Samuel Vriezen

Published: 5/03/2018

Tags: essay Jeroen Mettes

Ha Jeroen,

augustus vorig jaar schreef je:

ik heb altijd een poëzie van de wereld willen schrijven. niet de wereld zoals alleen IK die beleef, maar zoals ik door de straat loop [...] een dynamische assemblage. [...] op het moment denk ik over dit boek als geschreven in de modus [...] van het heden: proza, horizontaal, veel "is". het volgende zou in de modus van de toekomst geschreven moeten worden.

 

En in oktober, naar aanleiding van mijn eigen Mogelijke Wereld-gedicht:

 

Ondertussen wordt op vrolijke wijze een (?) hele wereld opengegooid. Daar zal ik je verder niet voor roemen, want de lof zal niet te onderscheiden zijn van eigendunk. Dat is immers precies waar ikzelf de new sentence voor gebruik.

 

Ik geloof dus dat je als als lezer wel altijd radicaal ‘hier’, in je eigen hoofd, maar nooit echt ‘nu’ bent. Je zou misschien kunnen zeggen dat jouw boek juist een poging is het ‘daar’ en ‘nu’ van de wereld in de tekst te importeren met als doel om het ‘hier’ te ontsnappen. Je lijkt te proberen in de interne spanningen van al dat ‘daar’ en ‘nu’ een mogelijke toekomst te ontwaren. Wat je aan het eind van N30 schrijft over de hoop die leeg is gebleven suggereert dat het niet helemaal geworden is wat je had gewild. Maar je hebt me nu eerlijk gezegd vooral nieuwsgierig gemaakt naar dat tweede boek waar je over schrijft, dat zelf in de modus van de toekomst staat. Ik zal proberen het me voor te stellen.

 

 

Beste Daniël,

 

Bovenstaande is een deel van de tekst die ik uitsprak bij de crematie van Jeroen Mettes in september 2006. Een mailtje aan een dode.

 

Volgens mij moeten we het hebben over consistentie, over heden, verleden en toekomst, over tastbaarheid en afstand. En, ik kan ze niet vermijden, over geesten. Het wordt weer een lange brief.

 

Je sluit je brief af met N30 open te houden: het laatste woord over het gedicht is nog niet gezegd. Dat klopt denk ik. Het is ook wezenlijk onaf werk. En inderdaad: het nodigt uit tot reactie, juist ook door van provocatief materiaal gebruik te maken. Provocatief op veel manieren: het werk van Jeroen Mettes wil expliciet deel zijn van een radicale emancipatoire politiek, van een even zo radicale poëtica van het alleropenste, maar ook door de walging als totale grondstemming te hanteren en de lezer continu de lelijkheid van de wereld voor te houden. En zo kan het goed zijn dat ik ongelijk heb met mijn voorkeur voor een tekst als Poor Yorick Entertainment. Het probleem is: N30 is eigenlijk het onvoltooide, beloftevolle werk van een beginnende dichter, dat wij nu moeten lezen als het meesterwerk van een groot auteur, simpelweg omdat er niets meer is gekomen. In het bijzonder zijn de andere twee delen van de beoogde trilogie er nooit gekomen: Kersentijd, over de Commune van Parijs, dat hij ongeveer nu voltooid zou moeten hebben als hij nog had willen leven. En vooral het tweede deel, ‘in de modus van de toekomst’.

 

PYE laat dan hoogstens zien wat er verder nog had kunnen gebeuren in wat het volwassen werk zou kunnen zijn. Maar dat is gek om te zeggen. Aangezien Jeroen zelf opzij is gestapt, is enkel N30 zijn volwassen werk. Soms denk ik dat we N30 nooit op deze manier hadden gekend als de auteur nog had geleefd. Ik heb daar in de vorige brief al op gezinspeeld. Want kun je je een Jeroen Mettes voorstellen die met een literaire redacteur aan zo’n manuscript gaat werken – in 2006, bedoel ik, en zonder dat zijn dramatische dood al had bijgedragen aan zijn reputatie – zou sowieso een uitgever er zich aan hebben willen wagen? En zou de receptie vergelijkbaar zijn geweest, als de auteur in principe op zijn blog aan de discussie erover had kunnen bijdragen?

 

Ook daar zinspeelde ik al op: de blogger als supplement van de dichter. Ik ga dat motief doortrekken, en ga zo in op wat je over ‘Politieke poëzie’ zegt, dat je de tekst weinig samenhangend en ontoereikend vindt. Naar mijn gevoel is die tekst juist vrij helder in de uiteenzetting van de conceptuele uitgangspunten van het project. Alleen: dát er een poëtica van N30 nodig is, een poëticaal supplement op het gedicht, staat al op gespannen voet met wat het werk beoogt! Dat weet de dichter, uiteraard. Een deel van ‘Politieke poëzie’ herneemt enkele alinea’s, die ook aan het eind van het gedicht zelf staan en daar als volgt worden ingeleid:

 

Commentaar van een schrijver op zijn eigen werk heeft altijd iets pijnlijks. Het is een teken van onzekerheid en gebrek aan vertrouwen in zijn publiek dat hij zelf zijn eerste lezer wil zijn. Hij is bovendien vaak zijn meest onzekere lezer, omdat het lezen van eigen werk altijd een aspect van revisie blijft behouden, of de mogelijkheid tot herschrijven in ieder geval nooit is uitgesloten. Ik ben onzeker en vertrouw niemand, maar wil u en mijzelf een gênant schouwspel besparen door deze opmerkingen zo kort mogelijk te houden.

 

Mijns inziens gaat deze onzekerheid bij Mettes terug op een spanning die inherent is aan het probleem van het hele project: immanentie. Jeroen wil liefst zijn gedicht voor zich laten spreken, alleen, niet om de gebruikelijke reden – dus niet om een modernistische smetteloze autonomie van het werk te beschermen. N30 is juist zeer poreus, doordringbaar voor de wereld, besmet en besmettelijk. Nee, de tekst moet juist op alle momenten en door iedereen betreedbaar zijn, en dan een plek vormen waar bedoeling kan oplossen. Dit betreft lezer zowel als schrijver – hun wederzijdse ritmes wissen elkaar uit, zo leren we uit het dichte slotstuk van het essay ‘Schrijven en lezen’, waarbij die uitwissing als een soort infinitesimale gebeurtenis het enige is dat de historiciteit van de literair tekst garandeert (en tevens lezer en schrijver blijvend scheidt). Wil dit kans hebben, dan mag de tekst niet ‘overgecodeerd’ worden (om het deleuziaanse jargon te gebruiken) door een of andere sturende betekenis, een bedoeling van de schrijver.

 

Ondanks dat voelt de dichter de noodzaak om iets uit te leggen; er bestaat zelfs een compleet essay. Mijn stelling hier zal zijn: het poëticale project van radicale immanentie is onhoudbaar; ‘Politieke poëzie’ fungeert daarom als een noodzakelijk supplement, dat tegelijk niet zou mogen bestaan. Maar waarom is die immanentie onhoudbaar? Jeroen geeft een aanwijzing: het werk is nooit voltooid, het zou altijd gereviseerd kunnen worden. Maar dan is de vraag: wat zou dat? Waarom zou dat tot onzekerheid moeten leiden of zelfs tot wantrouwen, waardoor aanvullende opmerkingen nodig worden?

 

We weten niet wat voor criteria Jeroen hanteerde bij zijn revisie-beslissingen. Hij zou waarschijnlijk zelfs vermijden om in termen van ‘criteria’ te denken. Een criterium is immers een transcendentale maat, en biedt dus de mogelijkheid tot overcodering. Niet voor niets benadrukte hij regelmatig de methodische willekeur van zijn schrijfprocessen. Ik kan me eigenlijk alleen maar dit voorstellen: elke zin, elk moment dat hem op zeker moment niet meer trof als consistent deel van een zuiver ritme – dus, elk moment waarop een betekenis de tekst topzwaar maakt – moet worden bijgewerkt. Een negatief criterium dus, of liever: een negatief van alle criteria. Een tekst die door niets of niemand bedoeld kan zijn, die niemands particuliere betekenis draagt. Alleen zo’n tekst kan het ‘alleropenste’ zijn, het paradijs.

 

Het wordt hier duidelijk waarom de dichter niemand kan vertrouwen. Als hij zijn eigen tekst leest, en plotseling last krijgt van een ongewenste overcodering, kan hij ingrijpen. Maar hij kan niet weten wat een lezer meebrengt. Dit wantrouwen is structureel en onontkoombaar: uiteindelijk zit hier geschiedenis achter, die altijd groter is dan elke lezer en elke schrijver. De schrijver kan nooit anticiperen met welke geschiedenis of leeshouding een lezer naar zijn tekst komt – dat levert ook de problemen op waar onze correspondentie mee is begonnen. (Overigens kun je de terug- en her-schrijvingen van Thị Mai en Obe zo ook weer begrijpen als paradoxale vormen van trouw aan Jeroens werkwijze!)

 

Tegelijk kan de tekst niet zelf uitleggen hoe je hem wél op correcte wijze immanent kunt beleven. Vandaar: een aanvullend commentaar, zelfs een heel poëticaal essay. Mijns inziens legt dit essay de gedachtenwereld achter N30 zeer helder uit. Anders dan jij zie ik geen inconsistentie in de tekst van het essay. De enige inconsistentie die ik zie is het bestaan van het essay zelf. ‘Politieke poëzie’ wordt de transcendente betekenis die N30 nooit mocht hebben. De stop op de fles, de witte vlag waarmee de dichter wil ontkomen aan zijn eigen wereldburgeroorlog. Klaarblijkelijk heeft N30 toch een buiten.

 

Zo laat Jeroen Mettes ons een volkomen onaf project na: twee delen niet geschreven, het wel geschreven deel is briljant maar ook onhoudbaar en zijn poëtica staat ermee op gespannen voet. Het gevolg is dat we allemaal aan het werk moeten. Deze brief vormt bijvoorbeeld al minstens mijn vijfde reconstructie van Jeroens poëtica, en ik wist al op de dag van zijn dood dat ik dit soort werk lang zou moeten gaan doen. Ik wist dat, omdat het gesprek tussen ons niet voltooid was (zoals ook zijn werk onvoltooid is). Daarom doortrekt hij in grote, niet altijd even expliciete mate, mijn werk. Met andere woorden, we hebben (ik heb) te maken met zijn rusteloze geest.

 

Politieke poëzie’ heeft overigens N30 niet beschermd. Het gedicht wordt vaak gelezen op manieren die, vermoed ik, voor Jeroen lastig zouden zijn geweest. Zo is één van de manieren om N30 verteerbaar te maken om het geweld ervan als een vorm van ironie te lezen. Verwant daarmee, om N30 als kritisch document te zien. In beide gevallen bouw je afstandelijkheid in: ofwel zegt de tekst iets waarvan de goede verstaander begrijpt dat dit niet de ‘bedoeling’ van de schrijver kan zijn geweest, ofwel de tekst ‘ontmaskert’ de werkelijkheid en legt een achterliggende structuur bloot. Zo hoeft de lezer zich door het geweld van de tekst niet te laten aantasten, en kan deze zich verschansen achter de aanname van een diepere werkelijkheid. Dit beschermt, maar op een manier die mij als niet-productief treft, al kan de tekst – juist door zijn alleropenste karakter – zulke behandelingen ook niet uitsluiten. Het wantrouwen van de dichter is er niet voor niets.

 

Bij jouw lezing in je laatste brief kom ik dan ook opnieuw dingen tegen waar ik vraagtekens bij heb – maar die voor hetzelfde geld functie zijn van het open karakter van de tekst. Je stelt bijvoorbeeld – tegenover Thị Mai – dat ‘Mettes zelf de giftigheid van die taal blootlegde’. Het lijkt mij dat die giftigheid allang blootligt; wie Mettes nodig heeft om dat te zien leeft in een erg veilige bubbel. Het is eerder zo dat Mettes met die giftigheid – en vele andere kanten van taal – werkt, wat niet zonder gevaar is. Net zo geloof ik dat N30, anders dan het blog, niet ‘tegen de consensus in geschreven is’ – ik denk dat de consensus deel uitmaakt van het giftige materiaal. ‘Het gaat er niet om wat dan ook te ‘ondermijnen’, of om de woedende wereldburgeroorlog te beschrijven, maar sociaal (of zelfs: ontologisch) antagonisme – met al zijn catastrofale en utopische mogelijkheden – te schrijven.’ Jeroen wil juist niet buiten de wereld (buiten Nederland) staan, en Nederland is nou eenmaal een consensusland. Wel is hij, denk ik, gericht op dissensus, in de zin van Rancière – wat niet het tegendeel is van consensus! Het tegendeel van consensus is polemiek, die echter wel een strijdperk veronderstelt. Dissensus gaat verder: het gaat erom dat er geheel andere regimes van zichtbaarheid kunnen bestaan, die elkaar niet eens raken. Dit is waarom de dichter ‘sociaal antagonisme’ preciseert als ontologisch antagonisme. Zichtbaarheid hoeft niet stabiel te zijn, en de instabiliteit als zodanig op te zoeken en te leven, is de ‘ethiek’ waar Jeroen Mettes het over heeft.

 

Ethiek is hier niet een juiste leefregel, maar een bereidheid de waarde van het leven te zoeken geheel buiten de representaties, overcoderingen en leefregels om – die van de macht, evengoed als die van de kritiek die de macht denkt te ontmaskeren. Een ethiek van verlangen, van Amor Fati, het aanvaarden van het exces van de gebeurtenis, van het worden. De ‘weerzin’ en ‘liefde’ waar hij over spreekt vormen geen heldere en onderscheiden tegenstelling waarmee we, zoals je schrijft, ‘de wereld in ethisch en in esthetisch opzicht indelen’ – walging is een totale stemming ‘die de hele wereld betreft’ en die geen indeling toestaat! In plaats daarvan zijn het affectieve polen, stemmingen, die beide in principe alles kunnen betreffen. De dissensus is hier de zoektocht naar het paradijs in de hel (in Nederland), de universele geschiedenis in de Geschiedenis. Dit levert geen heldere onderscheiden op; er bestaat onvermijdelijk onzekerheid over wat liefde, wat weerzin verdient. De politiek van N30 is, anders dan die van de blogger Jeroen Mettes, niet decisionistisch, in zekere zin pre-politiek. (Voor een recente overzichtsstudie naar hoe een dergelijke ethiek in de lijn van de deleuziaanse traditie eruit kan zien, zie Elizabeth Grosz, The Incorporeal: Ontology, Ethics, and the Limits of Materialism.)

 

Eerder schreef je dat je het begrip ‘meerstemmigheid’ in mijn essay vaag humanistisch vond. Van mijn kant vraag ik me af de ‘schijn van zin’ die JM door nieuwe samenhang zou geven aan de onzuivere taal, al niet te humanistisch gedacht is. Ik denk dat het precies andersom is: JM wilt de zuivere taal van de wereld (d.i. het gewauwel) een reële chaos teruggeven, en alle ‘schijn van zin’ – of: medeplichtigheid, aan macht en aan de totale walging – als het even kan finaal onklaar maken. Op meer dan een plek spreekt hij zich dan ook duidelijk uit tegen het cliché dat poëzie ‘vorm geeft aan de chaos van de werkelijkheid’. Wel streeft hij naar ‘consistentie’, maar dat heeft niets met ‘zin’ te maken, ook niet schijnbaar. Alleen met zinnen, met de constructie van een tekstlichaam, een blok affecten, een intensief ritme.

 

En, nee, ik denk niet dat hij zich persoonlijk presenteert als een aan onderdrukking medeplichtige in de tekst, zoals je mijn lezing opvat – en ja, hij presenteert een verzameling stemmen (toch meerstemmigheid dus!). Maar die verzameling stemmen is volgens mij niet in de ‘periferie’, omdat de macht geen centrum en geen periferie heeft – sinds Foucault is macht immers gedistribueerd. Al voor je je mond open doet, is de macht aan het woord. Dit is mede waarom Jeroen kan beweren dat vandaag de hele wereld op Nederlandse straatstenen leeg ligt te bloeden. Die stemmen zijn dus al met z’n allen de macht, en als zodanig interpelleren ze. Je bent niet medeplichtig, maar het gekrakeel maakt je medeplichtig. Door je te vangen en te verslinden.

 

Een manier om dit te begrijpen ga ik ontlenen aan een intrigerende observatie van de antropoloog en Amazonist Eduardo Viveiros de Castro, ook iemand wiens theorievorming zich in dialoog ontvouwt met Deleuze – toujours lui! Bij Viveiros de Castro nemen de Amazonianen Deleuze van achteren en laten hem een monsterlijk kind voortbrengen. Een vijand, zelfs. Specifiek gaat het mij hier om de omgang met geesten. Viveiros de Castro’s Amazonianen zijn immanentisten. Zij maken geen transcendent onderscheid tussen mensen en niet-mensen; de niet-mens is enkel een mens in een andere gedaante. Als we een tapir eten, eten we dus een mens die wij niet als mens kunnen zien. Omgekeerd is een jaguar een mens die ons niet als mens ziet, maar als, zeg, tapir. Dat is nog eens dissensus! Ook geesten zijn zulke niet-mensen, en andersom is de jaguar een geest. Cruciaal is welke blik prioriteit heeft. Neem de ontmoeting tussen mens en jaguar. Wie de ander het eerst ziet, bepaalt volgens welke natuur de ontmoeting plaatsvindt: die van de jaguar-mens, of die van de mens-mens. Ziet de jaguar de mens eerst, dan verliest de mens zijn eigen natuur en verschijnt als (zeg) weerloze tapir in de wereld van de jaguar-mens, en wordt gegeten. Dit is verbonden aan bezeten worden door geesten. Viveiros de Castro nu verbindt deze structuur van kijken en bezitneming met interpellatie, en stelt dat als een Amazonebewoner Uncle Sam zou zien staren en wijzen op een poster, deze onmiddellijk zou weten wat dat voor iemand is. Uncle Sam, de Staat, is een kwaadaardige geest.

 

N30 omschreef ik eerder als een inoculatie met wereldgif, die immuniteit tegen de wereld wil opwekken. Ik kan ook zeggen: een ontmoeting met de immanente geesten van onze werkelijkheid. Het gedicht wordt dan een soort sjamanistisch ritueel. Voordeel van deze op het eerste gezicht merkwaardige lezing is dat het helpt een begrip als ‘wereldburgeroorlog’ serieuzer te nemen. Waar bij Deleuze en Guattari de universele grondfiguur die ons toegang kan geven tot het immanentiedenken de vriendschappelijke ontmoeting is (de filosoof is de vriend van de wijsheid), is bij Viveiros de Castro’s Amazonianen de universele figuur de potentiële vijand, met wie je trouwens wel een verbond kunt aangaan. Zulke verbinding is geen functie van een gedeelde, vooraf gegeven gemeenschap, maar van een besluit – te vergelijken met het volstrekt redeloze besluit van een lezer om een tekst als poëzie te aanvaarden, waar Jeroen over schrijft in zijn essays. Daarmee kan ook liefde alleen bestaan door een altijd vooropstaand, universeel wantrouwen te overbruggen.

 

Daarnaast helpt de vergelijking me om het gevaar van JMs aanpak opnieuw te duiden: dat de geesten zich niet laten bedwingen, dat het gif niet geneutraliseerd wordt, en dat de opening, die, zoals je schrijft, er een is naar deze wereld, neerkomt op door deze wereld bezeten worden. En dat is ook precies wat een sjamaan is: iemand die al half in de natuur van de geesten leeft, die zich overlevert aan een geestwording, om het deleuziaans te zeggen. Ik denk dat Jeroen Mettes iets vergelijkbaars doet. Wereldwording.

 

Let wel, de interpellerende geesten zijn bij hem niet alleen de meer in het oog springende gevallen van taalgeweld. Zo zijn verwijzingen naar revolutionaire geschiedenis of theorie net zulke gevaarlijke geesten, die je kunnen leiden naar een grote deceptie. N30 is opwindend, maar is het gedicht ook activerend? Ik geloof het niet. Inderdaad kun je N30 lezen in termen van wat Mark Fisher ‘capitalist realism’ heeft genoemd, door hem gedefinieerd als ‘the widespread sense that not only is capitalism the only viable political and economic system, but also that it is now impossible even to imagine a coherent alternative to it’. Precies deze ‘widespread sense’ lijkt mij de jaguar die op Jeroen Mettes jaagt in N30 – en vice versa. Hij wil de jaguar zien, en sjamanistisch getransformeerd worden in de ontmoeting – iets herwinnen, ritme, verzet, verlangen, de mogelijkheid van mogelijkheid. Maar dit is een gevaarlijk spel. Sjamaan worden is overgaan tot de natuur van een geest, is een vorm van sterven. En ‘de macht’ was er altijd al eerst.

 

*

 

Is zo’n schijnbare objectiviteit niet bij uitstek de stem van de macht?’ vraag je omtrent de ‘aangenomen neutraliteit’ van mijn inleidende essay bij het nummer. Ik raak hierbij een tikje in de war. Niet omdat ik zou willen ontkennen dat mijn essayistiek een vorm van machtspel is. De taal van de macht is de taal. Elk schrijven heeft daarmee te maken, en probeert, met dat gegeven mee of ertegenin, iets te vestigen. Wat ik me vooral afvraag is voor welke macht je denkt dat mijn essay zich inzet. En, als de ‘objectiviteit’ ervan ‘schijnbaar’ is, welke ware wereld de schijn dan verbergt. Zeker, mijn essay bevat de weinig verrassende stelling dat N30 geen neutrale tekst is – nog minder verrassend waren de overwegend heteroseksuele witte mannen die ik precies heb horen weten hoe Obe en Thị Mai de tekst onjuist hebben opgevat, want het gedicht is toch gewoon een kritische ironische weergave van hoe onze werkelijkheid nou eenmaal in elkaar steekt? – maar daarover is nu wel genoeg gezegd.

 

Hoe neemt mijn tekst ‘neutraliteit’ aan? Ik heb niet de indruk dat mijn essay de bij bezuinigingen te verwachten groeicijfers van het Centraal Planbureau presenteert of de alle problemen wegwuivende stropdas van Mark Rutte draagt. Het is het verslag van een denkproces dat zich over decennia heeft uitgestrekt en nog gaande is, en bevat volgens mij het een en ander aan open vragen en herbeschouwingen van eerdere posities. Het gaat over de onmogelijkheid van totaliteit, toch niet typisch iets waar machten zich graag mee afficheren. Wat ik wel hoop, is dat mijn tekst zich ontplooit aan de hand van precies afgestemde concepten. Misschien is dat waar je tegenop loopt? Je spreekt over de ‘durf’ die je bij me mist ‘om tegen het eigen eloquente betoog in te willen denken’ – die je kennelijk bij Jeroen Mettes wel aantreft. Dat verklaart dan misschien ook waarom je de conceptuele consistentie van ‘Politieke poëzie’ niet ziet, waar ik die wel meen te zien. Het is waar dat Jeroen veel intellectuele inspiraties had die bij probeerde te balanceren, zoveel dat ze steeds op het punt lijken te staan uit zijn handen te glippen. Maar het lukte hem steeds wel degelijk.

 

Wat hier misschien meer nog van belang is: een concept is nog geen betekenis, of macht. Het is een stuk denkgereedschap, dat moet helpen toegang tot het alleropenste te geven – het ‘plan van immanentie’, zeggen Deleuze en Guattari. Dat vereist consistentie, maar, zo leert ons Qu’est-ce que la philosophie?, elk concept is een variatie van andere concepten. Juist een duidelijk concept opent nieuwe mogelijkheden; juist de strengheid ervan is bevrijdend; en ‘de macht’ bedient zich typisch niet van concepten, maar van slogans. Wie iets van Jeroens bronnen kent, herkent de concepten overal.

 

Jou zou een ‘directe confrontatie van twee poëtica’s [van JM en van mij] zeer interesseren – en dan gesitueerd in de tijd’ – met name die van mijn dichtbundel 4 Zinnen uit 2008. Dat snap ik, maar ik weet niet of het echt een confrontatie zou worden. Er is wel verschil tussen zijn denken en het mijne, maar het gaat niet om een onverenigbaarheid. Het is een verschil van temperament. Ik voel me sterk verbonden met Jeroens opvattingen over poëtische vorm en politiek. Net als hij geloof ik dat poëzie eerst en vooral ritme is. Maar ik herken ik me niet in wat ik zie als zijn verlangen naar een onmiddellijkheid in de omgang met de wereld, de manier waarop hij op het Absolute afstormt. Ik ben behoedzamer. Daardoor komen er bij mij andere denkfiguren naar voren, minder spectaculaire, maar die, denk ik, op langere termijn een eigen kracht ontplooien. Afstand is een belangrijke – niet de absolute scheiding tussen subject en object van het moderne denken, maar de intervallen die posities en daarmee werkelijkheid scheppen, en tegelijk zelf óók immanent zijn aan die werkelijkheid, en dus veranderlijk. (‘Interval’ is een sleutelconcept in Netwerk in eclips.) Zulke afstand lijkt mij raadzaam in de omgang met geesten. En mij lijkt het geen toeval dat waar afstand schijnbaar ontbreekt – zoals in de directere benadering van het Absolute in N30 – deze altijd weer via de achterdeur – een poëtica van de dichter, of een ironische/kritische houding van de lezer – opduikt.

 

Mijn eigen afstandelijkheid zit in het gebruik van streng doorgevoerde vormprincipes. Hiermee wil ik tot het soort consistentie komen waar ook Jeroen naar streefde, maar dan explicieter. De mogelijkheid van vormloosheid houdt mij minder in de greep. Structurele keuzes vormen een affectieve sleutel die toegang geeft tot een werkelijkheid. Een werkelijkheid – niet de werkelijkheid. Jeroen is een dichter van het heden (gebleven?), ik geloof dat ik meer een dichter van toekomst ben. Misschien is dat het ‘haast religieuze geloof in de poëzie’ dat je in mijn woorden ontwaart, ‘misschien zelfs de (morele) wil al volgens de wetten van de komende wereld poëzie te schrijven’. Alleen, zo optimistisch ben ik helemaal niet. We kunnen de wetten van de komende wereld niet kennen en we kunnen ze niet maken. We kunnen dingen uitproberen en glimpen opvangen – ook een soort magische handeling, eerder dan een religieuze. In mijn geval vereist dit vaak een lichte omgang met taal.

 

Zo is steden         tot de toekomst ontstaan: deze tekst tast naar wat het gedicht had kunnen zijn dat Jeroen ooit, nu, ‘in de modus van de toekomst’ geschreven zou kunnen hebben. Het moest eigenlijk een lange doorlopende tekst worden, zoals ook Gewrichten, maar dat lukte niet, en nu is het een tekst in veertien scherven. Veel wit, inderdaad – de ‘klassiekere pose’ waar je het over hebt. Het wit ontstond als breuk in sommige regels: de open plek waar toekomst zou kunnen verschijnen, in de spanning tussen de linkervleugel en de rechtervleugel van de regel (die meestal alternatieven voor elkaar zijn, soms identieke alternatieven.)

 

Ik ben overigens van mening dat de oorlogssituatie in Gaza en neoliberale economie duidelijk aanwezig zijn – zie pagina 64 voor een bombardement – maar niet altijd in expliciete woorden. De beperking was dat geen regel meer dan drie woorden mocht bevatten (zes in het geval van een dubbele regel), en de tekst streeft naar een minimum aan referentieel gewicht, om zo veel mogelijk met tendensen van de werkelijkheid te kunnen werken in plaats van haar inertie. Ik verken de raakruimtes van de werkelijkheid. Die zijn niet zelf de actualiteit. Maar ze zijn niet minder werkelijk! De gedachte dat poëzie sneller is dan journalistiek onderschrijf ik dan ook – zie ook ‘Het werkelijkheidstekort’, in Netwerk in eclips. Dat essay bevat ook figuren van afstand, zoals het concept oorlogsmist, en aanwijzingen over waarom je bij documentair schrijven zou kunnen willen abstraheren. Soms ben ik meer in de dynamiek van een situatie geïnteresseerd dan in de precieze lokalisering. Dat is trouwens zonder twijfel een teken van privilege: want wat is het een absurde luxe om niet in je werk aandacht te vragen voor de nijpende, onaanvaardbare toestand in Gaza en elders. Bij Mettes zie je een andere versie van diezelfde luxe: die kan Gaza tussen neus en lippen door vermelden. (‘O hiphop, zal wel ’n item zijn over zwarten in Los Angeles of zo; haha, nee, ’t is Gaza. O.’ – het punt hier is juist falende toegang tot ‘deze wereld’.) Maar van dit privilege wil ik positief gebruikmaken, en een gebied van tendensen verkennen. De teksten bundelen raakruimtes, ze combineren versies en variaties van die tendensen en laten ze interfereren, om een ervaring op te wekken van wat er zou kunnen gebeuren. Dit is denk ik de reden dat ik graag met gevarieerde herhaling werk. Daarbij vertrouw ik, misschien meer dan Jeroen, op de lezer. Vooral op diens vermogen om het lezen weer te laten resoneren met, bijvoorbeeld, de toestand in Gaza – en zijn of haar positie daartegenover. Maar echt wezenlijk is het verschil tussen mijn poëtica en de zijne op dit punt niet, het is hoogstens een verschil in graad.

 

Ook in Gewrichten veel wit, maar dat heeft een nog minder klassieke functie (wat mij betreft). Mijn doel hier was om de lezer, als die wil, sneller over de pagina te laten gaan, en alle tekst te laten bestaan uit een soort zwevende, maar variabel in elkaar te passen brokken. Absolute scharnierpunten. Jeroen vond juist deze tekst ‘redelijk briljant boeiend’ en zag er een verwantschap in met waar hij zelf op dat moment mee bezig was. Jawel, dat was Poor Yorick Entertainment, wat mede verklaart waarom ik weer zo op die tekst gesteld ben. Gewrichten wist hij integraal in yang gepubliceerd te krijgen, dertig pagina’s, nou, ik kon de huur weer even betalen. Dit gedicht staat meer in het heden, omdat er in alle beweeglijkheid en snelheid (lees het gerust heen en weer bladerend, voordracht doe ik altijd met een moordvaart) een zekere stasis zit. Elke regel wordt elders, op willekeurige plek, gespiegeld (dynamisch interval in de tijd). Een centraal affect in de tekst is denk ik het afwachten: ‘en men is aan het wachten op de nieuwe politiek’, spiegel: ‘en men is aan het wachten op de nieuwe muziek’. Zo was dat in 2006.

 

Kromming ten slotte heeft nauwelijks wit – is dat minder klassiek? – en komt het dichtst bij een N30-achtige New Sentence-structuur. Dit gedicht gaat het duidelijkst over politiek en economie (en vele andere dingen). Wat mij bij laatste herlezing trof, was dat het gedicht zoveel leek te weten dat ik pas jaren na schrijven ervan ben gaan begrijpen of meemaken: een gedicht met achteraf een voorspellend karakter. De kromming van de titel is die van de aarde, die maakt dat je verbonden bent met plekken voorbij de horizon, en ik stelde me de tekstuur voor als een constante, langzame tocht tussen (langzaam verschuivende) tekstlandschappen. Alleen, wat er achter de horizon is, of onder de grond, kun je niet zien, en zo viel me bij herlezing ook op hoe belangrijk in mijn teksten juist dat is wat ik niet kan zien, maar waarvan ik wel de aanwezigheid kan vermoeden. Ook dit is een vorm van afstandelijkheid, en een verschil in aanpak met Mettes, wiens kakofonie van stemmen nauwelijks plek overlaat.

 

Alleen wat je ‘taaldiscriminatie’ noemt – giftige of gewelddadige taal – is inderdaad nauwelijks als onderwerp aanwezig in mijn werk. Het is niet makkelijk te zeggen waarom; ik geloof dat talige agressie voor mij altijd deuren dichtslaat. Geweld is belangrijk in mijn werk, maar reproductie van talig geweld kan ik maar in zeer beperkte gevallen een plek geven; meestal als ik het in mijn zinnen hoor werkt het verlammend. Taalgeweld heeft geen toekomst. Walging is een affect van het heden. Bij toekomst horen andere stemmingen: hoop, angst, nieuwsgierigheid, onzekerheid.

 

De kern van het verschil zit misschien in hoe scherp we bepalen wat ‘ons moment’ is. In N30 is ons moment de directe zin, die meteen een tijd en een plaats suggereert (ergens in Nederland tussen 1999 en 2005) met daarbinnen de gebeurtenis, ‘historiciteit als zodanig – het ergens vandaan komen en naartoe gaan’. Mijn idee van ons moment richt zich meer op die tendentiële vectoren zelf, wat een diffuser en indirecter ‘nu’ geeft, maar dat deze, mijn, onze werkelijkheid wel raakt.

 

*

 

We zijn nu een decennium verder. Mark Fisher pleegde vorig jaar zelfmoord. Na Capitalist Realism had hij nog een boek gepubliceerd met de veelzeggende titel Ghosts of my Life. Writings on Depression, Hauntology and Lost Futures. In dat boek wilde hij weigeren te capituleren voor het kapitalistische realisme, door te zoeken naar de geesten van verloren toekomstbeloften uit vroegere jaren, met inspiratie van Derrida’s Spectres de Marx, waaruit het begrip ‘hauntology’ afkomstig is. Ik denk dat het juist is om het kapitalistisch realisme te willen weigeren. Maar het is zo krachtig, heeft zo veel vat op ons en eist zoveel slachtoffers, dat ik begin te denken dat een andere strategie nodig is. Misschien is – zoals Deleuze, zich beroepend op Bergson, zou zeggen – het probleem gewoon niet correct gesteld. Misschien is het axioma dat alternatieven voor het kapitalisme niet langer voorstelbaar zijn toch niet de kern van het probleem.

 

Een ander axioma zou kunnen luiden: het kapitalisme gaat instorten, maar we weten niet hoe, of wat er dan gaat gebeuren. Dit verandert veel. Bruno Latour bijvoorbeeld stelt voor om toekomst niet langer in termen van ‘futur’ te denken – in termen van een wenkende horizon – maar in termen van ‘avenir’ – datgene wat ons te wachten staat. Ik hoef de mogelijke rampen en scenario’s niet hier uit te spellen. En al bespoken de melancholieke geesten van de verloren ‘futur’ ons zonder twijfel nog altijd, de geesten waar we mee te maken hebben zijn degene die bezig zijn ons te transformeren. Met hen zullen we onze verbonden moeten sluiten. Dan wordt het de taak die krachten te leren kennen. Verzet wordt dan een kwestie van voorbereiding op de gebeurtenissen die ditmaal het kapitalisme wezenlijk niet in staat is zich voor te stellen, hoeveel experts of scenario planners het er ook tegenaan smijt. Zaak is nadenken over wat we willen dat er overleeft. Overleven is verzet.

 

Ik denk nu dat Jeroens poëtica met een poot in het kapitalistisch realisme staat, en daarom kwetsbaar is voor het geweld van de wereld – iets wat alleen geëngageerde lezers kunnen voelen – maar ook aanzetten bevat tot een herformulering van het probleem. Dat is geen kwestie van kritiek. Het zit in – de dichter hamert erop – ritme. Ritme is verzet. Consistentie is ritme. In het gedicht blijft van de wereld en van de geschiedenis, van schrijver en lezer, niets over dan dit ritme, maar dat is wel een figuur van de overleving.

 

*

 

PS

 

In antwoord op je terzijde: Thị Mais beslissing om haar gelegenheidstekst in haar cyclus op te nemen kwam voor de samensteller van het dossier als een verrassing. Ik denk zelf dat je het niet (alleen) als ‘gelegenheidstekst’ moet lezen maar als deel van de reeks, als gedicht. Het is een sterke geste – let op de symmetrische compositie van de hele reeks, waarbij Mettes met probleem en al pal in het midden staat en met de reeks resoneert. Verder wil ik niet namens haar of namens Obe spreken. Misschien wordt het nu weer tijd voor henzelf, of voor weer andere stemmen, om bij te dragen aan dit gesprek? Wat mij betreft zeer welkom.