Jo Bogaerts

Published: 27/11/2011

Tags: review movie philosophy


My relationship towards tulips is inherently Lynchian. I think they are disgusting. Just imagine. Aren’t these some kind of, how do you call it, vagina dentata, dental vaginas threatening to swallow you? I think that flowers are something inherently disgusting. I mean, are people aware what a horrible thing these flowers are? I mean, basically it’s an open invitation to all insects and bees, ‘Come and screw me,’ you know? I think that flowers should be forbidden to children. (Žižek, The Pervert’s Guide to Cinema, 2006)

Deze al te krasse uitspraak tegen de vanzelfsprekende schoonheid van bloemen zet de toon: Slavoj Žižek neemt geen genoegen met ‘overgeleverde wijsheden’ – hoe banaal die ook mogen zijn – en er is geen enkel onderwerp dat de kritische theorie moet schuwen. Al mogen we bovenstaande uitspraak wellicht eerder zien als een kwinkslag van de praatgrage filosoof dan als een serieus wijsgerig standpunt. Of niet soms? Want wat is dat eigenlijk, serieuze filosofie?

Slavoj Žižek werd geboren op 21 maart 1949 in Ljubljana, sinds 1991 de hoofdstad van Slovenië, maar bij Žižeks geboorte deel van het toenmalige Joegoslavië. Hij was het enige kind uit een middenklassegezin; zijn ouders verrichtten kantoorwerk en wensten hun zoon een loopbaan als econoom toe. Slavoj wijdde zijn studies echter aan de filosofie en ging nadien naar Parijs om er aan de Université de Paris VIII psychoanalyse te studeren. Daar promoveerde hij een tweede keer (na in zijn thuisstad een doctoraat in de filosofie te hebben behaald ) onder leiding van François Regnault en Jacques-Alain Miller, de schoonzoon van de befaamde psychoanalyticus Jacques Lacan, wiens werk een blijvende inspiratiebron is in Žižeks werk. Hoewel er reeds verschillende publicaties in het Sloveens verschenen waren, werd hij pas echt bekend na het verschijnen van The Sublime Object of Ideology (1989). Sindsdien stegen Žižeks bekendheid en populariteit evenredig aan zijn enorme academische productie. Niet alleen publiceerde hij in de afgelopen twee decennia meer dan veertig boeken, maar hij schreef ook ontelbare artikelen en opiniestukken. Met The International Journal of Žižek Studies is hij bovendien een van de weinige denkers aan wie een volledig tijdschrift gewijd is. Omdat zijn werk in grote mate een diagnose van de (laat)kapitalistische samenleving beoogt, is hij een geliefd spreker op campussen over de hele wereld, maar ook op televisie en radio.


Steevast stelt Žižeks werk de mystificaties van het liberale democratische politieke systeem en de laatkapitalistische samenleving aan de kaak. In de lijn van Karl Marx, Max Weber en Antonio Gramsci behoort Žižek tot de aloude traditie van de ideologiekritiek, maar hij geeft daar wel een geheel eigentijdse invulling aan. Voor Žižek kenmerkt de kapitalistische ideologie zich niet langer door een ‘imaginary relationship of individuals to their real conditions of existence’, [1] zoals Althusser het befaamd verwoordde, maar zijn we ons integendeel zeer bewust van de gecommodificeerde aard van relaties met anderen onder het kapitalistische systeem. Echter, onze houding tegenover ideologie is fundamenteel cynisch: we negeren de nare consequenties ook al erkennen we het bestaan ervan.

The cynical subject is quite aware of the distance between the ideological mask and the social reality, but he none the less still insists upon the mask. The formula, as proposed by Sloterdijk, would then be: ‘they know very well what they are doing, but still, they are doing it.’ Cynical reason is no longer naïve, but is a paradox of an enlightened false consciousness: one knows the falsehood very well, one is well aware of a particular interest hidden behind an ideological universality, but still one does not renounce it. [2]

De opdracht die Žižek zich stelt is niet het loutere ontmaskeren van de ‘eigenlijk’ situatie waarin we ons bevinden, maar veeleer ons voortdurend te confronteren met de breuken en gaten in onze constructie van de realiteit om zo de cynische houding te doorprikken:

the duty of the critical intellectual […] is precisely to occupy all the time, even when the new order (the ‘new’ harmony) stabilizes itself and again renders invisible the hole as such, the place of this hole. [3]

Vanuit die overweging hoeft het dan ook niet te verbazen dat Žižek een notoir provocateur is die niet verlegen zit om een schampere uitspraak, vulgaire grap of politiek incorrect standpunt. Žižeks uitspraken over een terugkeer naar het leninisme, de onzin van humanitaire hulp en de laakbare drijfveer achter onze toenemende bekommernissen over seksuele intimidatie en gezondheid zijn een teken aan de wand. In ‘Pseud’s corner’ – een van de meest sprekende stukken gericht tegen Žižek – levert Johann Hari bijtende kritiek op dergelijke stellingnames. De kern van Žižeks werk vat hij samen als ‘contempt for liberal democracy and [a] preference for dictatorship […]. When you peel back the patina of postmodernism, there is old-fashioned philotyrannical nonsense here.’ [4]

 

zizek poster


Žižek!

Een reden waarom Žižeks werk als ‘philotyrannical nonsense’ omschreven wordt is zijn neiging om buiten de geijkte paden van het academische vertoog te stappen. Hij is immers een vermakelijke theoreticus die zijn inzichten overwegend toetst aan niet-filosofische onderwerpen zoals de populaire cultuur, obscene grappen en het alledaagse leven. Een van de meest bekende voorbeelden daarvan is Žižeks bespreking van het Franse, Duitse en Engelse toilet:

In a traditional German toilet, the hole into which shit disappears after we flush is right at the front, so that shit is first laid out for us to sniff and inspect for traces of illness. In the typical French toilet, on the contrary, the hole is at the back, i.e. shit is supposed to disappear as quickly as possible. Finally, the American (Anglo-Saxon) toilet presents a synthesis, a mediation between these opposites: the toilet basin is full of water, so that the shit floats in it, visible, but not to be inspected. It is clear that […] each involves a certain ideological perception of how the subject should relate to excrement. […] The point about toilets is that they enable us not only to discern this triad [of existential attitude] in the most intimate domain, but also to identify its underlying mechanism in the three different attitudes towards excremental excess: an ambiguous contemplative fascination; a wish to get rid of it as fast as possible; a pragmatic decision to treat it as ordinary and dispose of it in an appropriate way. [5]

Als Žižek reflecteert op een van de meest obscene lichamelijke verrichtingen – een van de vele aspecten van ons ‘materiële’ bestaan die verscholen blijven achter de symbolische constructie van het ‘beschaafde lichaam’ – dan is dat om aan te tonen dat ideologie niet zozeer vervat zit in ideeënstelsels van politieke partijen en maatschappelijk instituties, maar dat we zelfs bij de meest banale, dagelijkse verrichting onverminderd vastzitten in ideologie. In de voorkeur voor dergelijke atypische voorbeelden weet Žižek moeilijke theoretische concepten op een heel toegankelijke wijze voor een gretig publiek te ontsluiten. Freuds uitwerking van het id, ego en superego verduidelijkt hij bijvoorbeeld aan de hand van de Marx Brothers, terwijl een anekdote over een Duitser in een Siberisch strafkamp de discussie over ideologie opent in Welcome to the Desert of the Real. Žižeks groeiende bekendheid houdt ongetwijfeld verband met die popularisering van de filosofie en haar transpositie naar een wereld waarmee ook niet-academici bekend zijn.

Zijn voorkeur voor de populaire cultuur houdt echter in eerste instantie verband met een overtuiging die aan de basis ligt van zijn ‘herlezing’ van de Duitse idealisten (en via hen de Lacaniaanse psychoanalyse), namelijk dat de ‘waarheid’ van iets steeds buiten het ding of de persoon zelf ligt. [6] De promotie van de populaire cultuur moet dus niet begrepen worden als een herwaardering of gelijkschakeling van het ‘lage’ cultuurproduct tegenover de ‘hoge’ cultuur zoals dat gangbaar is in Cultural Studies. Veeleer gaat Žižek ervan uit dat ‘many texts previously thought not worth studying in fact are because in some way they transcend their context and testify to some truth that the context obscures’. [7] Op die manier beschouwt Žižek met name de populaire cinema als een geprivilegieerde plek waar we de onvermoede werking van ideologie op het spoor kunnen komen. Zijn boeken wemelen dan ook van de zinspelingen op de westerse filmgeschiedenis. Naast voorbeelden die de logische argumentatie van zijn theoretische werk moeten ondersteunen, wijdt Žižek ook zelfstandige analyses aan het medium film, onder meer in het in 2001 verschenen The Fright of Real Tears: Krzysztof Kieslowski between Theory and Post-Theory. De meest uitgebreide en coherente uiteenzetting over film vinden we terug in de TV-reeks The Pervert’s Guide to Cinema (2006),waarin hij binnen het raamwerk van zijn eigen denken uitvoerige analyses maakt van erg uiteenlopende films als Alien, Mulholland Drive en La Pianiste. Niet voor niets is Žižeks invloed op de filmwetenschap dan ook aanzienlijk.

In de afgelopen tien jaar is Žižek ook zelf een mediafiguur geworden. Hij weet als geen ander rumoer rond zijn persoon te creëren. Niet alleen is hij het onderwerp van een film, maar hij treedt ook op als de innemende presentator van The Pervert’s Guide. Zijn lezingenreeks The Reality of the Virtual verscheen recentelijk op dvd en er zijn talloze filmfragmenten van Žižek terug te vinden op YouTube. Žižeks populariteit laat zich ook aflezen aan de schare volgelingen (met name studenten uit de cultuurwetenschappen) die hij ondertussen heeft vergaard en die borg staan voor tot de nok gevulde zalen. Niet alleen lokt hij voortdurend weerstand uit, maar zijn hele persoonlijke verschijningsvorm met de typerende hyperkinetische gestes, zijn zware accent, zijn overmatige geestdrift en gevatte weerwoorden hebben van hem een soort van ‘pop-philosopher’ gemaakt. [8] Talrijk zijn dan ook de epitheta die hem zijn toegevallen: ‘academic rockstar’, ‘Elvis of cultural theory’, ‘the Marx Brother’ en ‘het denkbeest uit Ljubljana’. Die titels verraden niet alleen de sterrenstatus die de denker uit Slovenië te beurt is gevallen, maar zij zeggen ook iets over het onbehagen dat hij schept, een onbehagen dat alles te maken heeft zijn dans op het slappe koord tussen wat geacht wordt ‘serieuze’ filosofie te zijn en Žižeks vaak komische, schertsende en provocerende stijl van redeneren.

Redenen te over, zo moet Astra Taylor gedacht hebben, om aan de Sloveens denker een documentaire film te wijden met als toepasselijke titel Žižek! (2005). Zoals een recensent schreef:

Žižek’s academic posture – between social science and cinema – is suitable to the cinematographic treatment of an author’s thought and Astra Taylor’s documentary Žižek! combines both the cinematographic study of political thought and the political study of the cinema. If this documentary reveals a Slavoj Žižek interested in cinema […] it provides us with a cinematographic look on Žižek. [9]

Taylor, een jonge Canadees-Amerikaanse filmmaakster en schrijfster, kon zich geen betere filosoof wensen om het motto van haar cinematografisch werk ‘bring philosophy to the streets’ te belichamen. Over haar vervolgfilm Examined Life,dieverder gaat op het elan van Zizek!, zegt ze in dat verband het volgende:

Most philosophers are professional philosophers, including all the people in my film. I wanted to break philosophy out of that rarefied ivory tower space and show how compelling it can be when it’s directly connected to ordinary life.

Dat Žižek perfect past binnen dat opzet, blijkt voorts uit het feit dat Taylor niet alleen haar eerste filosofenfilm volledig aan hem, maar ook een deel van Examined Life (2008). Žižek is per slot van rekening de denker bij uitstek die inspiratie vindt in ‘ordinary life’ en die, zo meent althans Taylor, de filosofie kan democratiseren.

‘To bring philosophy to the streets’ is echter niet alleen een leuze die Taylors maatschappelijke doel raak schetst, maar die ook – zo blijkt uit beide films – een cinematografisch principe dicteert. In beide documentaires volgen we namelijk ook letterlijkhet pad van de denker(s) naar een plaats die veelzeggend is tegen de achtergrond van hun werk. De Žižek die we in Examined Life te zien krijgen, vinden we niet terug in het stadspark, op Fifth Avenue of op de luchthaven (zoals enkele van de andere denkers), maar aan een stortplaats, waar hij spreekt over de ecologische uitdagingen van onze tijd. Die locatie mag dan al goed gekozen zijn in het kader van de ecologische problematiek, het is tegelijkertijd ook een veelzeggend beeld dat Žižek juist naar die ‘traumatische’ plaats gaat die haast buiten ons denken staat – en precies daarom ‘waarheid’ bevat:

This is where we should start feeling at home. Part of our daily perception of reality is that this [garbage] disappears from our world. When you go to the toilet, shit disappears, you flush it […] [and] at a certain level of your most elementary experience it disappears from your world.

In Žižek! komt hetzelfde filmische principe aan bod: we volgen het pad van de filosoof naar plekken die elementen van zijn denken en vooral zijn biografie bevatten. We lopen in het spoor van de kosmopolitische spreker op zijn reizen door Europa, naar Zuid-Amerika en de Verenigde Staten, waardoor we getuige worden van ‘het fenomeen’ Žižek. Maar we brengen evengoed een bezoek aan zijn thuisstad Ljubljana om er terug te blikken op Žižeks stappen in de politiek, we zijn getuige van de ‘excentrieke’ inrichting van zijn appartement, de ‘analytische’ omgang met zijn zoontje, en we gaan even langs bij de uitgever van zijn werk. Heidegger vatte ooit een lezing over Aristoteles aan met de woorden: ‘Aristoteles wurde geboren, arbeitete und starb. Wenden wir uns also seinem Denken zu’, [10] maar het spreekt voor zich dat een dergelijke aanpak zich niet leent voor zo’n mediagenieke verschijning als Žižek en een denken dat zozeer verstrengeld is met de media:

Living down this paparazzi style attention that follows him from lecture to lecture and the general problem of academic fanfare is the subject of Astra Taylor’s documentary film, Žižek!, that explores this tension between Žižek’s intellectual commitment and his celebrity obligations. [11]

De populaire filosoof: een contradictio in terminis?

Als Žižek! één verdienste heeft dan is het wel dat de film het probleem van de filmische weergave van het filosofische denken centraal stelt. ‘The intelligence of the documentary Žižek!’, zo meent ook politicoloog René Lemieux in een bespreking van deze film, ‘is to present the phenomenon while taking part in it.’

In het geval van Žižek dreigt ‘[t]he thin bond between the thought and its mediation’ echter nagenoeg helemaal te verdwijnen, waardoor de inhoud van zijn werk verloren gaat. ‘In fact the media entertains Žižek’s popularity, not its academic fame nor the depth of his thought.’ [12] Lemieux beschouwt Žižek dan ook als cultureel fenomeen dat louter bestaat bij gratie van zijn mediagenieke verschijning. En daarin staat hij niet alleen: er zijn wel meer commentatoren die in Žižeks ‘onacademische’ stijl en mediagenieke verschijning een argument vinden om zijn denken integraal te verwerpen. In hetzelfde spoor betogen eerder kritisch ingestelde recensenten dat Žižek! slechts de faam van de Sloveense denker reproduceert zonder inzicht te bieden in zijn filosofische werk. Wanneer zijn theorie toch aan bod komt, dan is dat in de vorm van korte fragmenten die geïnspireerd zijn op oude films, linkse propaganda en reclame.

Žižek! wordt in de filmkritiek overwegend omschreven als onderhoudend en plezierig om naar te kijken, maar met weinig diepgang – net zoals de ontvangst van Žižeks werk in het algemeen dus. Žižeks bekendheid is inderdaad niet in de eerste plaats de verdienste van zijn veelzijdige, omvangrijke en uitdagende theoretische werk. Zoals Todd McGowan aangeeft, is Žižek ‘known more for his popularizing and his jocularity than for the content of his thought’. [13] Juist door de klemtoon op de populaire cultuur te leggen, dreigt Žižek filosofie leuk te maken. ‘Dreigt’,omdat dat niet alleen zijn eigen filosofisch sérieux aantast, maar ook omdat de keuze voor het obscene en het grappige zo zijn doel voorbijschiet. Zoals Todd McGowan aangeeft in een apologie voor de Sloveense denker, staat diens werk in schril contrast met het waarheidsrelativisme van het postmoderne denken omdat hij terugkeert naar de vraag naar de Waarheid. De ironie daarvan is dat ‘the path to seriousness is strewn with jokes’. [14]

But taking popular doctrines and texts seriously is not a risk-free endeavor. It entails a substantial risk for the theorists who embark on this type of theorizing. Ironically, serious theorists often encounter blanket dismissals for the failure to be serious, for failing to adhere to the constraints that define the discipline in which they work. [15]

Žižeks anekdotes en grappen zijn een handelsmerk geworden die de filosofische aspiraties van zijn werk in de weg dreigen te staan: zijn collega’s verwerpen het op grond van de onorthodoxe stijl, terwijl zijn uitgever geen werk meer wil uitgeven waarin geen grappen te vinden zijn. De filosoof zelf maakt in Žižek! duidelijk dat hij geen komiek is die toevallig overweg kan met Hegel en Kant, noch dat hij een denker is die nu eenmaal graag grappig uit de hoek komt:

The worst thing is to play the ‘we are all human’ game. I am not human. I am a monster. It is not … that I wear the mask of a theoretician and underneath I am a warm human being. I am a monster who plays, pretends he is human.

Als Žižek zich ‘menselijk’ voordoet dan is het wel omdat hij ons toespreekt vanuit onze eigen beleving van de realiteit om de ogenschijnlijke vanzelfsprekendheid van daaruit des te gemakkelijker onderuit te kunnen halen. Kortom, achter de maskerade zit geen ‘philotyrannical nonsense’, maar een ‘cold theorist’. Of, zoals hij het zelf verwoordt in Žižek!: ‘I rather prefer myself as somebody who, not to offend others, pretends, plays that he is human’ (mijn nadruk). [16] Dit is precies dat wat Žižek doet in Žižek!. Zoals René Lemieux betoogt: ‘I use the word “character” to indicate the Slavoj Žižek the movie shows us. It is because, in this documentary, Žižek acts like one. Or better, conversely, he tries to remove himself from the public image that one gave him.’ [17]

Al is het een verdienste dat Taylor het probleem van de portrettering van de filosoof in de film centraal stelt, daarmee is nog niet gezegd dat ze ook alle valkuilen ontwijkt. De Žižek die de kijker te zien krijgt is namelijk juist niet de ‘cold theorist’ die hij eigenlijk is. Taylors biografische aanpak en het filmische principe ‘bring philosophy to the streets’ maken van Žižek net de vermakelijke excentriekeling die hij zozeer verafschuwt. Al is Taylors leuze gericht op een democratisering van de filosofie, Žižek beantwoordt er wellicht minder voorbeeldig aan dan je op het eerste gezicht zou denken. De horde fans trotseert hij immers tegen wil en dank: ‘I really hate this, I cannot tell you how much I hate this.’ En hij beschouwt de wijsbegeerte idealiter als een anonieme job.

Dat de film zowel impliciet als expliciet de sterrenstatus van Žižek thematiseert, neemt niet weg dat ze er ook zelf onvermijdelijk aan bijdraagt. Dat toont zich natuurlijk in het succes van de film, maar ook in Taylors onverholen – en juist daarom vaak ergerlijke – adoratie voor de intellectuele ster. Het is tekenend dat ze, op het moment dat Žižek al theoretiserend een stapel films wil kopen, erop staat zijn rekening te betalen. Taylor heeft er veel voor over om haar held aan het werk te zien. Haar inbreng beperkt zich dan ook tot enkele retorische vragen en instemmende antwoorden. Nooit biedt ze enig intellectueel weerwerk tegen Žižeks onemanshow. Ook Taylor is een grote fan van Žižek.

Het is dan ook ironisch dat hoewel Žižek aan het begin van de film juist betoogt dat er achter de filosoof geen ‘warm mens’ schuilgaat met zijn kleine genoegens, we in de film niettemin getuige zijn van de kleine en banale aspecten van zijn bestaan. Niet alleen de uitgebreide scène waar we Žižek als vader zien of wanneer we een blik op Žižeks schrijfgewoonten werpen, maar ook de rondleiding door zijn appartement is zo’n ‘intiem’ moment waarop de film zichzelf enigszins tegenspreekt. De Žižek die we hier te zien krijgen is inderdaad een personage dat het eigen cliché zozeer uitvergroot dat het haast explodeert. Niet alleen de overdreven geestdrift maar ook de begeleidende lach tonen aan dat Žižek niet serieus is wanneer hij ons rondleidt in zijn keuken, waarin hij zijn kleren heeft opgeborgen: ‘Look even here, you see, isn’t it a crazy combination?’ Die theatraliteit die gericht is tegen het eigen mediabeeld culmineert aan het einde van de film in een enscenering van Žižeks rituele zelfmoord, oftewel het einde van de mediagenieke verschijning.

Het is echter maar de vraag of die laatste scène iets heeft veranderd aan de gespannen verhouding tussen Žižeks eigenlijke theoretische en politieke bedoelingen en de sterrenstatus die hem te beurt is gevallen. De mediabeelden die we intussen van Žižek gewend zijn worden door velen immers begrepen als een argument tégen zijn denken. Reacties tegen zijn werk getuigen vaak van een (on)bewuste miskenning van de eigenlijke inzet ervan en een vorm van ‘displacement’ of metonymische verschuiving die de ongemakkelijke reactie op zijn theoretische standpunten omzet in een kritiek op zijn persoon. Een makkelijk mikpunt daarbij is Žižeks uiterlijke verschijningsvorm, die critici zelfgenoegzaam gebruiken om hem af te schilderen als een wildeman en een clown:

Žižek seems well aware that a shortcut to celebrity status may be found in developing a ‘trademark’ identity that combines outlandish propositions, manipulations of language, efforts to seize the iconoclastic high ground […] as well as by the projection of traits of personality suggested by physical appearance (beard, tousled hair, T-shirt, sullen facial expression duly displayed in the cover of these books). [18]

Ook het populaire statuut van Žižek en de haast overdreven aandacht – die in Žižek! incluis – kunnen evenzeer gelezen worden als momenten van weerstand tegen zijn denken. ‘[T]he media’, zo merkt hij zelf op in de film, ‘are making me popular as a resistance against taking me serious.’ Žižeks status als ‘academic rockstar’ en clownesk ‘denkbeest’ houdt dus niet alleen verband met zijn bijzondere verschijning, maar heeft ook veel te maken met de ongewone wijze waarop hij filosofeert. Pogingen om zijn filosofische oprechtheid te herwinnen ten spijt – we mogen denken aan zijn geënsceneerde zelfmoord in de film en zijn theoretische werk dat strikter binnen de academische canon valt – toch zal Žižek altijd een randfiguur in het hedendaagse denken blijven. Maar ach, dat beeld is misschien zo mis nog niet. Is de nar (als literair topos) niet de figuur die de waarheid spreekt onder het mom van de waanzin?

 

[1] Louis Althusser, Lenin and Philosophy and Other Essays, Monthly Review, 2001

[2] Žižek, The Sublime Object of Ideology, Verso, 1989, pp. 28-30

[3] Žižek, Tarrying with the Negative: Kant, Hegel, and the Critique of Ideology, Duke UP, 1993, p. 2

[4] ‘Pseud’s Corner’, in: New Statesman, 30 april 2007, online: www.newstatesman.com/film/2007/04/slavoj-zizek-intellectual

[5] Žižek , ‘Knee-Deep’, in: London Review of Books, jg. 26, nr. 17 (2 september 2004), pp. 12-13, online: www.lrb.co.uk/v26/n17/slavoj-zizek/knee-deep

[6] Zie Tony Myers, Slavoj Žižek, Routledge, 2003, p. 6: ‘that the identity of something is outside of itself. There is, as it were, a hole in every thing, a little piece missing that can be found beyond itself, revealing the truth of that thing.’

[7] Todd McGowan, ‘Serious Theory’, in: International Journal of Žižek Studies, jg. 1, nr. 1 (2007), p. 61

[8] Zie in dat verband het interview van 26 mei 2006 op Radio France ‘Philosophie en situations: Pop philosophie, avec Slavoj Žižek’

[9] René Lemieux, ‘Film Review – Žižek!’, in: International Journal of Žižek Studies, jg. 2, nr. 2 (2008), pp. 1-2

[10] Hannah Arendt, Martin Heidegger en Ursula Ludz (red.), Briefe 1925 bis 1975 und andere Zeugnisse, Klostermann, 2002, p. 184

[11] Slavoj Žižek en Victor Taylor, ‘A Conversation with Slavoj Žižek’, in: Journal for Cultural and Religious Theory, jg. 7, nr. 1 (2005), p. 10, online: www.jcrt.org/archives/07.1/zizek-taylor-intro.pdf

[12] Lemieux, ‘Film Review – Žižek!’, p. 2

[13] ‘Serious Theory’, p. 58

[14] Ibid., p. 66

[15] Ibid., p. 64

[16] Tony Myers haalt in dat verband Žižeks commentaar aan op de grot in de film Alien waarin de filosoof stelt dat ‘the utero-vaginal associations aroused by this cave are almost too intrusive’ (mijn nadruk). ‘The word “almost” here designates the split evident throughout his work between the cold, dispassionate theorist and the audience for whom he writes.’ (Slavoj Žižek, p. 2)

[17] ‘Film Review – Žižek!’, p. 2

[18] Paul Hollander, ‘Slavoj Žižek and the Rise of the Celebrity Intellectual’, in: Society, jg. 47, nr. 4, 2010, p. 359; zie ook Rebecca Mead, ‘The Marx Brother’, in: The New Yorker, 5 mei 2003, p. 38, online: www.lacan.com/ziny.htm