Tiemen Hiemstra

Published: 3/09/2015

Tags: review litcrit poetry essay

Over Onze Nietzsche van Marc Kregting. Bespreking uit nY #26. 

 

Onze Nietzsche slikt per abuis zijn eigen bratwurst in. Onze Nietzsche is van nature martiaal. Zo lek als bloed. Bijna onklopbaar. Hij heeft een gebroken hart. En eventueel serveert hij nog iets bij de nootjes. Nietzsche maakt in de laatste bundel van Marc Kregting bepaald geen soevereine, maar veeleer een meelijwekkende en seniele indruk. Een poëtische poging tot portrettering van de historische Nietzsche is Onze Nietzsche dan ook moeilijk te noemen. Zelfs een lezing als portrettering van de waanzin is te nauw. Mijn eerste labelimpuls neigt naar: manisch schuttinggesprek in een afgelegen volkswijk tussen twee of meer door Nietzsche religieus geïnspireerde buren die van enthousiasme niet op hun woorden kunnen komen.


Bijbelles
 

Naar goede traditie heeft Kregting ook bij deze bundel het obligate opschrift ‘gedichten’ op de voorflap vervangen. Stond er op de voorkant van Dood vogeltje ‘vluchtstroken’ en heetten de teksten in Zoem! ‘evoluties’, Onze Nietzsche wordt aangeprezen als ‘catechismen’ – een oude meervoudsvorm van ‘catechismus’. Catechismussen, zoals het meervoud nu luidt, zijn religieus-educatieve teksten over hoe als goede christen je geloof te belijden en begrijpen. Theologie voor leken. Ze zijn berucht om hun vraag-antwoordstructuur: ‘Waar is God? God is overal.’ Deze structuur heeft Kregting overgenomen, zij het niet bepaald op orthodoxe wijze. Al in de eerste zinnen wordt de toon gezet:

Zeg weet jij misschien wie zwanger gaat van? Het is de zee die het land heeft opengeslagen. Wil zij soms echt souperen met de engeltjes? Een haring beminnen, oesters op zandgrond. Leden van de commissie of een medefirmant? Veel tunnels vormen een aanslag op het licht.

Er staan achttien Romeins genummerde catechismussen in Onze Nietzsche, ingesloten door een proloog en een epiloog. Tussen de genummerde catechismussen door treffen we vier – eveneens typisch catechetisch – begripsverklarende teksten. Verklarend mag gerust tussen aanhalingstekens:

Zegeningen karakteriseren zich als bungeejumps voor een zwevend electoraat. […] Wonderen karakteriseren zich als bloedsuizend bewustzijn over het lichtje in de frigidaire. Voel maar, de kast is al bijna een villa.

En precies in het midden van de bundel staat een instructieve tekst voor als je het leven wilt ‘vieren’ – genotzoekers worden geacht hun paradigma bij te schaven:

Als je wordt gevierendeeld, denk dan aan het milieu en zorg dat je tevoren naar het toilet bent geweest. Als je op een vierpitter kookt, maak dan van je lever geen oven. Als je een viermaster huurt, vergeet dan niet het personeel.

En dan is er nog de cd. Een hedendaags lesboek, in technologie altijd iets achter op zijn leerling, is natuurlijk niet compleet zonder een bijgevoegde cd. Zesentwintig tracks die overeenkomen met de teksten in Onze Nietzsche (vijfentwintig gedichten en een motto). Van A tot Z lezen vier dichters, Els Moors, F. van Dixhoorn, Kila en Babsie, de bundel voor. Kila en Babsie wisselen elkaar af bij het lezen van de catechismussen. Els Moors duidt de begrippen en leest alle geciteerde tekst. Van Dixhoorn staat in voor proloog, epiloog, de als-je-het-leven-wil-vieren-instructie en alle tekst die tussen haakjes staat. Op het einde komt daar nog een voor mij onbekende stem bij die het achteraan geplaatste ‘motto’ leest: ‘God mag nix kosten. Nescio.


Geen übermensch

 

In deze eigenaardige geloofslessen, of je ze nu beluistert of leest, speelt Nietzsche – die zonder uitzondering het bezittelijk voornaamwoord meekrijgt – de hoofdrol. De voorbeeldfunctie die Onze Heer Jezus Christus in de catechismus vervult, is bij Kregting aan onze Nietzsche vergeven: ‘Wil jij weten waarom natuurlijk verreweg de vettigste getallen elektronische hufters zijn? Luister dan naar het verhaal van de heer die per abuis zijn eigen bratwurst had ingeslikt’, zo besluit de proloog. De lijdensweg van onze Nietzsche zal ons tot inkeer brengen. Imitatio Nietzschi. Ik vraag mij af wat het verhaal over een in een braadworst verslikte man mij kan leren, maar ik zie mij bereid te luisteren. Wat hoor ik?

Verstrooiing. Uiteraard, dit is Kregting. Zinnen staan haaks op elkaar of juist volledig los van elkaar. Soms weet je jezelf twee of drie zinnen meegesleept door een beschrijving of redenatie, maar daar blijft het ook bij. Uiteindelijk gaat de tekst altijd weer overstag en word je als lezer gedwongen om opnieuw scherp te stellen. Ja, zo leest Kregting. Keer op keer opnieuw scherpstellen. Een fragment uit de negende catechismus:

Nadat je de laarzen hebt gelikt kun je aan de nier beginnen. Doe zekerheidshalve een sleutel rond je hals, de deur naar de hemel wil klemmen. Toch geeft dat minder gekraak dan het niesende leger dat Mesopotamië in dendert als een nijlpaard dat een bollenveld vertrapt. Oudheid in Aalsmeer? Wil je echt weten wat Harry de prijzenhamster nu weer bij elkaar heeft gesprokkeld?

De eerste twee zinnen zijn te lezen als deel van dezelfde instructie. Gekraak in de derde zin lijkt door te gaan op de klemmende deur in de tweede. Ook ‘Mesopotamië’ lukt in één adem met ‘Oudheid’. Maar dan ‘Aalsmeer’. Opmaat naar de totale uppercut ‘Harry de prijzenhamster’. Het doet denken aan een tenniskanon. Eerst twee lome dropshots rechtsvoor en dan een snoeiharde bal de linkerachterhoek in. Onhaalbaar. De pointe blijft eeuwig uit.

Al gauw wordt duidelijk dat wie Onze Nietzsche leest in de hoop met een paar praktische leefregels naar huis te gaan bedrogen uitkomt. Uit deze catechismussen is geen les op te maken. Hoewel de zinnen op zichzelf vaak glashelder zijn, vormen ze samen een volslagen opaak oppervlak. Ook in de rol van Nietzsche spiegelt zich deze educatieve leemte. In de eerste catechismus wordt de vraag gesteld of onze Nietzsche een held is. Bepaald niet in de conventionele zin. ‘Je krijgt in een restaurant een schaal met een klein en een groot stuk bratwurst, waarvan onze Nietzsche onmiddellijk het grootste pikt.’ Zeker ook door het voorvoegsel ‘onze’ krijg je eerder het gevoel met het cliché van de jolige Brabander vandoen te hebben dan met een navolgenswaardige übermensch.


Trending topic

 

In zijn essay ‘We lopen op hiaten’ uit De figuur in het tapijt (2012) typeert Daniël Rovers de poëzie van Kregting – zonder waardeoordeel – als banaal. ‘In hun radicale banaliteit zijn Kregtings zinnen vaak even tastbaar als een paar bouwvakkersbillen. [...] Er wordt nogal wat gekookt, gekaand en – bijbehorende luxeziekte – naar de tandarts gegaan in dit oeuvre.’ Dit geldt eens te meer voor Onze Nietzsche. Braadworsten, tomatensoep, pompoen, sandwichspread, ananas: genoeg voor iedereen. En bij eten blijft het niet. Er wordt poep opgeraapt, met een anus op een grasmaaier rondjes gereden en ijverig naar ‘het smegma van de overmoed’ gezocht. Deze weinig dichterlijke elementen zouden dichterlijk vertaald ons het Schone in het lelijke kunnen tonen, maar dat doen ze niet, want ze worden niet dichterlijk vertaald. De banaliteit zet zich door tot in de vorm. In Onze Nietzsche is het al spreektaal wat de klok slaat. Ook dat is niet nieuw. Al in 2001, een jaar nadat zijn bundel Hakkel je, hakkel je was verschenen, verklaarde Kregting het volgende in een interview met de Poëziekrant:

Is gebabbel niet iets van deze tijd? Misschien wel de helft van de televisieprogramma’s zijn praatprogramma’s. […] Die toon die daar wordt aangeslagen, dat vanzelfsprekende waarmee binnen een zware problematiek de raarste dingen met elkaar worden verbonden. En iedereen maar knikken dat hij het begrepen heeft, terwijl er naar mijn idee volkomen wartaal heerst. Dat fascineert me. Die babbeltoon probeer ik altijd te handhaven in mijn werk. Hij kabbelt er als het ware onderdoor.

Alleen is ‘onderdoor kabbelen’ als het Onze Nietzsche aangaat een understatement. In Dood vogeltje hield Kregting er voor het eerst mee op zijn poëzie in nette blokjes vorm te geven. Zinnen werden niet meer voortijdig afgebroken, ze liepen door, een tekststroom tot gevolg. In Zoem! keerde hij terug naar de blokvorm, maar kwam de spreektaal centraler te staan als inzet van het experiment. In Onze Nietzsche lopen de zinnen door én wordt de hedendaagse babbel in al zijn facetten uitgespeeld. Het eerste woordje van de bundel, ‘Zeg’, vormt het startschot voor een salvo aan tussenvoegsels en uitroepen als: ‘trouwens’, ‘toevallig’, ‘natuurlijk’, ‘echt’, ‘toch’, ‘welnee’. Daar komt bij dat de teksten net als in voorgaande bundels nooit tot één stem zijn te herleiden. Doordat de zinnen elkaar niet binnen een redelijk verband opvolgen, maakt je hoofd automatisch meerdere stemmen aan bij het lezen. Een laatste redmiddel de boel te lijmen. Als de tekst niet tot één redenaar terug is te voeren, doe ik net alsof ik in een drukbezochte ruimte ben waar ik uit het rumoer slechts flarden van gesprekken opvang. Het resultaat is een polyfonie vol onnavolgbare prietpraat en abjecte welsprekendheid waarin Nietzsche telkens weer opduikt alsof hij een trending topic is op twitter.

De cd mag gezien worden als verzilvering van dit effect. De vier dichters wisselen elkaar midden in de gedichten af met voorlezen en bekrachtigen daarmee het polyfone karakter van Onze Nietzsche. In overeenstemming met de weinig bloemrijke taal, lezen de dichters de zinnen ook allesbehalve poëtisch of gedragen voor. Niet accentloos, niet ‘de klanken proevend’, maar schrikbarend alledaags (een huisgenoot in de kamer naast mij dacht dat het om een Spotify-reclame ging). Boven elk gedicht in de bundel staat een tijdsduur aangegeven die correspondeert met de duur van de ingesproken versie op de cd. De gedichten worden schertsend gedegradeerd tot lyrics van het gebabbel. Feit is dat het lezen van Onze Nietzsche een aangenamere ervaring is dan het beluisteren van de cd met zijn snerpende stemmen (Els Moors uitgezonderd), maar het maakt uiterst tastbaar waar Kregting op aanstuurt als hij het heeft over de heersende wartaal. Seculiere massacatechese. Het laatste restje hoop op Bildung lijkt vervlogen.


Clown in de hoek


Dit zo ijverig imiteren van de huidige praatcultuur lijkt soms een hernieuwd sociaal geëngageerd naturalisme te impliceren. Misstanden aan de kaak stellen. De talkshowmentaliteit fileren als het nieuwe boerenarmoe portretteren. ‘Eensklaps afwezigheid’, het eerste en meest programmatische essay uit Kregtings bundeling poëziebeschouwingen Laden en lossen (2006), sluit hierop aan. Kregting constateert bij de mens de neiging de werkelijkheid te ontlopen. Knikken alsof je het begrepen hebt terwijl er volkomen wartaal heerst, trekt hij door naar de algemene houding van de mens ten aanzien van de wereld. Slaapdronken van concepten negeert deze de grond onder zijn voeten: 

Ondersteunt een zijdelingse passage in Ton Lemaires Filosofie van het landschap mijn hypothese van de hang naar vermijding? Lemaire bespreekt de sluimerende angst voor het zomerse middaguur, wanneer de zon de dingen in een absoluut, nietsverhullend licht zet. Op dit ‘uur van de waarheid’ is alles als het ware verwezenlijkt, de identiteit van de dingen gerealiseerd. Lemaire herinnert aan Van Gogh en Nietzsche, die juist dat tijdstip van de dag opzochten om zo ver mogelijk te gaan in hun innerlijk. Hij signaleert een afkeer bij ‘normale mensen’ voor de beproeving van het bewustzijn, die in mediterrane landen gestalte krijgt in de siësta.

Negationistische maffers zijn we. Aan literatuur de taak ons wakker te schudden. Toch is de manier waarop Kregting een spiegel voorhoudt onmogelijk mimetisch te noemen. De vercommercialiseerde werkelijkheid wordt niet zonder meer nagebootst. Kregtings zinnen zul je zelden letterlijk terugvinden in tijdschriften of in talkshows. Daarvoor is de invulling van de voorgekauwde spreekformats te vreemd. Bijvoorbeeld: ‘Ook zin in een stukje onvervalste authentiek communistische natuur?’ Een zin uit de veertiende catechismus. We herkennen de typische reisbureauformulering 'Ook zin in een...?' en al even typische woordkeuze: 'onvervalst', 'authentiek', 'een stukje natuur'. Is ‘onvervalst’ en ‘authentiek’ al wat dubbelop, de prijs voor het absolute Fremdkörper gaat hier natuurlijk naar het woord ‘communistisch’. Niemand gaat deze reis boeken. Gemeenplaatsen worden volgestouwd met anomalieën en met opzet in onlogische volgorde geplaatst om de waan van begrip te doorbreken. Ze raken defect, dienen hun doel (paaien, verkopen, verklaren, overtuigen etc.) niet langer. Hoewel dit meestal een humoristisch effect heeft, moest ik tijdens het lezen van Onze Nietzsche ook meermaals denken aan het horrorcliché van de clown. Een clown in het circus is niet eng, een clown in een donkere hoek van je kamer is dat wel. De intentie is zoek. Wat moet die clown daar? Zo gaat er van de meest gelikte zinnen van Kregting ook iets unheimlichs uit. Wat moet die zin daar? Op zijn best geeft ons dit de blik van een alien op onze  eigen maatschappij. Overstelpt worden met boodschappen, vragen, aanspraken waarvan het gissen is naar boodschap en bedoeling. Wat rest is botte, schreeuwerige letterlijkheid.


Apollo gone wrong

 
‘Lemaire herinnert aan Van Gogh en Nietzsche, die juist dat tijdstip van de dag opzochten om zo ver mogelijk te gaan in hun innerlijk. Hij signaleert een afkeer bij “normale mensen” voor de beproeving van het bewustzijn.’ Is het waar? Identificeert Kregting zich met Nietzsche? Het willen wekken uit de conceptuele slaap, het kiezen voor de directe werkelijkheid, dit lijkt Kregting met Nietzsche gemeen te hebben. Nietzsche beschouwde elke poging iets achter de directe werkelijkheid te zoeken als verraad aan het leven. Kregting zal het woord ‘verraad’ niet snel in de mond nemen, maar lijkt in ‘Eensklaps afwezigheid’ oprecht bezorgd over de menselijke neiging tot doezelen in schijnbegrip. Net als Nietzsche wijst Kregting het metafysische af, ter verdediging van het fysische. Nietzsche zou zo bezien een logisch spilfiguur zijn in de catechese van Kregting -zijn weinig heldhaftig voorkomen is desgewenst te begrijpen als een liefkozende onderstreping van zijn menselijkheid.

Toch, zoals altijd, gelukkig maar, wringt er iets. Nietzsche bepleit als het op kunst aankomt een dionysische inslag. ‘Von allem Geschriebenen liebe ich nur Das, was Einer mit seinem Blute schreibt’, klinkt het in Also sprach Zarathustra. Marc Kregtings poëzie is moeilijk dionysisch te noemen. Denkend aan Nietzsches eigen stijl, aan zijn aanvankelijke liefde voor Wagner, stel ik mij bij ‘dionysisch’ iets woests, kolkends en bombastisch voor. Het artistieke equivalent van een vulkaanuitbarsting. Kregtings poëzie heeft weinig natuurlijks:

Fun met onze Nietzsche, fun met onze, fun met. De dankbaarheid staat je tot de lippen. Heb je dus liever een kapot dan een beslagen raam? Als het huis in brand staat let je niet op de waterrekening, en natuurlijk geef je je af met wie je wilt. Had je er dan ook niet even de stront kunnen afspoelen (voor de viseter)?

In de eerste zin loopt er een machine vast. In de vierde zin hapert deze nog eens in de dubbele ‘je’. Misschien is de vergelijking met het tenniskanon nog niet radicaal genoeg. Het gaat hier om een op hol geslagen tenniskanon. Daarom dat zo veel ballen onhaalbaar is. Overmoedig draaft en praat het begrip- en geruchtmakende mechanisme van de taal dusdanig door dat het zijn doel voorbij streeft, zijn mond voorbij praat: er is geen touw meer aan vast te knopen. Niet Dionysos, maar Apollo, god van redelijk begrip en common sense, is hier aan het werk. Hij is losgeslagen en vertoont niets menselijks meer. Manisch-apollinisch lijkt mij in die zin een juiste karakterschets.

Het zal geen toeval zijn dat Kregting in de negende catechismus besluit met: ‘Blijf anders hopen op vuurgloedsaus, een absoluut liefje van onze Nietzsche. Zout houd je tegoed.’ Dionysische taal is voor de dichter niet meer dan een sausje, een smaakmaker. De taal kan zich niet verwant weten met het natuurlijke, ze kan enkel zo ver gaan in haar kunstmatigheid dat ze door de mand valt en ons niet langer voor de gek houdt. Op dit punt is zij naakt, je ziet de kromme vingers waarmee zij haar schitterend schaduwspel op de muur tovert. Deze kromme vingers hebben iets komisch, iets beangstigends en maken in tegenstelling tot de schaduwen die zij werpen deel uit van de directe werkelijkheid.


De manie voorbij 
 

Op de achterflap van Onze Nietzsche staat dat Kregting met deze bundel zijn poëzieproject voltooit. In een toespraak die Kregting hield bij de presentatie van nY #22 verklaarde hij er onlangs achter te zijn gekomen dat zijn project in de jaren zeventig al in Amerika was uitgevoerd. ‘Mijn van onwetendheid dampende poëziedebuut stamt uit 1994. Wanneer me toen zou zijn gevraagd of literatuur je een beter mens kan maken, was het antwoord: “Ja, zeker weten!”’ In deze toespraak uit de desillusionist zich gedesillusioneerd: mijn werk is al eens gedaan, en heeft dit werk überhaupt wel nut?

In Onze Nietzsche wordt desondanks nog één keer alles op alles gezet. De manier waarop wij onverminderd achteloos over de veelheid van de werkelijkheid heen scheren wordt zo breed mogelijk geëxploreerd en onvermoeibaar gefrustreerd. Een christelijke erfenis lijkt ontegenzeggelijk mee te spelen. Spelling nemen we iets minder nauw, maar we trekken nog altijd graag van leer; we maken aanspraak op begrip dat in zijn ongefundeerdheid niet onderdoet voor het aanzien van het scheppingsverhaal voor historische waarheid. ‘God mag nix kosten.’ Als het gratis kon, zouden we opnieuw geloven. We hebben niets van Nietzsche geleerd.

Het hobbelpad waarlangs deze bundel lezer en luisteraar voert, is een trip van pijnlijke herkenning en de soms hartelijke dan weer wrange lach. Hier en daar verleidt het tot oprechte woede over al dat zogenaamde weten dat ons omringt. De vraag die ik mij stel, is in hoeverre Kregtings liefde voor de veelheid van de realiteit tot volle wasdom komt in deze poëzie. Dionysische taal is misschien wat achterhaald, maar zou je Kregting niet een gebrek aan ‘geaardheid’ kunnen verwijten? Zo opgaan in het ondermijnen van taal die de werkelijkheid verloochent, dat er voor de verloochende werkelijkheid zelf geen aandacht meer is? Eenmaal ontmanteld zien we de letters, de woorden, de trucage waarmee de alledaagse taal zich een weg uit de werkelijkheid probeert te banen. Dit is een veelheid op zich, maar de veelheid van de totale werkelijkheid? Er dreigt – dan toch – eenduidigheid. Eenduidigheid die misschien het meest tot uiting komt in het vermoeden van een schrijverstrucje. Is het mogelijk zo gevarieerd de gemeenplaats te destabiliseren dat nergens herhaling optreedt; zonder automatismen die de bedoeling van de schrijver verraden? Zodra de opzet bloot komt te liggen is er geen sprake meer van pure, letterlijke, functieloze taal. Speelt dit mee in het besluit van de schrijver de poëzie voor gezien te houden? Zeker is dat de lezer in de epiloog van Onze Nietzsche wordt uitgezwaaid:

Zeg, doe je het valluik netjes achter je dicht? Weet je thuis, de zee is op slot, de mevrouwen zijn gaan slapen. Verreweg het beste kan je het licht van boven bekijken. Of ben je de vlieger die nooit wil? Flightcommander P.R. Johnson, inclusief groot waterdragend vermogen, meldt zich met een weerbericht: draai de kazen om. Stechelt de engel met de zielsverkwikker (ook wel genaamd GMW)? Alvorens te beginnen het vermoeide gevoel na welsprekendheid. De doorschoten draad is gewonnen. Houdoe, bedankt, volgend leven beter! Wat vat je niet? De meeste details staan in het infraroodgordijn. Het gulpt al universele vrouw, zij gaat zwanger.

Deze passage blijf ik herlezen. Ze raakt mij. In het sentimentele besef dat dit ‘de Laatste Dichterlijke Woorden’ van Kregting zijn? Ik weet niet of dit laatste woorden zijn. Ook Peter Verhelst beloofde na het schrijven van De boom N te stoppen met poëzie. Mij raakt de plotse rust die spreekt uit deze passage. De catechese is over. Dit spreken is van moeten ontdaan. Er is genoeg ontmanteld. De taal is aan de zelfopgelegde manie voorbij. Minder radicale botsingen van beelden, minder overfanatieke breuken in de redenatie, zonder dat je ook maar ergens nieuwe hoop krijgt achterliggende betekenis te vinden. Geduldig ontvouwen zich hier de syntactische en semantische mogelijkheden van het talige uitzwaaien, zonder hoop op definitieve vorm of inhoud. Wat advies, een houdoe, een laatste knipoog. Deze taal lijkt werkelijk van bedoeling ontslagen. Niet begrijpen, noch eigen begrijpzucht drukken of vermeend begrip ontmaskeren, maar genoegen nemen met het observeren van het spel tussen woorden en de werkelijkheid die hun ontglipt. Was alle hectiek nodig voor deze glimp van vrijheid? Zonder zou zij lang zo zoet niet smaken. Dankbaar grijnzend zwaai ik terug.