Dirk De Schutter

Published: 3/10/2009

Tags: review history essay nieuwzuid

 

Dirk De Schutter over Jacq Vogelaar, Over kampliteratuur (Amsterdam, De Bezige Bij, 2006). Review essay uit freespace Nieuwzuid #31, 2008


Toen de eerste Amerikaanse soldaten in april 1945 het kamp van Dachau betraden, konden ze hun ogen niet geloven. De geruchten over de door het nazisme gepleegde barbarij die hun ter ore gekomen waren, bleken met de werkelijkheid te stroken; nee, erger: die geruchten bleken een flauw afkooksel in vergelijking met wat zich in de werkelijkheid voltrokken had. Veel meer dan ‘Het is verschrikkelijk. Ja, echt verschrikkelijk!’ kregen ze niet over de lippen. Althans zo luidt het relaas van Robert Antelme in diens boek L’espèce humaine. [1] Om de historische echtheid van zijn relaas te beklemtonen, laat Antelme de soldaten Engels spreken: ‘Frightful, yes, frightful!’ – de enige Engelse woorden in dit boek, dat op vele bladzijden de Franse taal onderbreekt, voornamelijk om plaats te maken voor in het Duits geschreeuwde bevelen en beledigingen, zoals ‘Arbeiten!’, ‘Raus! Los!’ en ‘Alle Franzosen scheisse!’. Maar Antelme, die zelf politiek gevangene was in de kampen van Buchenwald, Gandersheim en Dachau, komt vrijwel onmiddellijk tot het besef dat de Amerikaanse soldaten met hun uitroep niet alleen hun verbijstering te kennen geven, maar ook hun immense onwetendheid en dat ze zich met die uitroep een mening over het onkenbare aanmeten.

Het kampgebeuren onvoorstelbaar noemen, wordt door Antelme afgedaan als een gemeenplaats en als een verweer. Die omschrijving wordt niet geboren uit interesse of bekommernis, maar ontspringt aan de drang om de beschavingscrisis die de naziterreur veroorzaakt heeft, toe te dekken. Antelme besluit: ‘Onvoorstelbaar, het is een woord dat geen onderscheid maakt, geen beperking kent. Het is het makkelijkste woord.’ In het Frans staat er: ‘C’est le mot le plus commode.’ (EH, 302) We zouden het dus ook kunnen vertalen als: ‘Het is het meest gerieflijke woord, het meest comfortabele.’

Deze bedenking formuleert Antelme in de laatste bladzijden van zijn boek. Hij herneemt aldus een probleem dat hij in zijn voorwoord al ter sprake heeft gebracht. In de allereerste zinnen verwoordt Antelme daar de moeilijkheid waarmee allen die uit de kampen terugkeren worstelen: ze ervaren datgene wat ze te zeggen hebben zélf als onvoorstelbaar. Antelme gebruikt het Franse woord ‘inimaginable’, dat uiteraard een verwijzing bevat naar het beeld; ‘inimaginable' is datgene wat zich aan het beeld onttrekt, wat zich niet leent tot een af- of uitbeelding, wat de verbeelding te boven gaat. De conclusie die Antelme hieruit trekt, kan niet anders dan paradoxaal genoemd worden: ‘Van toen af was duidelijk dat we alleen door te kiezen, dat wil zeggen toch weer door middel van de verbeelding, konden proberen er iets over te zeggen.’ Het onvoorstelbare dient met andere woorden te worden uitgebeeld, het onzegbare dient te worden verwoord, het ondenkbare dient te worden bedacht. Het mag duidelijk zijn dat Antelme met deze paradoxale standpuntbepaling niet alleen anticipeert op, maar ook stelling neemt in een discussie die door de naoorlogse kunsten en filosofie verwoed gevoerd zal worden; de namen Adorno en Celan, Arendt en Lyotard, Lanzmann en Kiefer mogen als referentiepunten volstaan om de onmetelijkheid van wat hier aan de orde is, allegorisch/synecdochisch op te roepen.

Het is niet de minste verdienste van Jacq Vogelaar dat hij met zijn boek Over kampliteratuur opnieuw de aandacht op deze problematiek heeft gevestigd. [2] Het boek van Vogelaar heeft vele verdiensten: Vogelaar brengt een resem vaak vergeten teksten uit de kampliteratuur onder de aandacht, hij citeert en becommentarieert ontroerende passages, maar vooral: hij oefent zich in een nuchtere stijl en toon en hecht belang aan details en verwijzingen die vaak over het hoofd worden gezien in deze door sentimentaliteit bedreigde thematiek. Precies omdat hij zich toelegt op een nuchterheid van stijl en toon, ergert Vogelaar zich aan de pathetiek van de door Maurice Blanchot geïnspireerde tekstkritiek die zowel in Europa als in de V.S. een deel van de literatuurwetenschappelijke scène heeft ingepalmd. Deze literatuurwetenschappers nestelen zich, aldus Vogelaar, in een ‘lyrisch-filosofisch koeterwaals’ dat hen belet te lezen. Hun hoogdravendheid staat in schril contrast met en kan geen oog hebben voor het heel eigen register van Antelme, wiens boek begint met de volgende laconieke zinnen: ‘Ik ging pissen. Het was nog nacht. Anderen naast me pisten ook; we spraken niet. Achter de pisplaats was de schijtkuil met een muurtje waarop andere kerels zaten, de broek naar beneden.’

Maar hoe terecht Vogelaars kritiek ook is, hij gaat, me dunkt, uit de bocht in zijn uithaal naar Jean-Luc Nancy. Deze Franse filosoof heeft een korte bijdrage geleverd aan een bundel, gewijd aan L’espèce humaine. Daarin zegt hij dat Robert Antelme voor hem niet de naam is van een schrijver met een oeuvre, maar veeleer een stem aanduidt, een stem die slechts twee zinnen heeft uitgesproken. Vogelaar herhaalt dit, en weigert vervolgens deze twee zinnen te citeren – met het volgende argument: ‘Ik heb de twee zinnen, waarvan Nancy er één parafraseert en de ander uit z’n verband rukt, maar uitgespaard, omdat Nancy met gemak duizend andere met zijn accolade had kunnen pletten.’ Dit is, om een hoogdravende uitdrukking te gebruiken, onoorbaar. Vogelaar, die er in zijn boek voortdurend op hamert dat de kampliteratuur niet gelezen wordt, dat filosofen en literatuurwetenschappers de teksten onder een ‘echolalie’ van bespiegelingen bedelven en intussen met de feiten een loopje nemen, ontneemt ons hier het recht om zelf te oordelen, beslist soeverein dat de tekst van Nancy niet de moeite is, eigent zich de autoriteit toe om in onze naam uit te maken dat die tekst er niet toe doet.

Allereerst gebiedt eerlijkheid te erkennen dat Blanchot zijn steentje heeft bijgedragen tot de waardering en belangstelling voor Antelmes boek. His dictis kan ik zonder meer begrip opbrengen voor ergernis omtrent Blanchot en epigonen van Blanchot. Met de boosheid van Vogelaar echter heb ik moeite. En ik begrijp ze helemaal niet meer als ik lees wat Vogelaar weglaat. Wat schrijft Nancy? [3] ‘Robert Antelme a seulement prononcé deux phrases. La première phrase dit ceci: que l'homme’ n’est rien d’autre qu’une résistance absolue…’ Vogelaar, die deze zin schrapt, betoogt in zijn boek niets anders, of hij betoogt iets gelijkaardigs: dat de kampliteratuur niet door slachtoffers geschreven is, maar tot stand gekomen is als een daad van verzet. Het besluit van zijn volumineuze boek kan nauwelijks beter worden weergegeven dan door het volgende citaat uit het ‘Postscriptum’, dat zoals het hele boek een heel persoonlijke toon aanslaat: ‘Verzet is volgens mij de kern van het kampverhaal – daar gaat het om…’ De tweede zin die Vogelaar schrapt is door Nancy genomen uit een brief van Antelme aan Dionys Mascolo. Deze laatste is een vriend, hij is een van de weinigen aan wie Antelme tijdens zijn verblijf in het kamp denkt, en hij heeft zich samen met François Mitterrand en Marguerite Duras over Antelme ontfermd na zijn terugkeer. De zin luidt als volgt: ‘D’avoir pu libérer des mots qui étaient à peine formés et en tout cas n’avaient pas de vieillesse (…) mais se modelaient seulement sur mon souffle, cela vois-tu, ce bonheur m’a définitivement blessé…’ Ik wil op deze moeilijke zin later terugkomen, maar in elk geval is nu al duidelijk dat ook deze zin niet strijdig is met Vogelaars opvattingen. Integendeel, de zin onderstreept dat het boek van Antelme moet worden gelezen als een literaire tekst en dat, zoals Vogelaar meer in het algemeen stelt, kampliteratuur niet enkel mag worden beschouwd als een historisch document maar tot literatuur in de volle zin van het woord moet worden gerekend.

Dit punt is cruciaal voor Vogelaar. Hij schaart zich op die manier aan de zijde van Antelme, die, zoals gezegd, beklemtoont dat de verbeelding tot taak heeft om uit te beelden wat de verbeelding te boven gaat. De waardering voor het literaire karakter van kampliteratuur vormt een leidraad in Vogelaars boek. Daarom begint hij zijn boek met een lange bespreking van Robert Antelme en van Varlam Sjalamov, twee auteurs wier literaire kwaliteiten volgens hem buiten kijf staan.

Om de literaire kwaliteiten van L’espèce humaine te illustreren, wil ik in wat volgt stilstaan bij twee fragmenten. Het eerste fragment vertelt hoe de ik-verteller, die ik in het voorgaande gemakshalve met Robert Antelme geïdentificeerd heb, een stervende vriend gaat bezoeken in de ziekenboeg. Van deze man wordt de voornaam niet gegeven. Terwijl vele personages in het kamp, zowel gevangenen als Kapo’s, een (al dan niet fictieve) voornaam hebben – Paul, Gilbert, Ernst, Fritz… om er slechts enkele te noemen – wordt de stervende aangeduid met de letter ‘K.’ Tot zijn grote ontsteltenis ontdekt de ik-verteller in de ziekenboeg niet zozeer dat zijn vriend stervende is, maar wel dat hij hem niet meer herkent. Ik lees:

Ik ging alle bedden af, op zoek naar K. Sommige gezichten herkende ik, we knikten naar elkaar. Ik liep stil langs de bedden. Ik zocht K. Ik vroeg de verpleger bij de kachel:
- Waar is K.?
Hij antwoordde verbaasd:
- Maar je bent hem voorbij gelopen. Hij ligt daar.
(…)
Ik keek naar degene die K. was. Ik was bang, bang voor mezelf. Om mezelf gerust te stellen keek ik naar andere hoofden, ik herkende ze wel degelijk, ik vergiste me niet, ik wist nog wie ze waren. De ander lag nog steeds op zijn ellebogen geleund, met hangend hoofd, de mond halfopen. (…) Ik herkende niets. Ik staarde naar de neus,
je moest toch een neus herkennen. Ik klampte me aan die neus vast, maar hij verraadde niets. Ik kon niets vinden.
(MS, 187-188)

De allusie op Kafka en op diens verhaal Die Verwandlung lijkt mij onmiskenbaar. Maar wat bij Kafka nog als een akelige nachtmerrie geïnterpreteerd kan worden, heeft bij Antelme de letterlijkheid van het al te opdringerige en unheimlich reële gekregen. Kampgevangenen veranderen in onherkenbaar ongedierte; zelfs het sterven dat volgens Heidegger het geheim van de menselijke existentie bergt, behoedt hen niet voor een ontmenselijkende naamloosheid en desindividualisering. De SS, die met de familie Samsa uit Die Verwandlung niet alleen de dubbele 's’ gemeen hebben, leven voort in psychotische loochening van wat zich in de kampen voltrekt. Als eerzame huisvaders zullen zij, in navolging van Mijnheer en Mevrouw Samsa, naar hun dochters kijken en vaststellen ‘dass es nun Zeit werde, auch einen braven Mann für sie zu suchen’. [4] Antelme, die, zoals Vogelaar terecht aanstipt, uitblinkt niet alleen in scherpe observaties, maar ook in moedige reflecties, sluit dit fragment af met de troosteloze zekerheid dat zijn zieke vriend K. voor immer door de onherkenbaarheid en door de leegte van het naamloze getekend zal zijn. ‘Ceci resterait qu’il y avait eu ce néant.’ (EH, 180)

Het tweede fragment vertelt over Goede Vrijdag. Hoewel de christelijke thematiek in het boek nauwelijks voorkomt en hoewel data in de eentonigheid van een niet-gemarkeerde tijd opgelost worden, opent een fragment met de vaststelling ‘Goede Vrijdag’. Plots duikt in het kamp een bijbel op waaruit iemand voorleest. Dit is voor Antelme de gelegenheid om het passieverhaal te vertellen. Hij doet dit op een heel eigenzinnige manier: enerzijds vermeldt hij vele details, anderzijds vernoemt hij niet één naam, verwijst hij niet één keer naar Jezus of Judas, naar Maria of Johannes, naar Pilatus of Barabbas. De teneur van zijn versie laat niets aan duidelijkheid te wensen over: de kampgevangenen zijn er onvergelijkelijk veel slechter aan toe dan de Gekruisigde. Ik lees:

Goede Vrijdag.
Het verhaal van een man, het kruis voor een man, de geschiedenis van één man. Hij kan praten, en de vrouwen die van hem houden zijn erbij. Hij is mooi, in ieder geval heeft hij vlees op de botten, hij heeft geen luizen, hij heeft iets nieuws te zeggen, en als ze hem bespotten, dan is dat omdat ze hem toch als iemand kunnen zien. Een verhaal. Een lijdensverhaal. Een mooi verhaal.

Dan onderbreekt Antelme zijn versie met de volgende zin:

K. is gestorven, en we hebben hem niet herkend.

En hij vervolgt:

Mooi verhaal van de Übermensch, een verhaal bedolven onder de tonnen as van Auschwitz. Het was hem toegestaan een verhaal te hebben. Hij sprak over de liefde, en hij was geliefd. Haren over zijn voeten, reukolie, de leerling die hij liefhad, de zweetdoek voor het gezicht…
Hier geven ze de doden niet aan hun moeder, ze doden ook de moeder, ze eten hun brood, ze trekken het goud uit hun mond om meer brood te eten, ze maken zeep van hun lichamen. Of ze spannen hun huid over de lampenkappen van vrouwelijke SS’ers. Geen sporen van spijkers op de lampenkappen, alleen maar kunstige tatoeages.
“Mijn vader, waarom hebt ge mij…”
Angstgeschreeuw van kinderen die men doet stikken. Stilte van over een vlakte verspreide as.
(MS, 204-205)

Als deconstructie van het passieverhaal kan dit tellen, als kritiek op een theologische duiding van de Shoah eveneens. Zelfs de wanhoopskreet van de Gekruisigde wordt afgebroken. De hemel bestaat niet, aan hel geen gebrek. Of zoals Sarah Kofman zal beweren in Paroles suffoquées: het passieverhaal is een idylle.

De grootste provocatie schuilt in wat Antelme met de figuur van Jezus doet. De eigenschappen van Jezus worden aan de kampgevangenen toegekend, en Jezus zelf wordt beschreven met woorden die tegen hem gebruikt zijn. Ten eerste wordt aan K. toegeschreven wat het Johannes-evangelie in zijn openingsregels van het vleesgeworden woord zegt: ‘Het was in de wereld, en die wereld heeft hem niet erkend.’ Ten tweede wordt Jezus beschreven met een theoretische term die uitgevonden is om hem onderuit te halen. Jezus wordt een ‘Übermensch’ genoemd, terwijl Nietzsche zijn leer van de Übermensch ontwierp om de onmetelijke afstand aan te tonen tussen zijn eigen levensfilosofie die het sterke en het voorname verheerlijkt, en de christelijke doctrine die het zwakke en het nederige verdedigt. De christelijke en evangelische consideratie voor de zieken en de verschoppelingen ontaardt volgens Nietzsche in een decadentie die aan het leven op aarde verzaakt ten voordele van het hemelse hiernamaals. Bovendien schrokken de nazi’s er niet voor terug om zich na een hoogst discutabele lectuur van Nietzsche met de Übermensch te vereenzelvigen en de kampgevangenen als hun tegendeel en dus als ‘Untermenschen’ te behandelen.

Antelme breekt zowel met Nietzsche als met de nazi-ideologie die zich Nietzsche onrechtmatig toe-eigende. In Antelmes herschrijving van het passieverhaal doemt Jezus op als de Übermensch, m.a.w. als de representant van het sterke en het heersende, en wordt Jezus’ leer, die gerechtigheid belooft aan de vervolgden en de zachtmoedigen, bedolven onder tonnen as. De bergrede verstomt, Jezus wordt de mond gesnoerd door de nauwelijks hoorbare angstschreeuw van de kinderen. Hoewel hun het koninkrijk der hemelen beloofd was, is er niemand die hun moordenaars een molensteen om de hals legt. De aandacht voor de literariteit van kampliteratuur vormt eveneens de inzet van de bitsige discussie die Vogelaar met de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben voert. In zijn boek Ce qui reste d’Auschwitz verdedigt die de tweevoudige stelling dat het onmogelijk is om van de kampen te getuigen, en dat men als overlevende slechts kan getuigen van de onmogelijkheid om te getuigen. Agamben baseert deze stelling op een lectuur van het werk van Primo Levi. In zijn verhalen verkondigt die de onthutsende stelling dat de gevangenen die, zoals hijzelf, de doodskampen overleefd hebben, hun recht om over de kampen te verhalen verbeurd hebben, aangezien hun overleven aantoont dat ze het leven in de kampen niet echt hebben meegemaakt. De ware getuige is dood. Daarom besteedt Levi in zijn verhalen zoveel aandacht aan die gevangenen die ‘de muzelmannen’ genoemd worden. In zijn laatste boek De verdronkenen en de geredden schrijft hij: 

De ware getuigen zijn niet wij, de overlevenden. Wij overlevenden zijn behalve een heel kleine ook een niet-representatieve minderheid: we zijn diegenen die, door misbruik of handigheid of geluk, het ergste niet hebben gekend. Wie dat wel heeft gedaan, wie de Gorgon heeft gezien, is niet teruggekomen om te vertellen, of is sprakeloos teruggekomen; maar zij, de “muzelmannen”, de overweldigden, zijn de echte getuigen, wier getuigenis alles en allen zou hebben omvat. Zij zijn de regel, wij de uitzondering. Wij door het lot gespaarden hebben met meer of minder inzicht geprobeerd om niet alleen ons eigen lot, maar ook het hunne, dat van de overweldigden te vertellen; maar het is een bericht uit de tweede hand, het verhaal van dingen die we wel van dichtbij hebben gezien maar niet zelf hebben ervaren. De afbraak tot op de grond,het volbrachte werk, heeft niemand verteld, zoals ook niemand is teruggekomen om zijn eigen dood te vertellen. Ook al hadden zij die ondergingen pen en papier gehad, ze zouden niet hebben getuigd, omdat hun dood al voor hun lichamelijke dood was begonnen. Weken en maanden voor ze werkelijk stierven, hadden ze het vermogen waar te nemen, te onthouden, verbanden te leggen en zich uit te drukken al verloren. Wij spreken in hun plaats, uit hun naam. [5]

Vogelaar is het met vele dingen oneens. Hij vecht Levi’s visie op het kampgebeuren en op de rol van de zogenaamde muzelman daarin aan, en daardoor gaat hij in de clinch met Agamben, die Levi als uitgangspunt gebruikt om zijn inzichten te ontwikkelen. Vogelaar daarentegen prefereert Antelme boven Levi. Hij tekent vooral bezwaar aan tegen de opvatting die kampverhalen onderbrengt bij getuigenisliteratuur; anders gezegd: getuigenisliteratuur is volgens hem een contradictio in terminis, hij ziet een onverenigbaarheid tussen het afleggen van een getuigenis en het schrijven van een literaire tekst. Toch zou ik in het vervolg precies willen betogen niet alleen dat getuigen en literatuur schrijven perfect samengaan, maar ook dat er een onontwarbare band is tussen het getuigen en het schrijven van literatuur. Ik weet mij hierin geruggensteund zowel door Agamben als door Derrida, die in een lectuur van Celan en van Blanchot laat zien dat ‘tout témoignage responsable engage une expérience poétique de la langue’. [6]

Daarbij moeten de volgende punten voor ogen gehouden worden. Ten eerste, getuigen is een performatieve daad, het is geen daad van kennisoverdracht. De getuige zweert dat hij de waarheid wil vertellen, maar die waarheid blijft persoonlijk. De getuige vraagt om te worden geloofd, hij levert geen bewijs. Hij (of zij) brengt een verhaal dat kan worden naverteld, een verhaal verweven met allerlei literaire en/of fictionele elementen. Hij brengt geen betoog dat kan worden navoltrokken, zoals iemand die een bewijs uit de ruimtemeetkunde heeft begrepen, die stelling aan een derde kan uitleggen. Ten tweede, de ervaring die de getuige wil vertellen, is iets singuliers, maar hij (of zij) is ervan overtuigd dat die ervaring iedereen aanbelangt en daarom dient te worden meegedeeld. Wat hij (of zij) vertelt, overstijgt het niveau van de anekdote of van het fait divers, en heeft een soort van algemeen belang. De getuigenis moet dus de singulariteit van de ervaring bewaren en tegelijk het exemplarische karakter ervan toelichten: deze dubbelzinnigheid deelt het getuigenis met de literatuur. Ten derde, de getuige heeft iets uitzonderlijks meegemaakt, iets unieks en ongehoords, iets nieuws. Hij moet voor deze uitzonderlijke ervaring op zoek gaan naar een gepaste taal, zoals een dichter of een schrijver een eigen taal ontwerpt.

Daarom is kampliteratuur doortrokken van het intense besef dat de overgeleverde taal tekort schiet: getuige Celans klacht dat zijn ‘Muttersprache’ verworden is tot een ‘Mördersprache’, of Arendts radeloze vraag wat nog de betekenis kan zijn van het woord ‘moord’ als dagelijks duizenden mensen worden kapot gemaakt, of Levi’s wrange bedenking ‘dat onze taal geen woorden heeft voor die misdaad, het vernietigen van een mens’. In Is dit een mens schrijft Levi: ‘Zoals onze honger niet het gevoel is van iemand die een maaltijd heeft overgeslagen, zo zou ook onze manier om het koud te hebben een bijzondere naam vereisen. We zeggen “honger”, we zeggen “vermoeidheid”, “angst”, “pijn”, we zeggen “winter”, en het zijn andere dingen.’ [7]

Een gelijkaardig verlangen verwoordt Antelme in de door Nancy geciteerde brief aan Dionys Mascolo: ‘D’avoir pu libérer des mots qui étaient à peine formés et en tout cas n’avaient pas de vieillesse…’ Hij is erin geslaagd om woorden te vinden die nauwelijks gevormd waren en nog niet getekend waren door ouderdom, niet verstard in stramme betekenissen. Het is hem, zoals sommige dichters, gelukt om zijn woorden te wassen in de wateren van de Styx. Treffend genoeg voegt hij eraan toe: ‘ce bonheur m’a définitivement blessé.’ Het geluk die woorden te hebben gevonden, het geluk de taal te hebben laten spreken op een uitzonderlijk nieuwe manier, heeft hem diep gekwetst, alsof de zware psychische en fysieke verwondingen die hem in de kampen zijn toegebracht, pas ongeneeslijk en onoverkomelijk geworden zijn na de gelukte verwoording, alsof hij het zichzelf niet vergeeft dat hij zijn afgrijselijke ervaringen in een subliem boek heeft neergeschreven.

Deze paradox mogen we niet uit het oog verliezen. Hij doordringt het hele boek van Antelme. Op de laatste bladzijden, als hij constateert dat de Amerikaanse soldaten zichzelf met het woord ‘frightful’ afschermen, realiseert hij zich: ‘En aan de gevangene openbaart zich voor het eerst zijn eigen ervaring, los van hemzelf, als geheel.’ Bemerk dat deze zin in de hij-vorm geschreven is. En tenslotte: ‘Tegenover de soldaat voelt hij zelf in zijn terughoudendheid al het besef ontstaan dat hij voortaan is overgeleverd aan een soort oneindige, onoverdraagbare kennis.’ (MS, 313) Dat deze kennis onoverdraagbaar is in de meest letterlijke zin van het woord, ervaart hij bij zijn terugkomst. In het voorwoord schrijft hij: ‘Vanaf de eerste dagen leek de afstand tussen de taal waarover we beschikten en de ervaring die de meesten van ons nog steeds lichamelijk ondergingen, onoverbrugbaar. Moesten we dan maar aanvaarden dat niet uit te leggen viel hoe we zover gekomen waren? We leefden nog. Terwijl dat onmogelijk was.’ En dan volgt in het Frans de zin: ‘A peine commencions-nous à raconter, que nous suffoquions.’ Vogelaar vestigt onze aandacht op deze zin, die volgens hem verkeerd vertaald is. De Nederlandse vertaling van Paul Huigsloot luidt: ‘Zodra we begonnen te vertellen verstomden we.’ Vogelaar stelt de volgende vertaling voor: ‘Zodra we begonnen te vertellen, stikten we.’ (K, 93) Sarah Kofman heeft aan deze passage de titel van haar boek ontleend: Paroles suffoquées. [8] Vogelaar wijst er terecht op dat ‘verstommen’ zou betekenen dat de overlevenden niet meer spraken, terwijl ze juist niet konden zwijgen, ze praatten als bezetenen; in het Frans staan de woorden ‘délire’ en ‘frénétique’. Misschien kunnen we de zin als volgt vertalen: ‘Zodra we begonnen te vertellen, bleven de woorden ons in de keel steken.’ De plicht, het verlangen en het onvermogen om te spreken zijn gekristalliseerd tot één daad die haperend aansluiting bij een wereld zoekt.

‘De woorden bleven ons in de keel steken’ – vinden we in deze bekentenis het maxime van een nieuwe politiek, van wat we met Agamben zouden kunnen noemen: een politiek ‘more Auschwitz demonstrata’? [9] Deze nieuwe politiek zou komaf maken met de moderne ideologie van het autonome en soevereine subject, dat beschikkend over al zijn geestelijke vermogens weet wat het doet. Ze beroept zich niet alleen op een verantwoordelijkheid die zich verplicht tot het algemene en het openbare, maar is op het spoor van een verantwoordelijkheid die zich door een onoverdraagbaar geheim, d.w.z. door de singulariteit van het niet-mededeelbare gebonden weet. Ze gaat uit van de ervaring dat het spreken en handelen dat op het samenleven in de wereld gericht is, teruggaat op een beslissing die voorbij het zelfbeschikkingsrecht tot stand komt in een domein waar ‘ik’ nog niet ‘ik’ ben, maar aarzelend geboren word uit de restanten van een onverwerkt verleden. De woorden die ons in de keel blijven steken, zoals ‘Vader, waarom hebt ge mij… ’: wat zijn ze, tenzij ons geweten dat ons bindt aan de vrijheid om de onbeslisbaarheid van de toekomst in de baan van een beslissing te leiden en dat meteen bereid moet zijn om de vergeefsheid van die beslissing te erkennen en op die beslissing terug te komen?

 

Noten

[1] EH = Robert Antelme, L’espèce humaine. Paris, Gallimard 1957; MS = Robert Antelme, De menselijke soort. Nijmegen, SUN, 2001; K = Jacq Vogelaar, Over kampliteratuur. Amsterdam, De Bezige Bij, 2006.

[3]
De tekst van Jean-Luc Nancy is opgenomen in: Robert Antelme, Textes inédits sur L’espèce humaine. Essais et témoignages. Paris, Gallimard, 1996.

[4]
Aldus de voorlaatste zin uit Die Verwandlung.

[5]
Primo Levi, De verdronkenen en de geredden. Amsterdam, Meulenhoff, 1981, p. 80-81.

[6]
Jacques Derrida, Poétique et politique du témoignage. Paris, L’Herne, 2005, p. 9.

[7]
Primo Levi, Is dit een mens. Amsterdam, Meulenhoff, 1987, p. 170.

[8]
Sarah Kofman, Paroles suffoquées. Paris, Galilée, 1987, p. 46.

[9]
Giorgio Agamben, Ce qui reste d’Auschwitz. Paris, Payot & Rivages, 1999, p. 12.