Pieter T'Jonck

Published: 8/04/2010

Tags: review performing arts


Bij A Game of You van het Gentse theatercollectief Ontroerend Goed. Oorspronkelijk verschenen in nY #5 (2010). Ontroerend Goed speelt A Game of You nog van 15 tot 18 april in Minard Gent, daarna in juli in het Battersea Arts Centre in Londen.

‘Alles is al gedaan, maar nog niet door ons en niet nu – Ontroerend Goed gaat, vrij van een donker postmodern gevoel, samen met de toeschouwers op zoek naar een oorspronkelijke theaterervaring van nu.’

Dit citaat vond ik op de website van Ontroerend Goed, een compagnie die tot mijn verbazing ondertussen zowat tien jaar actief is, maar die ik nooit meemaakte, tot ik hun nieuwe werk A Game of You zag in KC België in Hasselt. Meemaken is wat dit werkstuk betreft wel het woord. Of je het nu wilt of niet, je eigen inbreng als toeschouwer, participant, proefkonijn, onderzoeksobject maakt de vertoning tot wat ze is. Dat maakt er in elk geval onconventioneel theater van: het werk stelt namelijk niets voor, toch niet op de manier waarop een gewone voorstelling dat doet. Om te bepalen wat er nu precies zo bijzonder is aan A Game of You, en waarom het inderdaad ‘een oorspronkelijke theaterervaring van nu’ biedt, is het nuttig om een kleine fenomenologie te schetsen van de theaterbezoeker en zijn tegenhanger, de gamer.


Een kleine fenomenologie van theater en game

Theater is doorgaans een veeleer eenvoudige, maar daarom niet onbelangrijke bezigheid. Het is een medium dat ons beelden biedt van wie en wat we zijn. Het houdt ons, zoals steeds weer wordt gezegd, een spiegel voor. Theater doet dat echter op een andere manier dan bijvoorbeeld film. Zelfs al putten veel theatermakers zich nog steeds uit om een verhaal zo realistisch mogelijk te vertellen, naar het model dat in de late negentiende eeuw opgang maakte, het wezenlijke is niet dat theater verhalen vertelt, fictie opvoert, al kan het dat ook doen. Bij theater gaat het erom dat het podium de zaal weerspiegelt en je ‘het’ – kijken, meemaken – dus nooit alleen, maar altijd samen met anderen ‘doet’. Dat impliceert dat je het gebeuren niet enkel op een particuliere wijze ondergaat of absorbeert, zoals bij film het geval is. Meer nog: die anderen, dat zijn niet enkel de acteurs, die trouwens vaak doen alsof ze zich achter een ‘vierde wand’ bevinden, maar ook de andere toeschouwers. Met die andere toeschouwers vorm je een ‘publiek’, en dat is iets anders dan de ‘massa’ van ander spektakel zoals een voetbalmatch of een rockconcert.

In een publiek zitten betekent dat je je steeds bewust bent van het groepseffect in de manier waarop een publiek reageert. Die reactie is bijzonder belangrijk, omdat ze een uitwerking heeft op de voorstelling. Op een heel directe manier gebeurt dat als mensen open doekjes geven, ‘boe’ roepen of zelfs weglopen. Het speelt echter ook op een meer onderhuidse manier, in de aandacht die een publiek al dan niet opbrengt (het gekuch, gefluister, geschuifel dat acteurs tot waanzin kan drijven). Niet alleen word je dus op het podium als ‘mens in het algemeen’ voorgesteld, je stelt met je reacties en je houding ook jezelf voor, en wel in het aanschijn van anderen. De theaterbezoekers houden elkaar een spiegel voor, niet alleen de acteurs doen dat. De organisatie van een theater maakt dat voluit duidelijk: nog voor je de zaal betreedt, kom je de andere toeschouwers tegen in de foyer, waar je ze na afloop terugziet. Het moment waarop je samen het gebeuren induikt is dus geformaliseerd en bovendien vaak door de architectuur van het gebouw geënsceneerd. Al doen regisseurs er de laatste decennia alles aan om dat effect tot een minimum te reduceren, het blijft een hoogst reëel effect. Eens de opvoering is begonnen zie je niet alleen de acteurs terwijl je weet dat zij ook jou zien, je weet evengoed dat anderen in de zaal jou zien, net zoals jij de anderen en hun reacties kunt zien – wat in het geval van een criticus gênante neveneffecten kan hebben.

Iets minder evident, maar toch heel present in het theater, is het paradoxale neveneffect dat dit samen beleven en aanschouwen van belangrijke beelden kan hebben. Als kijker kun je door hetgeen je wordt getoond, terwijl je weet dat anderen hetzelfde zien én zien dat jij dat ziet, op een extreme manier op jezelf teruggeworpen worden. Zien hoe acteurs voor het oog van anderen hun diepste zielenroerselen lijken te etaleren kan onthutsend zijn, ook al weet je dat het ‘niet waar’ is. Het gebeurt dan toch maar, niet? Ze moeten toch iets ervaren, nee? De vraag die kan opduiken is of je nu de enige bent die van slag raakt door het getoonde. Ervaren de anderen dit ook zo? Die verwarring wordt des te sterker naarmate je als kijker niet graag in je kaarten laat kijken, en van de weeromstuit tot op zekere hoogte vervreemd bent geraakt van sommige affecten en gedachten.

Er bestaat – of liever: bestond – een gestandaardiseerde manier om met dat ongemak om te gaan, om weerwerk te bieden: ‘het schandaal’. Elke keer wanneer een groot deel van het publiek iets schandalig vindt, probeert het in feite het getoonde te isoleren als een aberratie, precies omdat het een te gevoelige snaar raakt. De hedendaagse theaterbezoeker is echter te ‘breeddenkend’ geworden om nog snel van een schandaal te spreken. Toch valt nog te bezien of de schandaalbestendigheid van de verlichte toeschouwer niet een eenvoudige omkering is. De beslistheid waarmee kijkers alles willen accepteren duidt erop dat ze veel minder dan hun schandaalgevoelige voorgangers willen laten zien dat bepaalde beelden hen verontrusten. Liever laten ze zich achteraf in een nabeschouwing uitleggen waarover het allemaal ging. Dat scheelt in het nadenken en in het risico zichzelf te kijk te stellen. Want wie ‘schandaal!’ roept, zet zichzelf te kijk, ook al is dat dan in naam van de moraal.

Niet alleen regisseurs zijn dus afkerig van interactieve toeschouwers: zij verstoren het verloop van de zorgvuldig beraamde effecten toch alleen maar. En omdat ze moeite hebben om de situatie waarin ze zich bevinden te duiden, doen ook de toeschouwers zelf er liever het zwijgen toe. Ook al verlangt menigeen er hartstochtelijk naar om zich ten volle te
engageren in een (theater)spel, in het theater ben je ertoe veroordeeld in stilte af te wegen wat je zou doen als je werkelijk beleefde wat de acteurs spelen. Je hebt geen vat op de gebeurtenissen en je hebt geen zekerheid over hun betekenis. Je weet enkel wat je zelf ervaart, en dat is niet altijd geruststellend.

De laatste decennia is de ‘game’ opgekomen, een medium dat de mogelijkheid biedt tot een interactiviteit waarbij je, meer nog dan bij film, tot aan de grens van totale immersie kunt gaan. In games bevind je je alleen in een situatie die, in plaats van de contemplatieve, juist de onmiddellijke, spontane, niet gereflecteerde reactie stimuleert, en daarbij nogal vrijelijk teert op sociaal minder wenselijke gemoedsuitingen. (Of dat nu kwalijk is of niet doet er hier niet toe.) Games vermijden introspectie. Ze creëren een situatie waarin je je ziel legt in een ‘avatar’ die zich op het scherm beweegt en waar gebeurtenissen geen gevolgen en geen getuigen hebben. Dat geldt ook als je in groep gamet. De ‘avatar’ neemt het over, je gevoelens en gedachten komen los van je fysieke zelf, dat als een soort overblijfsel aan de rand van het toestel blijft hangen. In tegenstelling tot in het theater bespiedt niemand je reacties terwijl je avatar moordt en brandt, en je vergeet zowaar zelf dat je avatar daarmee bezig is.

Games zijn ontzettend realistisch en de grenzen van die ontwikkeling zijn nog lang niet in zicht. Daarin benaderen ze de mogelijkheden van film en laten ze het geklungel van het theater ver achter zich. De gamer krijgt zo nog sterker het gevoel dat hij zich via zijn avatar volkomen verplaatst in een andere, maar volledig als werkelijk ervaren situatie. Bij theater blijft de identificatie met de acteurs daarentegen altijd relatief symbolisch, want bemiddeld door een zware mentale inspanning om de situatie te lezen en te vertalen, daar ze meestal slechts door analogie lijkt op wat we kennen. In een game is het beeld echter zo overtuigend ‘echt’ dat het ons opzuigt. Maar het leuke is: we raken nooit de controle over dat beeld kwijt. Het blijft altijd aan zichzelf gelijk. Hoe realistisch het ook lijkt, het is veel minder onbestendig dan een echt lichaam, een echt gezicht. Bovendien lijkt de avatar zelden op wie we zijn. De identificatie is imaginair, dat wil zeggen, ze verloopt via een wensbeeld dat werkelijkheid lijkt te worden. Dat is iets heel anders dan een spiegel.

Een spiegelbeeld is een raar ding. We herkennen het, als volwassenen, onmiddellijk, al is dat herkenningsproces veel complexer dan het lijkt, want je beeld is inherent veranderlijk. (Sommige mensen slagen er nooit helemaal in dit te vatten en worden daar gek van.) Je gespiegelde zelf veroudert bijvoorbeeld, of het toont je in een bruinere of blekere versie, vermoeider of meer uitgeslapen. Je moet dus voortdurend een innerlijk (wens)beeld aanpassen aan wat je ziet. In het spiegelbeeld is de ander daarmee altijd onmiddellijk aanwezig. Door de onvolkomen correspondentie met het idee dat je hebt over jezelf stelt je spiegelbeeld het probleem dat niemand kan of zal zien wie je ‘werkelijk’ bent, of, erger, dat het beeld niet beantwoordt aan wat verwacht wordt. Je kijkt dus altijd ook met de ogen van iemand anders naar je eigen beeld, en je spiegelbeeld pleegt altijd een beetje verraad. Het is een avatar, een beeld van jezelf dat aan de rand van je eigen lijf hangt – maar het is niet de stabiele avatar van een game.

Om nog een andere reden bevestigt de game de controlefreak in ons. De mogelijkheden en potentiële posities kunnen wel heel uitgebreid zijn, maar ze zijn niet oneindig, en ze volgen een strikt protocol. De spanning zit enkel in de vraag of we een volgend level al dan niet halen, maar dat heeft nooit enige consequentie. In het slechtste geval moet je opnieuw beginnen, maar de kans dat je beter wordt is er altijd. Was het leven maar zo.


A Game of You

De nieuwe productie van Ontroerend Goed mixt op bijna duivelse wijze twee modi – die van het theater en die van de game – in een gebeurtenis waarin je spiegelbeeld de centrale rol heeft. Dat beeld gaat in het stuk een eigen leven leiden, als een avatar in een game, maar dan met de onbetrouwbaarheid van het spiegelbeeld. Ontroerend Goed laat je voelen hoe ongemakkelijk – maar ook onvermijdelijk – het is als je spiegelbeeld je ontsnapt.

Wat deze installatie ontbreekt om ze theatervoorstelling te noemen is meteen duidelijk: behalve jezelf is er geen ander publiek fysiek aanwezig tijdens je tocht door het werk. Evenmin wordt er een stuk opgevoerd. De installatie neemt de figuur aan van een ‘protocol’, zoals in een game. Je gaat door zes situaties. Hoe ongemakkelijk je je hierbij ook kan voelen, je weet dat je het einde ongeschonden zult halen. Als het afgelopen is, weet je ook dat je het ‘beter’ zou kunnen spelen. Alhoewel: praktisch gezien is een exacte herhaling onmogelijk. Er worden bovendien geen punten uitgedeeld: het ‘definitieve’ oordeel kan je pas veel later beluisteren, op een moment dat je eigenlijk niets meer kan doen. Als dit al een game is, dan toch een heel perfide.

Het begint allemaal heel gewoon, als ervaringstheater. Je wordt binnengeloodst in een piepklein kamertje. Daar is slechts plaats voor twee stoelen. Een wand van het kamertje wordt in beslag genomen door een spiegel, met daaronder een leggertje. Daarop plastic bekertjes, een kruik water en Playmobilpoppetjes. Iemand liet een briefje na om te melden dat je gerust water kunt drinken en spelen met de poppetjes – een reis terug in de tijd. Je kijkt wat in de spiegel. Uiteraard kijken anderen daar al imaginair mee als je je eigen beeltenis bestudeert. Weet jij veel dat er ook werkelijk anderen meekijken, omdat de spiegel een doorkijkspiegel is.


© Ontroerend Goed

Niet veel later krijg je gezelschap van iemand die – in mijn geval aarzelend, maar dat kan ook anders uitpakken – over zichzelf vertelt. Over wie hij is en hoe hij zich voelt. Je verwacht meteen dat deze persoon je een verhaal, een levensgeschiedenis zal binnenleiden. In elk geval verlost dat je van de licht ongemakkelijke confrontatie met je eigen beeld. Hoe onwennig het ook is dat iemand over zichzelf begint, het gaat niet langer over jou. Je krijgt echter nauwelijks tijd om te doorgronden wie naast je zit. Na een vluchtig gesprekje word je immers al door iemand anders meegenomen op een wandeling door een labyrint van al even kleine kamertjes.

In al die kamertjes kom je toch op steeds andere manieren weer jezelf tegen. Soms in de meest letterlijke zin. Je begeleider imiteert je bijvoorbeeld, alsof zij – in mijn geval was het een vrouw – door een ‘remote control’ al je acties kan dupliceren. Wat ze ook doet als ze achter een leeg kader gaat zitten en precies je gedrag van voor de spiegel in de eerste kamer nabootst. Het eenvoudige spelletje van de verdubbeling en verplaatsing verandert zo van karakter. Dit is misschien wel een avatar, maar dan een met een geheugen. Een acteur dus, zij het in een stuk zonder plot. Die acteur laat je vervolgens kijken naar een opname van jezelf voor de spiegel. Dan besef je dat je in een situatie zat waar anderen, hoe gering in aantal ook, je konden zien terwijl je jezelf aan het bekijken was in de spiegel of luisterde naar de bezoeker. Het begint je te draaien: wat is er te zien op deze beelden? Natuurlijk herken je jezelf, maar hoe hebben anderen dit gelezen, en stemt dat een beetje overeen met wat je zelf ‘ziet’ in de spiegel – of beter: projecteert op je spiegelbeeld? Hier komt de theatrale modus volop op gang.

In een volgend moment zet Ontroerend Goed een theatraal tandje bij. Je ontmoet jezelf in figuurlijke zin wanneer je wordt uitgenodigd om te kijken naar beelden van iemand die net aan de tocht begonnen is. Mijn begeleidster stelde mij allerlei behoorlijk doortastende vragen over wat ik zag. Zoals: wat doet deze persoon in het leven? Is hij of zij zelfverzekerd
of juist niet? Heeft hij of zij een vriend, lief, minnaar, kinderen …? Hoe heet deze persoon denk je? Het test niet alleen je mensenkennis (ik was nieuwsgierig genoeg om de vrouw in kwestie achteraf uit te horen om te zien in hoeverre ik juist of fout zat), maar laat je onrechtstreeks ook voelen hoe groot de spanning is tussen de manier waarop je je eigen spiegelbeeld ervaart – met ‘volle kennis van zaken’, alhoewel – en de manier waarop anderen daarmee omgaan of dat ervaren.

Een zinnig of juist antwoord valt op deze vragen sowieso moeilijk te geven. Hoe weet je na enkele videobeelden of iemand onzeker is? Toch blijkt de verleiding groot om in te gaan op die vragen. Alsof je in een vreemd land bent waar je ongehinderd over anderen kunt fantaseren omdat ze je toch niet verstaan. De vraag is of je bij dat fantaseren niet vooral iets over jezelf vertelt, veeleer dan over de persoon die je ziet. Zelfs al steunt je mening op fysieke details (zoals kleding, haarsnit, gedrag) die zijn wat ze zijn, net zoals ook een spiegelbeeld is wat het is. Maar uiteraard interpreteert iedereen dezelfde beelden anders. In een kleine, omgekeerde peepshow, waar je ondervraagd wordt over je meningen, word je met je neus op dat feit gedrukt. Het object van verlangen is een product van je eigen geest. Alleen keert die hier als een lastige, nieuwsgierige vreemde terug.

Op dat moment krijg je de uitslag van het spel, en wel twee keer. De eerste keer in de vorm van een cd met de titel About you. Je weet meteen dat je het commentaar zal horen dat een ander op jou had, net zoals jij dat op weer een ander gaf. Het ding brandt in je zak. Je kunt niet wachten om het, in je auto of thuis, te beluisteren. Maar er is ook een tweede rapport. De avatar/acteur die je begeleidde gaat binnen in het eerste spiegelkamertje, terwijl je zelf post mag vatten achter de spiegel. Ze gaat naast een nieuwe ‘gamer’ zitten, en praat er op los. Onmiskenbaar geeft ze daarbij een interpretatie ten beste van hoe je je gedraagt in een publieke situatie, en wat dat misschien zegt over jezelf. Op dat ogenblik ben je finaal de controle kwijt over je spiegelbeeld en je avatar. De hele constructie neemt een loopje met hoe je dacht jezelf te zien. Op dat ogenblik, wanneer ‘A Game of You’ verschillende blikken elkaar op oncontroleerbare wijze laat kruisen, wordt het stuk puur theater, maar dan wel theater van een ongehoorde perfiditeit.


Het gekke is dat als ik achteraf bij Alexander Devriendt, een van de makers van dit spel, informeer of hij werd geïnspireerd door pakweg Lacan, het antwoord negatief is. Hij haalde de mosterd bij games, virtuele (hyper)realiteit, poëzie, zelfs theater, maar een theoretisch kader … nou nee. Ontroerend Goed doet alles, en alles opnieuw, maar ‘zonder een donker, postmodern gevoel’. Ook dat geeft te denken.