag had gesloten volgens welk het bedrijf de helft van de nationale landbouwgrond 99 jaar lang mocht pachten, kwam het volk in opstand, en zette het de regering af. De deal moest worden teruggedraaid. Dat weerhoudt de Zuid-Koreaanse regering en de grote bedrijven er echter niet van om langs subtielere wegen elders hun slag te slaan.

Die hele huidige welstand vindt zijn oorsprong in het dictatoriale bewind van generaal Park Chung-hee, die echter niet alleen de Koreaanse industrie op poten zette, maar ook alles op alles zette om de Koreanen weer liefde voor de eigen (vooral: muzikale) cultuur bij te brengen. Dat zelfvertrouwen was men eens te meer kwijt na de Koreaanse Oorlog, die het land nagenoeg volledig verwoestte. De herwinning ervan diende echter als smeermiddel bij het op toeren brengen van de (op Japanse leest georganiseerde) industrie. Het is al bijna geen toeval dat juist in deze tijd waar Zuid-Korea zich steeds meer tot neokolonialistische macht in de wereld ontwikkelt de huidige president, Park Geun-hye, de dochter is van diezelfde door velen nog altijd vereerde dictator: los van haar persoonlijke kwaliteiten en afwezigheid van dictatoriale bedoelingen, drukt zij voor velen de band uit met die periode, waarin voor het eerst alles ondergeschikt werd gemaakt aan de expansie van de natie. Hetzelfde Koreaanse nationalisme, dat ooit een vooraanstaand welhaast anarchistisch vertegenwoordiger kende in de evenzeer nog altijd vereerde figuur van Han Yongun, ontwikkelt zich stilaan tot exact het soort macht waartegen hij en zijn tijdgenoten zich verzetten. Het heeft zijns ondanks een welhaast kitscherige kwaliteit dat het hoofdwerk van de dichter Ko Un, de officiële Zuid-Koreaanse kandidaat voor de Nobelprijs voor de Literatuur, in vroeger dagen door de dictatuur vervolgd, een work in progress is dat met de beste boeddhistische bedoelingen de levens van tienduizend Koreanen schetst, met name van hen die door alle ellende heen in vooral rurale sfeer het hoofd boven water wisten te houden.

In het Noorden hanteert men vooral het principe van de rechte rug. Waar het zich tot in de jaren 1960 nog kon voordoen als de verstandiger staat op het Koreaanse schiereiland, is het zeker sinds de val van de Sovjet-Unie steeds verder gedegenereerd tot de communistische pendant van enkele belangrijke kwalen uit de Koreaanse geschiedenis. Het is het land waar ‘de geliefde’ constant spreekt, de hele dag door, in meest letterlijke zin: vanuit luidsprekers schallen voortdurend slogans om het volk te doordringen van de waarde van de staat. Voor zover ze al niet resideren in strafkampen, waarvan de gruwelen nog altijd niet voldoende tot het internationale bewustzijn doordringen,[11] zijn de gewone Noord-Koreanen enkel nog in naam iets anders dan de lijfeigenen die hun voorouders waren. Middels het communistisch samenvallen van partij en staat heeft Noord-Korea ook de macabere gouden weg gevonden voor het oplossen van het aloude Koreaanse conflict tussen adel en hof. Daarnaast heeft men het bewustzijn opgeklopt als grens bewakend deel van Korea garant te staan voor de natie: zo draagt men ook niet voor niets nog altijd de naam Choson.[12] Vanuit dat perspectief klopt het precies dat Noord-Korea zijn grote bondgenoten China en de Sovjet-Unie nooit toestond troepen op zijn grondgebied te stationeren. En vanuit datzelfde stokoude grensbewakingsdenken is het, nog afgezien van militair-strategische bedoelingen, heel logisch om de Amerikanen van het hele schiereiland weg te willen hebben. Maar het schiereiland aan Noord-Korea overlaten zou de kans op goede oude navelstarende misrekeningen enkel maar vergroten, voor zover die kans nu al niet in nucleaire vorm boven ons aller hoofd hangt.

*

Al met al lijken beide Korea’s, het een als provinciaals fort, het ander als kosmopolitische piratenvloot, weinig te hebben opgestoken van hun beider poëtische voorvechter van vrijheid en nationaliteit. Maar wie weet, misschien is er nog hoop. Han Yong-un duidt het al aan in een van de hier vertaalde gedichten: het veer gaat heen en weer, en wacht geduldig op het inzicht bij de reiziger. Maar die moet dan wel bewust raken van de eigen tekortkomingen, zoals de onhandige kunstenaars uit dat andere gedicht, die niet om kunnen gaan met grote woorden, liever spreken over ‘de steentjes in je bloementuin.’

 

Noten

[1] Asa Briggs en Peter Burke stellen in Sociale geschiedenis van de media. Van boekdrukkunst tot internet (Nijmegen, SUN, 2002) over het Koreaanse losse zetsel: ‘De Westerse uitvinding werd wellicht gestimuleerd door berichten van wat er in het Oosten had plaatsgevonden.’

[2] Binnen de OESO echter ook op het gebied van zelfmoord, een veeg teken voor het redden van het gezicht.

[3] Overigens ook aan te treffen in mijn roman De windbel (Aalst, het balanseer, 2012), die zich onder meer met het Koreaanse nationalisme bezighoudt.

[4] ‘Donghak’ betekent letterlijk ‘de Oostelijke Leer’, een in oorsprong academisch antwoord op het binnendringend christendom, dat zich ontwikkelde tot inspiratiebron van volksverzet.

[5] Hij zou later nog de Vimala-Kirti Soetra vertalen, de canonieke boeddhistische tekst die zich met dit soort kwesties bezighoudt.

[6] Waar ze nog altijd door een grote gedenksteen wordt herdacht. Die herinner ik mij zelf als de plek waar ik ooit door een groepje sloebers tot het nuttigen van sterke drank op nuchtere maag werd aangezet.

[7] Het woord is zelfs afgeleid van ‘Nima’, de naam van de oude Koreaanse zonnegod.

[8] Vandaar spreekt mijn vertaling van ‘hij’ op plaatsen waar het origineel, zoals in het Koreaans mogelijk, het onderwerp verzwijgt.

[9] Ondanks de economische opmars is de armoede in India nog altijd vele malen groter dan in het huidige Zuid-Korea.

[10] Oftewel land grabbing.

[11] Moeiteloos drijft Nederland sinds enige tijd officieel handel met Noord-Korea. Nederlandse grootwinkelbedrijven betrekken goedkope winterkleding uit dat land. Van minstens één strafkamp is echter bekend dat daar kleding wordt geproduceerd. In zo’n kamp leven mensen die er zijn geboren.

[12] Dat is ook de reden waarom ik deze naam niet volgens de sinds 2002 geldende officiële Zuid-Koreaanse romanisatieregels, die niet door Noord-Korea worden geaccepteerd, schrijf als ‘Joseon’. Dat plezier wil ik de Noord-Koreanen nog wel gunnen. Het verschil leidt er overigens toe dat het ‘un’ (Ned.: ‘un’, Zuidelijke romanisatie ‘eun’) van Kim Jong-un alom abusievelijk wordt opgevat als het ‘oen’ uit de naam Han Yong-un.