Patrick Bassant

Published: 30/10/2013

Tags: litcrit essay

Over de verhouding tussen opiniërend en verhalend proza bij Tom Lanoye. Oorspronkelijk verschenen in nY #4 (2009).


Tom Lanoye 
 

Of het iets met Thomas Vaessens’ boek De revanche van de roman te maken heeft, weet ik niet, maar de nieuwe romans van drie flink geëngageerde Vlaamse schrijvers, Koen Peeters (De bloemen), Jeroen Olyslaegers (Wij) en Tom Lanoye (Sprakeloos), wijken sterk af van hun werk in het voorgaande decennium. Vaessens riep Nederlandse auteurs op zich in hun romans meer te bemoeien met de politieke of maatschappelijke werkelijkheid, wellicht in navolging van de Vlaamse roman die, zeker in de periode 1996–2003, een flinke injectie werkelijkheid kreeg. Een lawaaierige tijd, waarin enkele rumoerige romans verschenen.[1] Na 2004 keerde de rust in België weer terug, en terwijl het in Nederland begon te spoken, leek in Vlaanderen de kortstondige hausse van direct of indirect geëngageerde romans voorbij te zijn. Golfoorlog voorbij, Dutroux levenslang, opmars van het Vlaams Blokbelang is tanende: poppetje gezien, kastje dicht. Zonder te vervallen in al te veel nuance: het lijkt alsof de roman zich weer mocht terugtrekken uit het publieke debat.

Van de genoemde drie heeft Tom Lanoye de interessantste ontwikkeling doorgemaakt. Lanoye debuteert met een bundel scheldkritieken, Rozengeur en maneschijn (1983), maakt rond 1990 de omslag van literatuur (ongeveer alle genres) die alleen maar ‘fun’ moet zijn naar een opvatting die ongevaarlijke kunst verwerpt, stelt zich in 2000 verkiesbaar voor de groen-linkse partij Agalev, schrijft met zijn Monster-trilogie een overzicht van de Belgische puinhopen, blendert in enkele intrigerende toneelstukken klassieke teksten met moderne politiek tot een explosief geheel en toont zich een bezorgd dichtervader van de stad Antwerpen. In 2006 verschijnt de roman Het derde huwelijk, waarmee Lanoye de problematiek rond de immigratieregels aankaart, maar meer nog een parabel schrijft over de omgang van Europa met Afrika. De metaforiek van de zwarte mossel op de omslag wordt uitputtend benut. Recent verschijnt dan Sprakeloos, een ode aan Lanoyes moeder, een tamelijk ingetogen roman die een terugkeer lijkt naar zijn autobiografisch getinte werken uit de jaren tachtig.[2]

In zijn vele columns, lezingen en losse stukken, gebundeld in een tiental verzamelingen, waarvan Schermutseling (2007) de meest recente is, benut Lanoye zijn verbale spierballen voluit. In een glimmende badjas, met een kek montuurtje op en in zijn rechterhand een botte bijl bestormt hij het podium, terwijl de vette beats van Public Enemy’s Bring the noise door de zaal dreunen. Althans, zo zie ik dat voor me. Lanoyes retorisch talent is ontegenzeglijk formidabel. Het problematische schuilt ervoor mij echter in dat hij bijna altijd gelijk heeft. Misschien dat ik niet helemaal tot zijn doelgroep behoor, want mijn zieltje hoeft niet gewonnen te worden voor de linkse kerk waar Lanoye voor predikt. Ik lees zijn essays, opiniestukken en columns met instemming en schatergelach. Vlaams Belang, cultuurpolitiek, homorechten, apartheid, Irak, euthanasie: vanuit zijn grote gelijk bevestigt Lanoye mijn gedachten. Hij weet het alleen scherper te verwoorden dan ik het kan. Zou hij veel mensen overtuigen‌? Wellicht als ze de stukken zouden lezen. Maar heeft Lanoye inmiddels niet zo’n duidelijke statuur dat lezers die het niet met hem eens zijn, zijn stukken overslaan‌? Ik kan me niet voorstellen dat er in Antwerpse bruine kroegen wekelijks verhit gediscussieerd wordt over Lanoyes meest recente aanval op het Vlaams Behang. Dat IJzerbedevaartsgangers bedenken vanaf nu thuis te blijven, ‘want die janet heeft toch wel gelijk’. Dat de opvolgster van Bert Anciaux besluit het helemaal anders te doen. Ik hoop het natuurlijk wel, en bij een handjevol tot twijfel geslagenen heeft Lanoye al gewonnen. Maar het blijft het manco van de beeldvorming rond Lanoye: een public enemy zonder tegenstanders.

Dit is zeker een van de redenen dat Lanoye zich in zijn prozawerken niet bedient van de boorhamer. Sterker nog, ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat Lanoye, met name in zijn Monster-trilogie, elke vorm van politieke aanklacht wilde vermijden en zich in plaats daarvan op bijna perverse wijze heeft verlustigd aan het schetsen van een tijdsbeeld. Het plezier waarmee hij personages als de Deschryvertjes laat derailleren hangt als een donderwolk boven de tekst. Het is binnen de geëngageerde literatuur volkomen aanvaard om vraagtekens te zetten bij maatschappelijke knelpunten door ze aan te wijzen. Lanoye zei het zelf al in een interview met Humo uit 1988: ‘… ook allemaal corrupt, maar je moet die dingen laten zien, niet aanklagen. Anders eindig je als Paul de Wispelaere.’ En toch … Lanoye klaagt in zijn opiniërende stukken aan alsof hij solliciteert naar een baan bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. In zijn proza toont hij niet alleen, maar slaat hij bijna door: hij leeft zich met sadistisch plezier in in rechts geteisem, homofoben, blunderende onderzoeksrechters, kindermoordenaars en lafbekken. Alsof hij, de Terechte Hoeder van het Grote Gelijk van de Weldenkende Columnist, als prozaschrijver
een zeurend stemmetje in zijn oor heeft, een vilein en grappig Mefistootje dat hem influistert dat het nu tijd is voor wellustig beschreven misdaden, corruptie, gore seks en foute politieke ideeen. Dat lucht enorm op! Dit is de indirecte variant van zijn engagement: hij dwingt de lezer zich in te leven in de bad guys (m/v) en toch afstand te nemen van hun denkbeelden. Hij toont ons de contemporaine puinhoop, maar laat het moralisme en de nuance over aan de lezer. 

Deze twee kanten van Lanoyes engagement, het virtuoos aanklagen en het tonen van maatschappelijke verrotting, kwamen samen in de voorstelling Kleine oorlog (2003), waarin hij en Ivo Michiels eigen teksten voorlazen, alsmede van Boon en uit Niemandsland, Lanoyes eerste bloemlezing gedichten uit de Grote Oorlog. Hierin bloeide het engagement van Lanoye ten volle op. Niet op ramkoers en zonder ironie, maar uitdagend en doordringend. Het was niet uitsluitend aanklagend, en het was niet uitsluitend aantonend. Het was een combinatie van allebei. Ook: een pluriforme collectie teksten en een indrukwekkende voordracht van beide schrijvers, die kippenvel veroorzaakte bij de toeschouwer. Daar had die ouwe januskop me met al zijn verschillende talenten helemaal te pakken.




[1] Bijvoorbeeld: Walter van den Broeck, Verdwaalde post, De Bezige Bij, 1998; Jeroen Olyslaegers, Open gelijk een mond, Prometheus, 1999; Hugo Claus, De geruchten en Onvoltooid verleden, De Bezige Bij, resp. 1996 en 1998; Peter Verhelst, Tongkat. Een verhalenbordeel, Prometheus, 1999; en Koen Peeters, Acacialaan, Meulenhoff, 2001.

[2] Een slagerszoon met een brilletje, Bert Bakker, 1985; Alles moet weg, Bert Bakker, 1988; en Kartonnen dozen, Prometheus, 1991