Iannis Goerlandt, Tineke Lecluyse, Guillaume Paoli

Published: 17/10/2013

Tags: history essay politics

Enkele maanden voor de gevangenneming van Moeammar al-Khaddafi op 20 oktober 2011 analyseerde filosoof Guillaume Paoli de politieke loopbaan van de Libische leider als een even langgerekte als nefaste variétéshow waar het westen vooral de humor van wilde blijven zien. Oorspronkelijk verschenen in nY #11 (2011), "Staatskunst/Kunststaat", in een vertaling van Iannis Goerlandt en Tineke Lecluyse.

 

Graffiti Gaddafi

PROLOOG – In 1986 bezetten enkele punks de Libische ambassade in Londen. Het statige huis aan de rand van Hyde Park stond al twee jaar leeg, nadat er van daaruit een Engelse politieagente was neergeschoten en de diplomatieke betrekkingen waren afgebroken. De bezetters maakten handig gebruik van het feit dat het pand nog altijd een exterritoriale status bezat, wat betekende dat de Britse politie het niet zonder de officiële toestemming van Libië mocht betreden. Toen de bezetters met Tripoli contact opnamen, werden ze van harte gefeliciteerd – ginds waren ze alleen maar blij het Verenigde Koninkrijk weer eens een hak te kunnen zetten. In een sfeer die een mengeling was van Londense subcultuur en Arabisch-revolutionaire kitsch, kon zo maandenlang een zonderlinge happening plaatsvinden. Tussen twee wilde feestjes door leerde ik er Khaddafi’s Groene boek kennen, dat er met hopen voor het grijpen lag.

THEATRALITEIT – In nagenoeg ieder verslag over Khaddafi worden metaforen uit de theaterwereld gebruikt. Dit heeft te maken met zijn uiterlijke verschijning: met de (mogelijk zelfironisch bedoelde) operetteachtige uniformen en andere kledingstukken die zo uit een rekwisietenkast lijken te zijn opgevist, maar wordt verder nog versterkt door zijn onberekenbare gedrag en door zijn sexy lijfwachten, die als een vrouwenkoor geregeld zijn monologen met leuzen onderbreken. Khaddafi beleeft kennelijk plezier aan deze zelfenscenering. Volgens WikiLeaks beschreef de voormalige ambassadeur van de VS hem ooit als ‘een wispelturige en excentrieke figuur, iemand die lijdt aan een zware vorm van dwangneurose, die van zowel flamenco als paardenrennen houdt, die zich door zijn grillen laat leiden en er de gewoonte op nahoudt vriend en vijand gelijktijdig uit het lood te slaan’. Naast een nukkige komediant is hij ook een dramatische figuur die zich ergens tussen Ubu Roi en Macbeth in situeert (wat hier niet als een verheerlijkende loftuiging bedoeld is; de meeste tragische helden zijn immers geen stichtelijke figuren). Zodoende heeft ook het theater, zeker na Gaddafi rockt van Oliver Czeslik, het potentieel van zijn karakter ontdekt. Toch is de verhouding tussen Khaddafi en het theater diepgaander van aard. De man uit Tripoli, allesbehalve een onderontwikkelde exoot, heeft de theatralisering van de politiek tot het uiterste gedreven en daardoor de oude vraag naar de politisering van het theater in een nieuw licht gesteld.

EEN TROUW DEBUUT – Moe’ammar al-Khaddafi is even oud als Mick Jagger. Beiden zijn hun carrière als revolutionair icoon begonnen en zullen die als onuitstaanbare ex-diva tot in het oneindige voortzetten. Op oudere leeftijd vertonen ze zelfs een zekere fysieke gelijkenis, een die nog versterkt wordt doordat ze dezelfde zonnebrillen dragen. Een relatief late verhalenbundel van de Libiër met de titel Escape to Hell is mogelijk zelfs een verwijzing naar ‘Sympathy for the Devil’. Op het moment dat Khaddafi onder de ogen van de wereld zijn debuut maakt, heeft de groep rond Jagger echter het beste van zichzelf al gegeven – Brian Jones is dan net in het zwembad verdronken. Een schitterende vertolking van zijn jeugdheld Gamal Abdel Nasser maakt de dan 27-jarige en nog knappe bedoeïen op slag wereldberoemd. Het is een geslaagde remake: net als zijn grote voorbeeld plaatst hij zich aan het hoofd van een ‘Bond van Vrije Officieren’. Hij stuurt de oude koning de laan uit en kondigt de socialistische revolutie af. Op opnames is te zien hoe de massaal bejubelde putschist het laatste restje verlegenheid achter een permanente glimlach verbergt. Een jaar later verklaart Nasser voor zijn dood dat zijn jonge bewonderaar zou slagen daar waar hij zelf had gefaald, namelijk de verwezenlijking van een volledige Arabische natie, en dit over alle bestaande landsgrenzen heen. Khaddafi maakt zich dit eerzuchtige plan eigen. Op het moment dat hij zelf faalt, roept ook hij tevergeefs de ‘Verenigde Staten van Afrika’ uit. Toch moeten zelfs zijn grimmigste tegenstanders toegeven dat het begin van het Khaddafi-tijdperk, ondanks de onderdrukking van de oppositie, voor Libië een tijd van opleving was. Er vindt een echte herverdeling plaats, en naar Libische normen kon de positie van de vrouw zelfs vooruitstrevend worden genoemd. De opgave, trouw blijven aan zijn voorbeeld, bleef echter de werkelijke uitdaging. Nasser had zijn rol zelf uitgetekend, een zuivere imitatie van die rol was niet meer dan verraad geweest. De Libiër moest zelf vorm zien te geven aan zijn rol, en om dat te doen, moest hij zich wel extremer gaan gedragen. Dit uitgangspunt kan een verklaring zijn voor zijn exotische optreden op het wereldtoneel.

DE ENIGE STAATSMAN TER WERELD DIE KENNELIJK GESTOORD IS – Zo klinkt vandaag het unanieme oordeel van de hele wereld over Khaddafi, waarbij de nadruk op ‘kennelijk’ moet worden gelegd. Bij de mentale toestand van de politieke elite wereldwijd (ongeacht het regeringssysteem) kunnen we evenwel enkele kanttekeningen plaatsen. Hoeveel grootheidswaanzin zit er vervat in een ‘doorzettingsvermogen’ dat groot genoeg is om de top van een land te bereiken? Hoeveel onverbiddelijkheid om de concurrentie uit te schakelen? Hoeveel zelfverloochening om de ‘betreurenswaardige kloof tussen ideaal en realpolitik’ te blijven verdragen? Hoeveel verachting om dagelijks breed glimlachend duizenden handen te schudden? Hoeveel gebrek aan realiteitszin om de concrete zorgen van de burgers systematisch te negeren? Een psychogram van de homo politicus zal weinig eervolle karaktereigenschappen aan het licht brengen. Het voordeel van de westerse democratieën ligt er waarschijnlijk enkel in dat ze hun regeringsleiders niet de tijd gunnen om alle stadia van hun waanzin tot ontwikkeling te laten komen. Wat dictators betreft: het moet gezegd dat Ben Ali noch Moebarak voor gek wordt aanzien. Men begrijpt namelijk meteen waarom ze zich aan de macht vastklampten: take the money and run. Zodra een regelrechte plundering van het land onmogelijk was geworden, zetten ze een stap terug en genoten in alle rust van hun rijkdom. Westerse politici kunnen een dergelijke motivatie begrijpen omdat ze zelf hun ambtsperiode managen als een eerste stap naar de verrijking. We leven nu eenmaal in een wereld die hebzucht als de kern van de rationaliteit verklaart. Is geld het motief, dan is een moord nog niet gerechtvaardigd, maar wel begrijpelijk. Waanzin wordt pas de diagnose als er geen geldzucht mee gemoeid lijkt. Hoewel Khaddafi genoeg vermogen in de wacht had gesleept, is hij er niet discreet vandoor gegaan. Hij lijkt bereid zijn rol tot het bittere einde uit te spelen. En net daarin schuilt het geschifte, menen de nihilisten, die zich onmogelijk kunnen voorstellen voor iets anders te vechten dan voor de eigen bankrekening. Het interessante aan Khaddafi is dat hij een overbodig drama heeft opgevoerd. Voor normale usurpatie was dat niet nodig geweest.

DE GROENE STOF – Laten we de context even buiten beschouwing door enkel naar de tekst kijken. Met enkele minimale wijzigingen zou het Groene boek ook vandaag nog in elke linkse of (Duits-)groene boekhandel passen. Het bevat alle elementen die radicale staatscritici en aanhangers van de ‘Derde Weg’ kunnen inspireren. Het denkkader zweeft tussen twee vertrouwde polen: de bezwering van een ‘natuurtoestand’ à la Rousseau, toen er nog geen uitbuiting en geen eigendom bestond (hier het nomadische leven in de woestijn), en tegelijk de vervolmaking van de moderne samenleving, die de opheffing van de ‘achterhaalde’ samenlevingsstructuren vooropstelt. De voorstelling is universalistisch: geen enkele natie, klasse of cultuur wordt vooropgeplaatst. De gelijke rechten van vrouwen en minderheden worden benadrukt. De politieke opvatting doet denken aan die van de radencommunisten van 1918: afschaffing van de partijen en parlementen, invoering van de directe democratie op alle vlakken. Alle macht is in handen van de volkscomités, het monopolie van het geweld wordt vervangen door volksbewapening. Op economisch vlak wordt ‘loonslavernij’ afgeschaft ten faveure van vrije verenigingen van vrije producenten.

Waar Lenin of Mao nog de (voorbijgaande) noodzakelijkheid van een almachtige staat verdedigden, gaat het hier net om de absolute afwezigheid van een dergelijke staat. Het is de oude anarchocommunistische utopie zoals die in alle revolutionaire bewegingen van de twintigste eeuw met geweld werd onderdrukt. Of ze realiseerbaar en zelfs wenselijk is, is een ander verhaal, maar in geen geval billijkt ze terreur en dictatuur. Hoog in het vaandel staan daarentegen vrede, vreugde en basisdemocratie. Voor een staatsprogramma is dat al uitzonderlijk, nog uitzonderlijker is de bewering dat de utopie al werkelijkheid zou zijn geworden. 

Libya 1979 Int Seminar of the Green Book (Col Gaddafi)

IN 1977, HET JAAR VAN DE PUNK, ensceneert Khaddafi de aankomst van de Jamahiriya (Anarchy in Lybia). Het Groene boek wordt meteen naar de realiteit vertaald, de macht volledig aan het Libische volk overgedragen. Khaddafi zelf doet afstand van al zijn politieke functies om enkel nog op te treden als ‘symbool’ of ‘leider van de revolutie’ (om die reden zegt hij vandaag dat hij geen stap terug kán zetten, omdat hij op papier geen macht heeft). Terwijl een ordinaire dictator zichzelf uitroept tot maarschalk of keizer, gaat de kolonel van de zelfopheffing er prat op deel uit te maken van het volk. Vanaf dat moment heerst in het land een waarlijk schizofrene toestand. Uiteraard vindt er geen revolutie plaats, maar een militaire coup (al verloopt die overwegend zonder bloedvergieten). Het staatsapparaat, inclusief gevangenissen, politie, leger en het centrale beheer van de natuurlijke hulpbronnen, blijft ondertussen intact. Het is de antistaat-staat. Een dergelijke dissociatie tussen ideologie en werkelijkheid kan enkel door middel van een permanente enscenering in stand worden gehouden. Dat was in het fascisme niet anders. Walter Benjamin zocht de verklaring voor Hitlers succes in de ‘esthetisering van de politiek’, die hem toeliet de macht over de massa te handhaven. Toch is er een fundamenteel verschil: in Libië werd de massa niet verheerlijkt via een praalzieke staat, maar via zijn georganiseerde onzichtbaarheid.

STAATSSITUATIONISME – Het Groene boek onderscheidt zich van de stoffige handleidingen voor een machtsovername doordat het zich niet uitsluitend op politiek en economie concentreert. Het derde deel is een fundamentele cultuurkritiek, die destijds volstrekt up-to-date was, een kritiek op de scheidingslijn tussen acteurs en toeschouwers zoals men die van oudsher in het theater aantreft:

Mensen die geen heroïsch leven kunnen leiden, mensen die niets afweten van de geschiedenis en niet uitkijken naar de toekomst, mensen die hun eigen bestaan niet ernstig genoeg nemen, zulke mensen zitten in theater- en bioscoopzalen om naar gebeurtenissen te kijken in de hoop er iets uit te leren. Ze zijn als nog onwetende schoolkinderen in een klaslokaal. Wie een authentiek en eigen leven leidt, voelt niet de behoefte om toe te kijken hoe acteurs op de planken of op het witte doek het leven verbeelden. Net zomin als de ruiter die de teugels van zijn eigen paard in handen houdt de behoefte voelt om op de tribune van een renbaan plaats te nemen. Had iedereen een paard, dan zou er niemand toekijken en applaudisseren. Zittende toeschouwers zijn gewoon te hulpeloos om zelf actief te kunnen worden. Men gaat ook niet op restaurant om te kijken hoe mensen zitten te eten. Bedoeïenen zijn niet geïnteresseerd in theater of shows, daarvoor zijn ze te ernstig en te vlijtig. Omdat ze het leven ernstig nemen, verfoeien ze het theater. Ze zijn geen toeschouwers, ze spelen zelf en nemen deel aan vrolijke feesten omdat ze de natuurlijke noodzaak van dergelijke spontane activiteiten inzien.

Dit doet erg denken aan een cultboek van de generatie van 68, Guy Debords La société du spectacle, waarin te lezen staat: ‘Tout ce qui était directement vécu s’est éloigné dans une représentation.’ Daarbij speelt Debord met de meerduidigheid van het Franse woord ‘représentation’, dat zowel ‘vertegenwoordiging’ (politiek) als ‘voorstelling’ (theater) en ‘afbeelding’ (beeldende kunst) betekent. Parlementaire democratie, consumptiemaatschappij en vervreemde arbeid zijn slechts fenomenen. Fundamenteel is de algemene passieve houding die de toeschouwer de macht over het eigen leven ontzegt. Deze kritiek van de vervreemding vindt zijn oorsprong in de artistieke avant-gardebewegingen. Bijgevolg gaat het er niet enkel om de politiek democratischer en de arbeid rechtvaardiger te maken. Het leven zelf moet een kunstwerk worden, en alle mensen kunstenaars. Er is slechts één revolutionair doel: de zelfafschaffing van de toeschouwer. Net zoals in het theater de ‘vierde wand’ dient te worden doorbroken, moet elke scheiding tussen de verschillende specialisaties en elke institutionele bemiddeling verdwijnen vooraleer aan het directe leven kan worden geraakt.

ZELFENSCENERING – Het uitzonderlijke van het Khaddafi-spektakel bestaat erin dat niet alleen de macht van het volk wordt geënsceneerd (zoals dat het geval is in socialistische landen), maar dat de afschaffing van de enscenering zelf wordt geënsceneerd. Eigenlijk houdt de ‘leider van de revolutie’ zich bezig met de vraag die antikapitalistisch geïnspireerde regisseurs en dramaturgen maar al te goed kennen, namelijk: hoe toon ik de opstand? Of anders gezegd: hoe schaf ik het theater af met de middelen van het theater? Voor de goede zaak zijn kleine trucjes onvermijdelijk. Onopvallend wordt het eigenlijke kader (podium, coulissen, ruimte van de toeschouwer resp. gevangenissen, kazernen, fabrieken), buiten beeld gelaten. De regisseur laat zijn acteurs improviseren, terwijl deze improvisaties onder zorgvuldige aanwijzingen werden ingestudeerd. Het koor (de revolutiecomités) is de stem van de toeschouwers (het volk), die nu de toeschouwers zijn van hun eigen niet-bestaan. Zoals in een beroemde scène uit Monty Pythons Life of Brian roept de leider van de revolutie: ‘Jullie zijn allemaal individuen!’ Het volk herhaalt: ‘Wij zijn allemaal individuen!’ Een enkeling roep: ‘Ik niet’ (en wordt door de anderen de mond gesnoerd).

In een consequente uitvoering moet de regisseur zichzelf afschaffen of in de woestijn verdwijnen. En de enscenering, die alleen in zijn hoofd bestaat, kan zonder hem niet anders dan onmiddellijk opgaan in het vormeloze, reactionaire leven van alledag. En daarin ligt de tragiek van deze positie: hoe onvervalst zijn wil ook is om de bestaande verhoudingen om te keren, de leider (of operateur) van de revolutie handelt in de eerste plaats vanuit een impuls zelf een ‘heroïsch’ leven te leiden. Hij strijdt voor erkenning, maar die kan hij niet van het ingebeelde ‘volk’ krijgen, maar alleen van de reëel bestaande toeschouwers, voor wie hij diepe verachting voelt. In theorie moet de voorstelling de toeschouwers ertoe aanzetten zélf acteurs te worden. In werkelijkheid kunnen ze slechts figuranten zijn in een spel dat ze niet zelf hebben bedacht. Deze extreme tegenstrijdigheid kan slechts draaglijk gemaakt worden door één vluchtweg: de zelfenscenering. Khaddafi verpersoonlijkt de rol die hij zijn onderdanen toeschrijft en tegelijk verbiedt: de rol van de heroïsche speler. Hij verwijst naar de mogelijkheid om soeverein te handelen, en doet daarbij diezelfde mogelijkheid teniet. Khaddafi’s bizarre, gekunstelde verschijning is dan ook niet het resultaat van zijn grillige willekeur: ze volgt een dwingende logica.

TOTALE KUNST – Khaddafi de beeldend kunstenaar concipieerde de monochrome vlag. Khaddafi de designer ontwierp een behoorlijk chique auto, ‘The Rocket’, met een binnenbekleding van Libisch tapijtwerk. Op muzikaal vlak werd Khaddafi pas dit jaar beroemd, na de opstand, namelijk met de videoclip ‘Zenga Zenga’ (die bovendien door een Israëli gemonteerd werd!). Khaddafi de dichter schreef onder meer een essaybundel met de titel Het dorp, het dorp, de aarde, de aarde, en de zelfmoord van de astronaut. Van de literaire kwaliteit van het werk waren de critici niet helemaal overtuigd, maar op zijn minst profetisch kan de passage genoemd worden waarin de auteur zijn beklag doet over de tirannie van de massa, die ertoe neigt om zijn leider de woestijn in te sturen.

Zeker is dat Khaddafi op de eerste plaats een perfomancekunstenaar is geweest. Jarenlang deden onder gnuivende Arabieren de nieuwste invallen van de politieke provocateur de ronde. Op een dag komt de Algerijnse nationale voetbalploeg naar Tripoli voor een vriendschappelijke wedstrijd. Nog voor de aftrap staat Khaddafi op en verklaart de tegenpartij ‘uit vriendschap voor onze Algerijnse broeders’ kortweg tot winnaar. De gefrustreerde fans maken amok in het stadion (stond in Groene boek niet ‘alleen idioten zitten in een stadion om sporters toe te juichen in plaats van zelf te sporten’?). Een andere keer laat hij journalisten aanrukken voor de poort van een gevangenis waarin politieke tegenstanders (uiteraard zonder veroordeling) opgesloten zitten. De leider van de revolutie verschijnt in hoogsteigen persoon aan het stuur van een graafmachine, ramt de muur en laat met een milde geste de gevangenen door de verwoeste ommuring wegvluchten – een duidelijk geval van plaatsvervangende bevrediging van vernietigingsfantasieën die we allemaal wel kennen, niet veel anders dan hoe sommige rockgroepen in de jaren 60 ervan genoten hun gitaren en hotelkamers kort en klein te slaan. Bepaalde invallen zijn eerder cynisch te noemen. Tijdens een Afrikaanse topontmoeting gaat Khaddafi heel opvallend naar het toilet, wacht tot iemand hem komt zoeken, en beweert dan dat hij dacht dat het de eigenlijke onderhandelingsruimte betrof. Onlangs nog, tijdens een bezoek aan Italië, bestelt hij in de buurt van het Vaticaan 200 bevallige callgirls, houdt een preek over de voordelen van de islam, waarop twee van de dames zich ter plekke bekeren. Khaddafi een slecht kunstenaar? Schlingensief deed het niet beter. Het enige verschil is: men wordt kunstenaar om datgene te mogen wat anders enkel dictators kunnen. Omgekeerd werd Khaddafi dictator om die dingen te doen die anders alleen kunstenaars zich kunnen veroorloven.

OUT OF TIME – Ergens in de jaren 90 moet het de ‘leider van de revolutie’ duidelijk geworden zijn dat hij volledig in zijn opzet was mislukt: op militair vlak in Tsjaad, op politiek vlak in zijn betrekkingen met andere landen uit de regio, op historisch vlak met de wereldwijde overwinning van het liberale kapitalisme via zelfverklaarde bevrijdingsbewegingen. Maar in de eerste plaats was hij thuis mislukt, toen zijn familie en zijn clan net als alle andere despotenfamilies enkel nog geïnteresseerd bleek in snelle zelfverrijking en het plunderen van de natuurlijke hulpbronnen. Erger nog: zijn zoon was voetbalgek geworden en kocht zich een ploeg. De oorspronkelijke ambitie zoals beschreven in het Groene boek lag in puin. De tragische kern, het conflict tussen revolutionaire pretentie en dictatoriale werkelijkheid, was allang veranderd in een slechte farce. Uiteraard trof dit verval ook Khaddafi zelf. Hij kreeg te lang de gelegenheid om vanuit zijn positie van buitengewone privileges te profiteren. Macht maakt corrupt, absolute macht maakt absoluut corrupt, en tot niet-bestaand verklaarde macht maakt het mogelijk de corruptie onzichtbaar te maken. In zijn boek bezong Khaddafi zijn haat voor de grootstad en zijn liefde voor de woestijn. Hij uitte die ook heel nadrukkelijk door vergezeld van kamelen en met een bedoeïenentent op sleeptouw naar Europese hoofdsteden af te reizen. Maar in zijn geboorteland woont hij in luxueuze paleizen – uiteraard ‘geschenken van het volk’. De tent bleek niet meer dan een kinderdroom. Het paleis won, de corruptie kwam met de jaren.

EEN LANGGEREKTE ONTKNOPING – Vanaf dat moment sluit Khaddafi een verbond met de vijand die hij niet kon verslaan. En door die vijand wordt hij hartelijk ontvangen. In een handomdraai wordt het embargo opgeheven. De staatsterrorist wordt een salonfähige partner, de ‘schurkenstaat’ van weleer een volwaardig lid van de internationale gemeenschap. Opmerkelijk is dat precies op dat moment, en met de wetenschap dat de westerse publieke opinie de andere kant zou opkijken, het absurde theater in een theater van de wreedheid verandert. Het nieuwe bedrijf begint in de gevangenis van Abu Selim, waar de 1200 gevangenen tot de laatste man worden afgeslacht. Het voorval lokt geen internationale verontwaardiging uit. De reden hiervoor is gekend. Van nu af aan weet de man uit Tripoli hoe hij de twee grootste angsten moet bespelen die Europa uit een zelfvoldane slaap houden: de immigratie van miljoenen uitgehongerde Afrikanen en de olieschaarste aan de pomp. Om beide dreigingen te vermijden, is voor Europa geen enkele misdaad te gruwelijk, op voorwaarde dat iemand anders ze pleegt. Het zijn Italië, Frankrijk en Duitsland die Khaddafi rijkelijk met wapens hebben bevoorraad (en waarvoor dienen die, denk je?), het is de EU die jaarlijks 50 miljoen euro naar zijn rekeningen sluisde om vluchtelingenkampen te bouwen in de woestijn, het is de Duitse politie die zijn veiligheidsdiensten opleidde, het zijn Duitse ingenieurs die zijn gifgasfabriek bouwden. Vandaag trekken al deze brave zielen van leer tegen de o zo boze dictator.

Als men het zo wil zien is het de verdienste van Khaddafi geweest aan te tonen hoe corrupt, huichelachtig en cynisch de o zo democratische Europese regeringen zijn. Ook dat deed hij heel vakkundig, met veel gevoel voor theatraliteit. In een laatste vlaag van anti-imperialisme genoot hij ervan te zien hoe de vertegenwoordigers van het westen, met Silvio ‘bunga-bunga’ Burlesconi op kop, door het slijk kropen en aan zijn voeten lagen. Een geslaagde vernederingsshow.

CRISIS – En dan komt het onverwachte keerpunt. Plotseling zijn de Arabieren niet langer de toeschouwers van de paleisrevolutie, maar nemen ze de regie over. De opstand begint bij de buren in het westen, zet zich voort bij de buren in het oosten en steekt uiteindelijk van lieverlee de massa in Benghazi en Tripoli aan. De massa verandert in wat zij steeds al verondersteld werd te zijn. Er worden effectieve volkscomités opgericht, beslissingen worden op democratische wijze genomen, met het oog op zelfverdediging worden er wapens verzameld. Khaddafi’s visie wordt naar de werkelijkheid vertaald, maar nu is ze gericht tegen Khaddafi zelf. Het alsofverhaal wordt daardoor op een abrupte manier afgebroken. De fictie spat uiteen als een thermosfles. Volgt men de logica van de ‘leider van de revolutie’, dan kan deze inbreuk op de werkelijkheid enkel aan een collectieve hallucinatie worden toegeschreven, en dan moeten de deelnemers wel onder invloed zijn. De verstoorders van de permanente komedie worden uitgemaakt voor ‘komedianten’, ze zouden figuranten zijn in een enscenering onder gedeelde regie van Al Qaeda en Al Jazeera.

Plots zijn er geen toeschouwers meer – er is een volk. In het leven van alledag bestaat het volk niet, nergens. Er is slechts sprake van een volk van zodra (en voor zolang) het zich toont op straat en zich als volk manifesteert. Van zodra het zegt ‘Wij zijn het volk’, is het een reële kracht. En dat moment duurt meestal niet lang. In vergelijking hiermee is het volk uit het Groene boek een hersenschim, niet meer en niet minder dan het volk van de Duitse grondwet. In Berlijn staat in het Hauptbahnhof op een gigantisch bord te lezen: ‘400 meter verder regeert het volk’ – onuitgesproken: toch pendelt er een menselijk kapitaal dat er helemaal niet zo uitziet alsof het wat voor macht dan ook over het eigen leven heeft.

Op het moment dat de Libische massa het Groene boek openbaar in brand steekt, realiseert ze het daarin uitgewerkte programma. Toch is de massa zich daarvan waarschijnlijk niet bewust. De leuzen zijn allang vergiftigd, de begrippen leeg, de utopie gediskwalificeerd. Bovendien krijgt de massa niet de gelegenheid na te denken over hoe een werkelijk zelfstandig alternatief in de praktijk kan worden gebracht. Nu spreken alleen nog de wapens. Khaddafi wil liever de volledige scène onder het bloed zien (helaas geen theaterbloed) en heldhaftig ten onder gaan dan zijn fictie op te geven. Vandaag wordt hij vaak met Nero vergeleken, opnieuw een figuur die theater en politiek met elkaar vermengde.

De militaire interventie van de westerse coalitie heeft de tragikomedie op de spits gedreven. Plots is Khaddafi’s waanbeeld werkelijkheid geworden: in de strijd die tegen hem wordt gevoerd, mengen zich nu inderdaad Al Qaeda, de CIA, aartsconservatieve stammen, olieconcerns en vele kontdraaiers van het elfde uur. Als staatsconstructie is Libië sowieso een fata morgana: vóór de tijd van Khaddafi stond het als ‘het koninkrijk van de leegte’ bekend. Wat deze leegte zal vullen, is niet noodzakelijk veelbelovend. Het kan een voortdurende stammenoorlog zijn, of een neokoloniaal protectoraat.

Wanneer en hoe het doek ook valt, we kunnen ervan uitgaan dat de bevolking voortaan eerder de voorkeur zal geven aan een onspectaculaire, postheroïsche vorm van representatie. De ‘Facebook-opstanden’ hebben aangetoond dat de romantiek van het rechtstreekse definitief voorbij is. Het zijn niet langer kunst en theatraliteit die de gebeurtenissen aanwakkeren, maar het genereren en reguleren van informatiestromen. En misschien is dat geen slechte zaak.

*

Guillaume Paoli (1959) woont sinds 1992 in Berlijn. Hij is medeoprichter van het collectief Die glücklichen Arbeitslosen en publiceerde verschillende boeken en essays. Sinds 2008 is hij huisfilosoof van het Centraltheater in Leipzig, waar hij de leiding heeft over de Prüfgesellschaft für Sinn und ZweckDeze tekst verscheen in april 2011 in de reeks publicaties van DENKEN + HANDELN aan het Centraltheater Leipzig als Lose Blätter Sammlung Nr. 4, en werd tevens opgenomen in het literaire tijdschrift Edit. Papier für neue Texte, nr. 56.