Piet Gerbrandy

Published: 29/07/2015

Tags: review poetry essay

Vijf recente bundels van Sybren Polet (1924-2015). Essay uit nY #18.
 

Dat er iets is in plaats van niets, dat 13,7 miljard jaar geleden een singulariteit met oneindige massa is opengebarsten om tijd en ruimte te doen ontstaan, met alle krankzinnige consequenties van dien, is weliswaar te ongeloofwaardig om au sérieux te nemen – niettemin lijkt het zo gegaan te zijn. In elk geval is er iets, zijn wij er, en nemen wij de wereld waar. De onwaarschijnlijkheid van deze presentie zou een permanente bron van verwondering, ontzetting of enthousiasme kunnen zijn, ware het niet dat we van jongs af aan op zo’n manier worden geconditioneerd dat de baaierd van data ons niet te zeer afleidt en uit het veld slaat, behoudens momenten van paniek, euforie of extase. Gelukkig maar, anders zou er niets uit onze handen komen. Zonder oogkleppen vaart niemand wel. En is welvaart geen economisch begrip?

Toch zijn er altijd kunstenaars en dichters geweest die getracht hebben de orde, die ook een politieke orde is, te verstoren, vaak door domweg hun oogkleppen af te leggen en om zich heen te kijken. Wat ze waarnemen behoeft geen chaos te zijn, want het valt niet uit te sluiten dat er vormen van orde bestaan die het gezond verstand te boven gaan, maar iedere poging buiten de heersende structuren om te denken veroorzaakt onvermijdelijk turbulentie. Avant-gardebewegingen in de kunsten, paradigmawisselingen in de wetenschap en politieke revoluties zijn analoge verschijnselen die in de eerste plaats met waarneming te maken hebben.

Het vermogen tot waarneming is een van de wonderlijkste producten van de oerknal. Brein en zintuigen construeren een wereld, de taal vormt woorden om de ervaring te expliciteren. Al tienduizenden jaren zijn we bezig verhalen te vertellen over het ontstaan van de kosmos en onze plaats daarin, zodat ook de oerknal in zekere zin onze schepping is en bij elke volgende theorie het heelal opnieuw in het leven wordt geroepen. Maar vermoedelijk zit niet iedereen de hele tijd op nieuwe theorieën te wachten. Nieuwsgierigheid, verbeelding en wetenschappelijke creativiteit zijn immers potentieel subversieve krachten.

 

Zestig jaar verwondering

Als er nu één Nederlandse schrijver is die zijn leven in dienst heeft gesteld van de verwondering, is het Sybren Polet (1924), die zestig jaar geleden als dichter debuteerde met de bundel Demiurgasmen. Daarin staat het gedicht ‘Verlate echo’, waarin de kiem van zijn rijke oeuvre al is terug te vinden:[1]

Een vlek.
een stadskwartier van Zadkine-holtes.
alleen de inactieve rusten werken.
wie roept wekt enkel schijngestalten.
wie dicht dicht met de schijn van een revolte
– want woorden groeien als oesters in hun holte –
wie lamp zegt activeert zijn zwart
wanneer het avond is,
zijn licht wanneer het licht
en morgen is.

Het gedicht begint met een vlek, een verkleuring die er niet zou moeten zijn en die wat eronder zit aan het zicht onttrekt, maar juist door zijn aanwezigheid de aandacht op het omringende vestigt. Het gaat altijd om de dingen die je niet ziet, maar waarvan je vermoedt dat ze er zijn. Niet de materie van het beeld, maar de uitgespaarde holten. Er is een open ruimte, een leegte nodig om iets nieuws te laten ontstaan. Rust genereert activiteit, zoals de singulariteit uit het niets tevoorschijn kwam. Dat is wat ook de taal doet: zij roept op. Heeft God niet louter door te spreken het licht geschapen? Maar pas op, de tot leven gewekte gestalten zijn slechts schimmen of visioenen. Bovendien zijn ze bij nader inzien niet nieuw, omdat ook het woord al een geschiedenis in zich draagt. De revolte van het scheppen maakt gebruik van bestaand materiaal, dat een organische groei achter de rug heeft. Iedere uitspraak, of ze nu duisternis of licht doet ontstaan, is een verlate echo van eerdere klanken, zoals ieder natuurverschijnsel is opgebouwd uit elementaire deeltjes die de herinnering aan vele miljoenen eeuwen koesteren. Veelzeggend is de herhaling van het woord ‘holte’, het rijm met ‘revolte’ en het bijna-rijm met ‘schijngestalten’.  Ex nihilo doemen beelden op die een schijnbare omwenteling representeren. Schijnbaar, omdat ook het niets een traditie kent.

Polet, die wel geassocieerd werd met de Vijftigers maar niet tot de inner circle behoorde, ongetwijfeld omdat hij van nature een dwarse eenling is, heeft de aandacht getrokken van een schare welwillende lezers en critici, maar echt doorgebroken is hij nooit. Hebben zijn romans een heldere, zij het vervreemdende, verhaallijn, Polets poëzie is altijd dermate experimenteel geweest dat een groot publiek bij voorbaat uitgesloten was. Het leesproces wordt aanhoudend verstoord door een onconventioneel gebruik van bladspiegel, spelling, in poëzie niet gangbare symbolen en rare interpunctie, terwijl een ritmische swing goeddeels ontbreekt, doordat de dichter de voorkeur geeft aan korte woordgroepen boven vloeiende volzinnen. Ook is de taal onpoëtisch – om een traditionele term te gebruiken – daar Polet graag woorden en begrippen aan de natuurwetenschappen ontleent. Voorts roept hij situaties op die doorgaans slechts ten dele in een visuele voorstelling zijn om te zetten, aangezien de taal een eigen weg gaat, los van de vertrouwde wereld. Wat dat betreft is zijn werk verwant aan de moderne fysica, die met wiskundig gereedschap een niet voorstelbaar universum van elf dimensies construeert. Daarbij komt dat herkenbare autobiografische anekdotes tot het minimum zijn teruggebracht.

De abstractie van Polets poëzie heeft menig lezer doen afhaken. Gebrek aan respons heeft hem er zelfs toe bewogen gedurende een klein decennium bijna niets te publiceren. In de jaren negentig kwam zijn productie weer op gang, onder meer culminerend in de verzamelbundel Gedichten 1998–1948 (2001), waarin de afzonderlijke boeken in omgekeerde chronologische volgorde zijn geplaatst, zodat de lezer een reis terug in de tijd maakt. De afgelopen tien jaar is Polet als dichter zeer actief geweest. Vijf bundels verschenen er intussen (overigens bij een andere uitgever dan tevoren), waarvan de laatste zelfs genomineerd werd voor de VSB Poëzieprijs.[2] Onder jonge dichters die gebaande paden mijden geldt hij als een lichtend baken van creativiteit. Is dat terecht? Heeft de bijna negentigjarige Polet ons nog iets te vertellen? Is het nieuwe werk niet vooral een herhaling van zetten?

 

Singulariteiten

Laten we singulariteit als uitgangspunt nemen, een centraal begrip in Polets poëzie. In Binnenstebuitenwereld staat ‘Het begin van de wereld’ (B48):

Het begin van de wereld ligt in je, 
                                                           blastulagroot.

Wolkjes toekomstherinneringen, ontwakende 
voorgevoelens. Je hand spelend in het vruchtwater 
van een hele oceaan.

Zon nog geheel experimenteel. Kosmos 
van zich vormend hartstochtelijk denksel: 
ruimte zonder tijd.
                                 En stilte. En leegte 
om met nog lege wezens te delen.

Maar hoor die over je hele lichaam verspreide,
in partjes verdeelde windmelodie, préhistorische muziek 
door de nieuwe onledigen aaneengeluisterd. Hoor!

Hun naklank sterft mini-eonen later in je.

                                 *

Alle leven natijd.

Alle leven naleven, naleven…

Wat er staat is betrekkelijk eenvoudig. Elke celdeling, elke geboorte is een herhaling van de Big Bang. Op ieder moment komen nieuwe universums tot ontwikkeling, is het niet in materiële zin, dan wel in het denken. In elk van die werelden is de achtergrondruis van de eerste seconden nog waarneembaar als een ‘windmelodie’. Die muziek mag ook prehistorisch genoemd worden omdat wij in de loop van onze evolutie weliswaar veranderd zijn, maar desondanks onze vroegere verschijningsvormen nog met ons meedragen. Omgekeerd hadden onze voorgangers – de eerste eencelligen, de vissen en sauriërs, de eerste zoogdieren – misschien al de kiemen in zich van wat hun toekomst zou blijken. Elke herinnering is tevens een voorspelling. Het leven is een echo van wat voorafging, maar ook het voorspel van wat nog komt.

In Virtualia. Teletonen krijgt dit gegeven een zowel theologische als poëticale lading (V88):

Dichten na de dood van het Woord.

In den beginne is het na-Woord.
                                                                          Taal 
van nieuwe singulariteiten
                               in de naam van de na-mens.

God moge dood zijn, zijn scheppingsdaad is nog alomtegenwoordig. ‘Het interstellaire achter je voorhoofd. / Dé eerste 10 seconden: het explosieve woord als oerknal’ (B30). Hoe zien die nieuwe universums eruit? Ongeveer zo:

De triljoenen nano-oceaantjes in je lichaam
trillen het in leven.
                     Dolfijntjes als springende genen en memen.
Quasi-doelloos omzwervende intelligenties
                  rond vreemde aantrekkers
                                                         als toevallige waarheden.

Het begrip ‘vreemde aantrekker’, zo vertelt Polet in een aantekening (V91), is ontleend aan de theoretische fysica, ‘te zien als soms raadselachtig aandoende, concentrerende krachten in zelforganisatie’. Dat helpt nauwelijks. De verklaring is vaag en doet vermoeden dat de dichter een term gebruikt waarvan hij zelf niet weet wat hij betekent. Is dat geen loos vertoon van wetenschappelijke kennis? Wordt hier niet meer gesuggereerd dan er staat? Zelfs als dat zo is, valt deze fascinatie de dichter niet kwalijk te nemen, want niets is vreemder en intrigerender dan wat de theoretische fysica ons keer op keer aan bizarre ideeën voorschotelt. Polet spreekt in hetzelfde gedicht over ‘Poëzie van de theorie’ (zijn cursivering), hetgeen als beginselverklaring mag worden opgevat. Verbeelding en mathematisch denken sluiten elkaar niet uit, sterker nog: hebben elkaar nodig.

 

Splinters en mozaïeken

Bovenstaande strofen laten kenmerkende elementen van Polets techniek zien. In de eerste plaats zijn zinnen zonder werkwoord in de meerderheid. Er worden woordgroepen geponeerd waarvan zelfstandige naamwoorden, vaak abstracties, het centrum vormen, die zijn opgetuigd met deelwoorden en bijvoeglijke naamwoorden. In de tweede plaats grossiert Polet in het voegwoord ‘als’. In de meeste poëzie, maar het geldt ook voor proza, zijn als-vergelijkingen logge constructies die de indruk wekken net zo goed weggelaten te kunnen worden omdat ze alleen maar een verfraaiend effect hebben. Veel werkzamer zijn doorgaans metaforen, omdat daar het beeld en het verbeelde niet meer naast elkaar staan maar in elkaar opgaan. Bij Polet lijkt echter iets anders aan de hand te zijn. Door het ‘als’ te handhaven schept hij expliciet een analogie tussen twee werelden die normaal gesproken gescheiden zijn. De constructie houdt de fragmentering van werkelijkheid en waarneming in stand, terwijl tegelijkertijd de mogelijkheid wordt geopperd dat integratie in beginsel denkbaar is. ‘Als’ betekent ‘zoals’, dus: ‘lijkend op’, maar ook: ‘in hoedanigheid van, zich manifesterend in de gedaante van’.

Beide aspecten, het gebruik van nominale woordgroepen en de inzet van ‘als’, resulteren in een sensatie van versplintering, die vanzelfsprekend aansluit bij Polets hartstocht voor singulariteiten, elementaire deeltjes, DNA en pixels. Het is aan de waarnemer de scherven aaneen te voegen tot caleidoscoop of mozaïek. Met een verwijzing naar de verstrooide filosoof Thales van Milete schrijft Polet, mogelijk naar aanleiding van een bezoek aan Griekenland (L36):

Zien is herzien.
De filosoof, omlaag blikkend, stapt doelgericht
in de poel waarin zich de sterrenhemel weerspiegelt
en waant zich in het elysium.

En zie, overal schitteren splinters intellect
als kwartskristallen, zweven antropoïde denkbeelden 
in voortdurend modulerende mozaïeken
van ledematen, ogen, handen, borsten, vingers, 
gestolde tranen, een enkele penisvogel
                                                           (van later datum)

Zien is herzien, ordenen is opnieuw samenvoegen, kennis vergaren is archeologische arbeid. Ruim tweeduizend jaar geleden wijdden mensen dankbaar afbeeldingen van hun genezen lichaamsdelen aan de god Asklepios, op grond daarvan reconstrueren wij de wereld waarin zij leefden.

Ook in zijn woordkeus, met name in zijn neologismen, maakt Polet duidelijk dat alle vernieuwing in feite een vorm van herschikking van bestaand materiaal is. Zoals atomen telkens nieuwe combinaties aangaan, smelten taalpartikels samen in steeds wisselende configuraties. Vaak betreft het woorden van Griekse of Latijnse herkomst, zoals ze nog altijd in vrijwel elke tak van wetenschap gebruikt worden om zojuist ontdekte organismen, kwalen, astronomische rariteiten of sociale fenomenen een naam te geven. Polet doet daar graag aan mee: homoceen, breinnomaden, soloactief, teletonen, vacuümfluctuaties, labyrintische fractaliteit, limietrealiteit, protondromen – al tientallen jaren kan Polet geen genoeg krijgen van dit spelletje, dat bij de lezer doorgaans weinig méér oproept dan het vermoeden dat de dichter de wetenschapsbijlagen van de dagbladen met belangstelling volgt. Toch is het een significant aspect van deze poëzie, omdat het geïsoleerde woord, of het nu echt iets betekent of slechts een uithangbord van pseudowetenschap is, steeds een eigen wereld belichaamt, een veelbelovende singulariteit die zich van haar oorsprong bewust is.

Het nadeel van deze techniek is evident. Polet draagt een intense verwondering uit, maar zijn authentieke enthousiasme geldt vooral abstracties en theoretische constructies, terwijl de schoonheid van de contingente wereld er bekaaid af komt, laat staan dat de liefde of de fysieke omgeving prominent worden bezongen. Toch zijn die aspecten niet helemaal afwezig. Ook de koele taalsmid heeft een melancholische kant, hij refereert graag aan de vele reizen die hij gemaakt heeft, aan beeldende kunst, enigszins geamuseerd ziet hij zichzelf ouder worden, en incidenteel schrijft hij over Cora, die al sinds de jaren veertig zijn levensgezel is. Maar zelfs Cora blijkt een product van taal en verbeelding (D70):

Lief denksel,
                                   werkelijker dan ooit.

Je werpt vertederende schaduwen naar alle kanten, 
welhaast een rozet.
                                              En weer wandelen wij 
in elkaar, uit elkaar, in elkaar,
                                                            momenten 
als vertraagde filmbeeldjes en toch levend heden.
                (Het onherroepelijke verleden komt later.)

Even later, wanneer de tijd is gaan liggen ‘als een hond die is moegespeeld’ en op tafel twee ‘verstilde, gelijkop brandende kaarsen’ staan, stelt de dichter voor: ‘Kom laten we elkander verbeelden’. Maar Cora lijkt verstandiger dan haar geliefde: ‘Nee, geen beelden. Alle beelden / lokken toekomstig verleden uit’. De vrouw probeert de werkelijkheid te ervaren zoals ze is, en niet via de omweg van een taalspel.

 

Utopie


Polets liefde voor verbeelding en creatieve natuurwetenschap heeft een politiek, zelfs een utopisch aspect. Keer op keer heeft hij zich afgezet tegen een wereld waarin alles zwart of wit, goed of fout is, waarin geld en oppervlakkigheid de verbeeldingskracht uitschakelen en oorlog en onrecht hoogtij vieren. De laatste bundel opent met deze twee strofen (V6):

Rating van het mensdom gedaald
                                                   van AAA naar AA, A en A–.
Alles & allen op naar het min-nul, ons aller eindbegin
en optimale zelfverevening in zeroïsche onschuld.

De dreiging van degradering omgezet in hoop 
op een ópen eindbegin
                                           in onderverzadigd niemandswit.

De ineenstorting van het wereldkapitalisme biedt, mogen we hopen, de gelegenheid voor een totale reset, een schone lei (om een boekhoudkundige term te gebruiken). De dichter koestert de droom ‘van overal verspreid liggende / organen en orgaangevoelens / als in een andere vader­ of moederaarde’. Het gedicht eindigt met een citaat: ‘Wir müssen die Erde ändern’.[3] Ik weet niet wat de herkomst van de zin is, maar hij herinnert onmiskenbaar aan ‘Archaischer Torso Apollos’ van Rilke, waarin de confrontatie met een torso zonder hoofd leidt tot de veelgeciteerde woorden: ‘Du mußt dein Leben ändern’. Peter Sloterdijk gebruikte ze in 2009 als titel voor een boek over de constructie van de nieuwe mens (‘Anthropotechnik’). Wat echter vooral opvalt is dat het citaat bij Polet tussen dubbele haken staat. Dat kan twee dingen betekenen. Enerzijds zou het kunnen duiden op bescheidenheid, waarbij de dichter waakt voor al te paternalistisch moralisme. Anderzijds zouden de buitenste haken ook de terughoudendheid van de binnenste haken kunnen opheffen. Zeker zet de regel aan tot denken over de vraag hoe maakbaar de wereld is, of het veranderen van de aarde eigenlijk wel een goed idee is, en of we bij het uitvaardigen van politieke voornemens niet altijd bezig zijn anderen na te praten. Zelfs het meest authentieke ideaal is immers weinig meer dan de echo van politieke achtergrondruis wat op zichzelf geen reden is om aan de relevantie ervan te twijfelen, integendeel.

Het geloof in een nieuwe begin is bij Polet sterk verbonden met het bijbelse Eden, waar Adam zijn best deed de belofte die hij was in te lossen, maar faalde. Polet associeert Adam en Eva met de vroege hominiden van wie we schijnen af te stammen. Zo is de utopie van het nieuw begin tegelijkertijd een proustiaanse zoektocht naar het verloren paradijs, dat zich, voor wie goed zoekt, ergens binnen in ons moet bevinden: ‘Het zoeken en vinden van de verloren tijd: hier!’ (A46) In ‘Melancholia Regained’, een titel die een schaduw werpt over Miltons Eden, spreekt de dichter als iemand die zich niet meer thuis voelt in de wereld waarvan hij deel uitmaakt (A42):

De jungle van jingles, beltonen, zingende
                                                                                krokodillen.
Donkerende najaarseiken
                                               in een duistere hemel reikend
als vertikale delta’s van gestold bloed.

De totem-adam hunkerend naar zijn verdwijnpunt.
De rottende, roesverwekkende appels 
                                              van een verloren paradijs.

Liever, zegt de dichter, ‘wil ik weer beelddichten bij toortslicht / in donkere ondergrondse grotten / of mijn huid vol tatoeëren met runen, / nieuwe posthistorische runen’ (D72). Intussen is hij zich volkomen bewust van de gevaren die het verlangen naar een schuldeloze oertijd aankleven, al is het alleen omdat het om een irreële projectie gaat. In ‘Anti­adamitisch’ (V41) wordt de regressieve utopie, hoe verleidelijk ze ook is, naar het rijk der fabelen verwezen:

De ah & oh-mens
                                             en zijn hydrakoppen,
zijn ontdromende kernkoppen.

Verliezen wat je nooit hebt bezeten.

                                                            *

De echolalieën uit zijn spreekorgaan 
dat tegelijk eetorgaan is.
                                                        Taalkannibaal.
Zelfverslinder.

                                Spreken is
als een schimmige protohistorische figuur 
met oogvingers betasten 
                                                 tot hij bijna reëel is,
om dan met hem – zelf schimmiger wordend – 
een schimmige coëxistentie aan te gaan
                                                            en op te gaan
in een diffuse halfduistere rede.

De moderne ‘ah en oh-mens’ heeft vele gezichten en vele mogelijkheden, maar zodra een ervan zich manifesteert, zich losmaakt uit het domein van de droom, in taal wordt uitgesproken, betekent dat meteen het einde. De potentie moet virtueel blijven om niet te worden uitgeschakeld. Spreken, dat altijd een reproductie van echo’s is, verwerkelijkt de potentialiteit van het ik, maar heft die tegelijkertijd op. Spreken is zichzelf verslinden. De hydra genereert haar eigen Herakles. Toch is het onvermijdelijk te blijven spreken, omdat de taal ons belangrijkste gereedschap is om door te dringen in wie we ten diepste zijn, althans denken te zijn. Je reikt naar de Adam die in je binnenste zou sluimeren. Dat is een illusie:

De verre echolalieën
                                        van iets wat je nooit hebt bezeten.

De ah & oh-mens als tijd­ en taalkannibaal: 
                                                                                   schimmen
herschapen in het Eden van een duistere oerrede.

                                                          **

Woorden wekken ons jachtinstinct 
                                                            (naar woorden),
wij nog steeds op zoek naar de missing link.

Door een echo van zichzelf te vormen doet het gedicht wat het zegt. De spreker zoekt naar iets wat hij zelf voortbrengt en vernietigt zodra hij het te pakken heeft. Gezien de ironie, misschien is het zelfspot, van de formulering ‘ah en oh-mens’ lijkt Polet te waarschuwen tegen een te groot geloof in het belang van afkomst. Dat is, in een tijd van aanhoudend racisme en genetisch fundamentalisme, een zinvolle suggestie.

 

Ego en echo

Als het waar is dat de mens zijn voorgeslacht belichaamt, roept dat de vraag op naar de aard van de identiteit. Is het ik een houdbare constructie? En wat zou eigenlijk het voordeel zijn van een begrensd zelf? Minstens sinds het verschijnen van Persoon/onpersoon (1971) is Polet bezig het ik af te breken.

Hoofdfiguur van die bundel is Mr Iks of de X-mens, die een onafzienbare reeks ikken belichaamt. Zou een romantisch of modernistisch dichter dat als een schrikbeeld ervaren, voor Polet is de meervoudige identiteit een opwindend vergezicht, een utopisch ideaal van de nieuwe mens (G373):

24.00 u.
Mr Iks fluit zijn identiteiten bijeen.
Ze komen. Tezamen
worden ze één,
                                
ik incluis,
                                              één Mr Iks.

Hij staat in de deur.
Hij wrijft zijn bril schoon.

Mr Iks,
                hij groet u.

In Echo in diaspora. Taalfiguren IV (1995) komt de reeks ‘Ego & Nego’ voor, in Taalfiguren I (1983) ontmoeten we een ‘Egoïde’ die via ‘Exoïde’ weer tot ‘Egoïde’ wordt. Identiteiten zijn echo’s van elkaar. Het ik is fluïde. Ook in de laatste vijf bundels duikt dit motief frequent op. In ‘Nachtgedicht’ – een van de vele nocturnes die Polet heeft geschreven – staan deze regels (B42):

Je schrikt op, als gewekt door het oceanische
   vooroordeel van de zee, die je – zeeziek bijna –
al golvend met je meedraagt.

Alarmvogels. Misthoorn als een ego-echo, 
    een al zwakker wordende.

In ‘Proto­ of protondromen’ vormt de gedachte dat het ik de echo van een evolutie is, de basis voor de stelling dat de dood er niet toe doet (V15):

Levend met mijzelf als een goed bewaard geheim
binnen een vervreemd buitenskelet,
                                                                                     al of niet
met een gedeformeerde ego-echo
                                                          of de rugwaarts gerichte 
echo van andere echo’s,
                                                             
soms millennia-oude.

Uiteindelijk een echo zonder oorsprong?
                                                                                  Die horen.

                                                             *

 En de dood?
                                Een achterhaald idee.

Later in de bundel, waarvan de titel Virtualia natuurlijk de digitale revolutie oproept, wordt de open identiteit gekoppeld aan de schier onbegrensde mogelijkheden van internet, hoewel de mens in diepste wezen altijd een prehistorische hominide is gebleven (V40): ‘De luchtholenmens als een nieuwe mythe, / dagelijks herdicht, / kosmokubistische hominide, opgebouwd / uit netwerkpartikels’. Paradoxaal genoeg leidt het ontstaan van een wereldwijd web, dat misschien gezien mag worden als een enorm neuraal netwerk, tot een ongekende vorm van narcisme, waarbij iedereen zijn best doet zichzelf aan te prijzen zonder in te gaten te hebben dat hij weinig of niets van alle anderen verschilt:

Zelfbeschouwing als meditatie,
                                         een de hele wereld omspannende:
                 echovirus als resistent egovirus.

Polet lijkt dit verschijnsel als een bevrijding te zien. Waar al die virtueel geconstrueerde ego’s een kort bestaan is beschoren, blijft het super-ego in stand. De dichter spreekt van de ‘zegen / van het spontaan uiteenvallen / en weer verdichten, herdichten. // De zegen van tijdelijkheid en wisseling van luchtholen, / boordevol gonzende leegtes’. Toch vraag ik me af hoeveel ironie er schuilt in regels als de volgende (V70):

Niet de dictatuur van de realiteit,
                                                                          maar
een werkelijkheden scheppende onrealiteit.

Sterf daarom met je domeinnaam!
                                                                       Bedenk 
  namen als anti-namen.

Het gedicht eindigt met de oproep: ‘Herhaal: ego als nego, / nego als ego.’

 

Ingevoelde gevoelens?

Niemand kan bezwaar hebben tegen Polets pleidooi voor ongebreidelde verbeelding. Ook het verlangen naar een bewustzijn dat opgaat in dat van anderen en uitstroomt tot in de verste uithoeken van het universum is aantrekkelijk. En inderdaad, als we deel uitmaken van een superorganisme dat alle tijd en ruimte omspant, als ieder van ons een microkosmos is die het grote geheel in zich bergt, zijn we onaantastbaar en onsterfelijk. Dat is mooi en misschien troostrijk. Maar het is ook gevaarlijk. Is de ander niets dan een extensie van jezelf, dan is er geen reden meer je in hem of haar in te leven. Waar de betekenis van het individu wordt geminimaliseerd grijpt totalitarisme zijn kans. Waar het ik niet telt kijkt men niet op een slachtoffer meer of minder. Vanzelfsprekend is dat niet de kant die Polet op wil, want de vrijheid van de verbeelding is zijn voornaamste principe. Zijn flirt met het onpersoonlijke vormt echter een reëel risico, en ik vermoed dat de betrekkelijke armoede aan humaniteit in zijn werk ook verklaart waarom het nooit populair zal worden. Er wordt veel gedacht, er wordt veel ontworpen, maar wat ontbreekt is warmte.

Polet zal mij tegenwerpen dat zijn denkwereld juist de ultieme empathie vertegenwoordigt. Misschien heeft hij gelijk, misschien ben ik een van die verstokte romantici die, daar ze nog in de authenticiteit van het subject geloven, ‘schuw en humanisties’ doodgaan, om met Lucebert te spreken. Dat moet dan maar. Intussen laat ik me wel graag vervoeren door Polets poëzie over wat Pythagoras de harmonie der sferen heeft genoemd, de grondtoon van het universum, de oeroude melodie van vlak na de oerknal. Je huist, zegt hij, ‘als een voorecho / in het reusachtige oor van / een onbeluisterde ruimte’, en uit de verte ‘klinkt één ijle lang aangehouden toon’. Wat is dat voor toon, ‘een aarzelend humane of voorhumane?’ Dit is het antwoord: ‘Boventoon zonder ondertoon’ (B7). Elders wordt diezelfde toon beschreven als geluid ‘dat zich niet voortplant. // Alles verrukkelijk doelloos’ (D53).

In ‘Pantonaliteit’ (V83) staat echter de ondertoon centraal. De dichter denkt aan de toekomstmens die geen mens meer is, ‘zelfs geen invulmens’, en hoopt op ‘het oninvulbare’. Meteen becommentarieert hij deze gedachte als ‘leegstroommelancholie’, die een mythologie is: ‘Hopen op hermetisch wit.’ In het tweede deel van het gedicht is er zowaar sprake van gevoelens, zij het dat die abstract blijven:

Ingevoelde gevoelens binnen gevoelens
onder lichaamseigen muziek.

                                   Stiltegeluiden zonder bijgeluiden.

                                           Subtonale melodia.

Geen dingtonen als boventonen.

Enkel eeuwenoude ondertonen, 
                                                       pantonale breintonen.

Weliswaar gaat het opnieuw om een muziek die niet hoorbaar, alleen denkbaar is, toch lijkt Polet hier, met een voor hem ongebruikelijke weemoed, de toekomstige verdwijning van zijn lichaam te bezweren. Ontegenzeglijk is het een mooie gedachte dat de dood het herstel van een vroegere eenheid inhoudt, het opgaan in een hermetisch wit dat gereed ligt om nieuwe singulariteiten te doen ontstaan.

Dan begint alles opnieuw. Ieder woord is een oerknal, de oerknal is een woord. Het laatste gedicht van Donorwoorden heet ‘Finale’. Het luidt zo (D96):

Alle dichten is dichten van beginners.

Daarin ligt de kracht van Polet. Ook al herhaalt hij zichzelf al een jaar of veertig, zijn naïeve enthousiasme blijft aanstekelijk.

 


[1] Ik citeer uit Gedichten 1998–1948, Amsterdam, De Bezige Bij, 2001

[2] De vijf bundels, alle verschenen bij uitgeverij Wereldbibliotheek, zijn Luchtwegen Nergenswind (2003), Avatar. Avader (2006), Binnenstebuitenwereld (2008), Donorwoorden (2010), Virtualia. Teletonen. Even­- en nevenbeelden (2012). Ik verwijs ernaar met de afkortingen L, A, B, D en V. Voor de verzamelbundel gebruik ik de afkorting G.

[3] De spelling ‘ändren’ moet wel een verschrijving zijn.